DE STERRENWERELD VAN DEN ZEEBODEM.

Wij gaan nu kennis maken met een wereld van schitterend gekleurde

sterren op den bodem der zee, waarvan wij ook aan onze kusten dikwijls

voorbeelden zien: de =zeesterren=, de vierde klasse van de groote

afdeeling der stekelhuidigen.

Stekelig zijn ook deze wezens weer in de hoogste mate, zelfs in

tweeërlei zin: ditmaal niet slechts van uiterlijk, doch ook van inborst,

want de zeesterren behooren tot de vraatzuchtigste en roofgierigste

bewoners van het ondiepe water, waar zij, langzaam en voorzichtig

kruipend tusschen allerlei voorwerpen, door heenglijden. In zoover zou

men ze dus tot de „dwaalsterren” kunnen rekenen, hoewel ze ook wel iets

van „vallende sterren” hebben, want werpt men ze, na het opvangen, weer

in zee, dan laten ze zich, zonder eenige poging om te zwemmen of om

drijvende te blijven, eenvoudig naar beneden vallen. En terwijl de, uit

de eieren komende, jongen of larven, door middel van talrijke trilharen,

vrij in zee rondzwemmen, zijn de ouden daarvoor volstrekt niet in staat,

en door hun dik, stevig lichaam, met 5 vingervormige aanhangsels, de

dikke huid, die vol van vaste kalkplaatjes en dus niet zeer buigzaam is,

zijn zij als aangewezen om over den zeebodem te kruipen, hetgeen ook

weer met den mond naar beneden geschiedt. En deze sterrenwereld vertoont

ons een afwisselend beeld van verschillende vormen, met meestal

levendige en fraaie kleuren.

[Afbeelding: XV.]

De organisatie der zeesterren komt overeen met de schets, die wij

daarvan op bladz. 149 voor de stekelhuidigen in ’t algemeen gegeven

hebben. Alleen hebben zij een geheel anderen lichaamsvorm dan de drie

vorige klassen, namelijk dien van een platte, vijfstralige ster, die in

het midden uit een soort van schijf ontspringt, aan wier onderzijde

steeds de mond en aan wier bovenkant de aarsopening ligt. De huid is wel

leerachtig zacht, maar omvat toch een soort van skelet, dat uit rijen

van kalklichaampjes bestaat, doch die beweeglijk met elkaar verbonden

zijn en alzoo de beweging der armen mogelijk maken, terwijl zij naar

buiten ook weer stekels vormen. Tusschen die stekels staan weer talrijke

~pedicillariën~, de vroeger genoemde vertakte, tangvormige kleporganen

(zie bladz. 151), waarmede alle vreemde voorwerpen en de uitwerpselen

verwijderd worden, ten einde de huid te reinigen. De beweging geschiedt

weer door de zuigpootjes van het ~ambulacraalstelsel~ (zie bladz. 150),

welke in rijen, doch alleen aan de onderzijde, geplaatst zijn, van den

mond te beginnen tot aan de punten der armen.

Het voedsel bestaat voornamelijk uit zeeslakken en schelpdieren, dus uit

dieren, die zich zelf ook niet of zeer langzaam bewegen. In het aquarium

kan men dikwijls zien, op welke wreedaardige wijze een zeester zelfs de

schelpdieren, in hun schijnbaar onwrikbaar gesloten schelp, weet meester

te worden. Eerst sluit het dier een oester of mossel, met een

valschaardige omhelzing, zoo innig in zijn armen, dat de schelp,

langzaam maar zeker, open gewrongen wordt en dan wordt de lange,

buisvormige maag, door den mond naar buiten omgestulpt en door de

gemaakte opening van de schelp gestoken, om de weeke deelen van de prooi

uit te zuigen en verteren. Zelfs de zoo ongenaakbare kreeften worden op

die wijze overmand.

Op de plaat treffen wij nog van twee verschillende orden der zeesterren

voorbeelden aan. Bij de =eigenlijke zeesterren= (fig. 1, 4 en 6) zet het

darmkanaal zich nog voor een deel voort in de zeer breede armen en hier

staan de zuigpootjes in een diepe, onbedekte groeve in het midden van de

onderzijde der armen, terwijl de zeefplaat, waardoor het water voor het

ambulacraalstelsel binnentreedt, op de rugzijde ligt en er steeds

pedicillariën voorhanden zijn. Daarentegen zijn de armen bij de tweede

orde (fig. 3 en 5) zeer lang en slangvormig en scherp van de ronde

lichaamsschijf gescheiden en daarom worden dezen =slangensterren=

genoemd. Hier zet het darmkanaal zich ~niet~ in de armen voort, terwijl

de ambulacraalpootjes, in een bedekte groeve, langs de zijkanten der

armen staan. De zeefplaat ligt aan de buikzijde, onder een kalkplaat bij

den mond: de mondplaat.

Verschillende soorten van de eerste orde, de eigenlijke zeesterren, zijn

in het aquarium te Amsterdam te zien en op de plaat treffen wij de drie

volgende soorten aan.

In fig. 1 zien wij de ~ijszee-zeester~ (_Asterias glacialis_), die

echter ook in den geheelen Atlantischen oceaan, de Noordzee en zelfs in

de Middellandsche zee voorkomt. Het is een fraai dier, roodachtig van

kleur, met groote armen, die ongeveer 8 maal zoolang zijn als de

lichaamsschijf breed is, n.l. ongeveer 40 centimeters. Elke arm heeft 4

rijen zuigvoetjes en de ambulacraalplaten dragen verscheidene rijen van

stekels, aan wier voet zich gesteelde rijen van pedicillariën

(grijptangen) bevinden. Van hetzelfde geslacht komen ook een paar

soorten veel aan onze kusten voor en spoelen dikwijls aan het strand

aan, waarvan het meest bekend is de ~gewone vijfvoet~ (_Asterias

rubens_), die kleiner is dan de vorige en rood of oranje van kleur is.

De ~breedvoetige zeester~ (_Palmipes pentagonaster_) van fig. 4 vertoont

volkomen den eigenaardigen stervorm. Het rugskelet bestaat uit platen,

die elkaar dakpansgewijs bedekken en met stekels bezet zijn. De armen

zijn hier ook niet zoo volkomen van elkaar gescheiden, doch hangen, door

groote uitbreidingen van de schijf, met elkaar samen. Het levende dier

is wit, met roode bundeltjes stekels op den rug, vooral langs de armen;

de buikzijde is wit, met rooden rand.

De ~oranjekleurige kamster~ (_Astropecten aurantiacus_), fig. 6, is een

bijzonder groote soort van 45 centim. lang en op den rug hoog

oranjekleurig. De armen zijn langs de randen met eigenaardige stekels of

borstels bezet, die veel lichter van kleur zijn en de ruwe bovenzijde

is gelijkmatig en dicht met kleine zuiltjes bedekt. Elke arm heeft, aan

weerszijden, 40 tot 50 bovenste randplaten, die grof gekorreld en van

twee korte stekels voorzien zijn. De onderste randplaten zijn dicht

geschubd, met 3 of 4 platte stekeltjes en een grooten randstekel. Een

aarsopening ontbreekt. Deze soort komt ook aan onze kusten voor en

spoelt somtijds aan het strand aan.

* * * * *

Van de orde der =slangensterren= (bladz. 162) zien wij op de plaat twee

soorten. Fig. 3 stelt de ~witte slangenster~ (_Ophiura albida_) voor,

die in alle Noord-Europeesche zeeën en de Oostzee, ook aan onze kusten,

voorkomt, doch alleen op zeer aanzienlijke diepte. De mondschilden zijn

kort, ongeveer even breed als lang; de insnijdingen der schijf, boven de

armen, dragen aan weerszijden 10-12 papillen. De kleur van het levende

dier is steenrood, na den dood wordt zij wit. De lichaamsschijf meet 15

centim. in doorsnede, de armen worden tot 5 centim. lang. Deze dieren

sluipen en klauteren, met zekere behendigheid, in rotsspleten,

koraalriffen of wormbuizen rond, waarbij zij slechts weinig van hun

zuigpootjes gebruik maken, doch des te meer van hun armen, die zij om

allerlei voorwerpen in het water heenwikkelen. In de warme zeeën leven

zij van de zachte deelen der koralen, in onze zeeën van andere weeke

zeedieren.

Een andere, zeer fraaie slangster is de ~broze stekelslangster~

(_Ophistrix fragilis_) van fig. 5, die een groote dikke schijf bezit,

met eenigszins ingezonken straalschilden en bezet met verschillend

gevormde korte en krachtige uitsteeksels, waartusschen dikwijls eenige

slanke, lange stekels staan. De armen zijn dun, ongeveer 5 maal zoo lang

als de middellijn van de lichaamsschijf. De buikschilden der armen

vertoonen aan den buitenkant een bocht. De stekels op de armen staan ten

getale van 8-10 bij elkaar, zij zijn stomp en loopen in een kleinen

doren uit. De kleur is zeer verschillend. De dieren komen ’s winters

veel aan onze stranden en vooral na een storm vindt men, dikwijls bij

duizenden, de aangespoelde kalkplaatjes. De armen zijn zeer bros

(vandaar de naam), doch zij groeien, na het afbreken, weer spoedig aan.

* * * * *

Op de plaat komt nog een ander dier voor, dat ~niet~ tot de zeesterren

behoort en hier eigenlijk eenigermate verdwaald is, daar het behoort tot

het gebied van plaat XIV en wel: tot de gesteelde =zeeleliën= (zie

bladz. 158), namelijk:

Het ~Medusahoofd~ (_Pentacrinus caput Medusae_), fig. 2, een prachtige,

in het water wiegelende dierlijke bloem, als ’t ware een gesteelde

waterlelie, wier steel, die na den dood in de leedjes uit elkaar valt,

nog bezet is met talrijke kransen van gelede ranken. Bovenaan bevindt

zich een krans van vangarmen, in wier midden zich de, naar boven

gerichte, mond bevindt en die naar het grondtal 5 gerangschikt zijn,

doch zich zoo vertakken, dat er 20 armvertakkingen zijn; aan hun

rugzijde worden zij door kalkplaten gesteund. De dunne armen dragen

bovendien nog vele gelede, veervormige zijtakjes. Als nu deze armen zich

straalsgewijs ontplooien, dan vormen zij te zamen een vangtrechter,

waarin het toestroomende voedsel blijft hangen en, als ’t ware, uit het

water bijeengezift wordt. De groeven der armen zijn met trilharen bezet

en deze voeren, door hun beweging, de deeltjes van het voedsel naar den

mond. Hoewel de zeeleliën aan den zeebodem vastgegroeid zijn, zoo

ontbreekt haar toch niet een zekere beweeglijkheid; evenals een bloem op

langen steel in den wind, zoo wiegelt zij in het water heen en weer,

zoodat zij haar arbeid van het bijeenziften van voedsel over een vrij

groot gebied kan uitbreiden.

In toestand van rust worden de armen boven den mond samengevouwen en dan

heeft het dier veel overeenkomst met een verdroogde Jerichoroos. De

voortplanting geschiedt door eieren, die dikwijls in groote menigte aan

de veertjes der armen hangen. Daaruit ontwikkelen zich eerst vrij

zwemmende larven, die een gedaanteverwisseling ondergaan en zich later

vastzetten. De dieren leven in den West-Indischen Oceaan, bij de

Antillen, en zijn licht geelachtig bruin van kleur.

[Afbeelding: XVI.]

Uit de dierenwereld van het water Schetsen in woord en beeld van het lever der lagere diersoorten · 第 78 / 92 题