noemt, hoewel die naam niet bepaald aan allen toekomt, daar wel de
meesten aan de oppervlakte met stekels bezet zijn, doch niet allen,
zooals wij uit de figuren 2 en 9 zien. Toch hebben zij allen eenige
kenmerken gemeen, die ons het recht geeft, ze onder één en dezelfde
rubriek samen te vatten. Zoo bevat de huid bij al deze dieren steeds
talrijke kalklichaampjes, die soms in de lederachtige huid verborgen
liggen, doch bij de meesten, als puntige ~stekels~, naar buiten uitstaan
en dan het weerlooze dier tot beschutting dienen en soms ook wel tot een
samenhangend pantser vergroeid zijn.
Verder is een algemeen kenmerk dezer groep, dat de onderdelen en organen
van het lichaam niet meer paarsgewijs, tweezijdig, ten opzichte van de
lengte-as van het lichaam geplaatst zijn, doch ~straalsgewijs~ rondom
een middelpunt, zooals wij dit reeds bij de poliepen ontmoet hebben, die
vroeger, met de stekelhuidigen, de sponsen en oerdieren, wel tot de
algemeene groep: =straaldieren= samengevoegd werden. Terwijl echter bij
de poliepen de getallen 6 of 8 den grondslag vormden voor dien
straalsgewijzen bouw (zie bladz. 21), is bij alle stekelhuidigen 5 het
typische getal voor de symmetrie. Zoo bestaat het zenuwstelsel eenvoudig
uit een zenuwring om den slokdarm, waaruit zich 5 zenuwstammen
straalsgewijs naar de verschillende organen begeven. Ook de rijen van
kalkplaatjes en stekels vertoonen een straalsgewijze rangschikking,
evenals vele andere organen.
Vooral merkwaardig is het ~bewegingstoestel~, in verband staande met een
eigenaardig ~vaatstelsel~, dat tevens ook voor de ~ademhaling~ dient.
Men noemt dit het ~ambulacraalstelsel~ (van het Latijnsche _ambulare_ =
wandelen) en het bestaat uit honderden kleine ~voetjes~ of ~pootjes~,
een soort van elastische blaasjes, die door het watervaatstelsel met
water opgevuld en, tengevolge van de spanning van het water, door
openingen in de kalkplaatjes van de huid naar buiten gedreven worden,
terwijl zij zich weer intrekken, als het water terugvloeit. Deze
doorboorde kalkplaatjes van de huid liggen ook weer in straalvormige
rijen, de zoogenaamde „~ambulacraalvelden~” en daaronder liggen,
insgelijks straalsgewijs, de talrijke ~zijkanalen~, van wier wanden de
blaasjes of pootjes aanhangsels zijn en er door met water opgeblazen
worden.
Het water stroomt binnen door een grootere, zeefvormig doorboorde,
kalkplaat: de ~zeefplaat~, die aan de oppervlakte van het lichaam ligt
en waardoor het in een kanaal komt, dat uitmondt in een, als een ring om
den slokdarm bij den mond gelegen, ~ringkanaal~. Uit dit laatste
ontspringen de genoemde zijkanalen, met hun pootjes als aanhangsels, en
tevens monden er eenige grootere waterblazen, de ~Polische blazen~, in
uit, die hun water, door samentrekking, in het ringkanaal en van daar in
de zijkanalen persen, waardoor de voetjes door de openingen naar buiten
dringen. Langs denzelfden weg, doch in omgekeerden zin, kan het water
uit de pootjes weer weggezogen worden, waardoor zij zich aan hun
onderlaag vastzuigen en de voortbeweging tot stand brengen. Dit
ambulacraalstelsel dient dus tegelijkertijd, waarschijnlijk met de huid,
voor waterverversching en ademhaling.
Overigens bezitten deze dieren ook een tamelijk volledig
~spijsverteringstoestel~, met mond en, in den regel, ook met
aarsopening, alsmede een afzonderlijk ~bloedvatenstelsel~ met vaten. De
voortplanting geschiedt door ~eieren~, waaruit eerst ~larven~, met een
geheel anderen vorm en levenswijze, ontstaan en die zich, na een
merkwaardige gedaanteverwisseling, tot volkomen dieren ontwikkelen.
Vele stekelhuidigen, zooals de zeeëgels en zeesterren, nemen, bij hun
voortbeweging, een zeer bijzondere positie in, die voor onze begrippen
het tegendeel van aangenaam zou zijn. Dikwijls kruipen zij, met den mond
naar beneden en de aarsopening naar boven, over den zeebodem, terwijl
velen, door het beurtelings vastzuigen en loslaten der zuigpootjes,
dikwijls de meest gewaagde akrobatische voorstellingen geven,
bijvoorbeeld, met het grootste gemak langs een gladden, volkomen
vertikalen rotswand naar boven kruipen.
Men onderscheidt verschillende klassen, naar gelang van den
lichaamsvorm, de plaatsing van den mond, en den aard en de ligging van
de kalkplaatjes. Wij zullen eerst een paar voorbeelden bekijken uit de
klasse der =zeeëgels=, die een bolrond of schijfvormig lichaam hebben,
dat omgeven is door een kalkschaal, uit vergroeide hoekige plaatjes
ontstaan, met naar buiten gerichte ~stekels~, terwijl de mond aan de
onderzijde van het lichaam ligt. Vier leden van deze klasse ontmoeten
wij op de plaat, vooreerst:
de ~wrattige lans-tulband~ (_Cidaris papillata_), fig. 1; de grondvorm
van het lichaam is die van een bol, welks beide polen worden ingenomen
door den, aan de onderzijde gelegen, mond en de, ruggelings bovenaan
geplaatste, aarsopening. De lichaamswand bestaat uit kalkplaten, die
vast met elkaar vergroeid zijn en wier buitenzijde grootere of kleinere
wratachtige uitwassen vertoont, waaraan, door een soort van gewricht, de
zeer lange, lansvormige stekels beweegbaar verbonden zijn, die naar alle
zijden uitsteken, doch ook omgelegd kunnen worden, hetgeen bij het doode
dier van zelf geschiedt. Tusschen die stekels staan vele, eigenaardig
gevormde grijptangen, gesteelde en van boven vertakte kleporganen, die
zich kunnen openen en sluiten. De kleur van het dier is rood tot
groenachtig bruin of bruinrood, de doorsnede der schaal zelf bedraagt
ongeveer 3,5 centim., de lengte der stekels niet minder dan 9 centim.
Deze regelmatige, ongeveer ronde zeeëgels, waar de mond aan de
onder-, de aars daartegenover aan de bovenzijde gelegen is, noemt
men ook wel: =zeeappels=. Zij hebben, gelijk dus ook bij de beide
volgende soorten het geval is, 20 zeer regelmatig straalsgewijs
gelegen rijen kalkplaatjes en wel: telkens 2 rijen van doorboorde
„ambulacraal-plaatjes”, die afwisselen met 2 rijen zonder die gaatjes.
Deze soort komt in den Atlantischen oceaan, de Middellandsche zee en de
Noord-Europeesche zeeën voor. Andere soorten van het geslacht _Cidaris_
leven in de tropen, in grooten getale, gezellig bij elkaar op
koraalriffen, waar zij zich met zeeplanten voeden. In vroegere
geologische perioden waren zij echter veel talrijker, zooals trouwens
met alle zeeëgels het geval is, waarvan de tegenwoordige vormen slechts
een gering overschot eener uitgestorven, in de oudste tijden zeer
talrijke, fauna zijn. In de oudere aardlagen vindt men dan ook tallooze
versteende, zoogenaamde „fossiele” soorten, alleen van het geslacht
_Cidaris_ niet minder dan 200 verschillende.
Fig. 8 is een andere zeeappel: de ~eetbare zeeëgel~ of ~groote zeeappel~
(_Echinus esculentus_). Hij heeft een meer of minder bolvormige schaal,
die steenrood of bruinachtig van kleur en met korte, wit met purper
gekleurde, stekels bezet is. De ambulacraalvelden zijn breed, het
mondveld (de platen om den mond) klein, met gladde platen, die overigens
aan de onderzijde onregelmatig geschubd zijn. De middellijn kan tot 15
centim. bedragen. Deze soort, die eetbaar is, komt in de Noordzee, ook
aan onze kusten voor; talrijke andere soorten leven in de warme en
gematigde zeeën.
Tot een ander geslacht behoort de ~gekorrelde kogelegel~ (_Sphaerechinus
granularis_), fig. 7, die een tamelijk bolvormige schaal heeft, doch van
boven sterker gewelfd dan van onderen. Op elken straal van het mondveld
staan slechts een paar groote ambulacraalplaten of mondplaten, en de
ambulacraalvelden bestaan gewoonlijk slechts uit 4 tot 5 paren
openingen. Op deze staan 2 tot 4, op de inter-ambulacraalvelden (de
rijen platen zonder openingen) 12 rijen van wratten, met korte, spitse,
donkerviolette stekels met witte punten; dikwijls zijn de stekels ook
geheel wit. De schaal kan tot 15 centim. in middellijn zijn, de stekels
worden niet veel langer dan 1 centim. De eieren van dezen zeeëgel worden
gegeten en als „_rizzo di mar_”--zeerijst--in den handel gebracht.
* * * * *
Een geheel anderen vorm heeft de schaal van den vierden zeeëgel op de
plaat: de ~hartvormige zeeklit~ (_Echinocardium cordatum_) van fig. 3.
De schaal is hier, in hoofdzaak, wel bolvormig, vertoont echter, van
boven gezien, geen cirkelvorm, doch een hartvormige gedaante. Ook liggen
hier mond en aars niet onder en boven tegenover elkaar, doch beide aan
de onderzijde, ieder aan een verschillenden kant. Wegens de overeenkomst
in vorm met de stekelige vruchten van sommige distels, noemt men deze
dieren ook „~zeeklitten~”. De hier afgebeelde soort, die in de
Middellandsche zee en den Atlantischen oceaan, ook aan onze kusten,
voorkomt, heeft een dunne, geelachtig witte tot groenachtige schaal, van
3 tot 4 centim. middellijn. Het voorste ambulacraalveld is sterk
ingezonken. Deze dieren komen algemeen op zandigen zeebodem voor en
graven zich diep in het zand.
* * * * *
De stekelhuidigen van fig. 2, 5, 6 en 9 onderscheiden zich van de
zeeëgels door een veel langer uitgerekte, rolronde gedaante en doen meer
denken aan den inhoud van onze inmaakpotten met tafelzuur, zoodat deze
klasse dan ook den naam draagt van =zeekomkommers= (_Holothuriën_),
terwijl sommigen ook wel „~zee-augurken~” anderen „~zeebeurzen~” genoemd
worden. Toch is ook hier de straalvormige bouw te herkennen, zooals in
den krans van ~voelers~ om den mond, die ook als vangarmen dienen voor
het grijpen van kleine diertjes, en verder in den ~zenuwring~, met 5
zenuwtakken, het ambulacraalstelsel en de 5 spierbanden van de huid,
die hier zeer krachtig zijn en het lichaam sterk kunnen doen
samentrekken en uitzetten.
De mond, met de straalsgewijs daaromheen staande, mondvoelers, ligt hier
aan het ééne uiteinde van het lichaam, de aarsopening aan het andere;
tusschen deze beide liggen 5 overlangsche, straalsgewijs gelegen,
ambulacraalstrepen en, evenwijdig daarmede, even zooveel
inter-ambulacraalstrepen. Verder is hier het lichaam veel zachter dan
bij de zeeëgels, daar het niet met een samenhangende kalkschaal bedekt
is, doch alleen in de weeke huid vele losse, dikwijls zeer sierlijke,
kalklichaampjes gelegen zijn. De huid is hier weer leerachtig. De
pootjes voor de beweging zijn meestal voorhanden, hoewel daarin de
huidspieren voor een groot deel voorzien. Ook de ademhaling heeft
grootendeels door de huid plaats, doch sommigen hebben bovendien nog
twee of vier bijzondere ademhalingsorganen, „~waterlongen~” genaamd, die
aan het achterste uiteinde van het lichaam gelegen zijn en door de
aarsopening met water gevuld worden en zich door het geheele lichaam
vertakken. Men vindt die ~longen~, alsmede de ambulacraalpootjes, bij de
drie volgende soorten.
De ~buisvormige zeekomkommer~ (_Holothuria tubulosa_), fig. 6, is op den
rug met talrijke kleine torenvormige verhevenheden bezet, waarin
kalkstukjes zitten en aan den buik bevinden zich de pootjes dicht
opeengehoopt. De rug is donkerbruin, de buik vuilwit. Om den mond staan
20 voelers, die uit een steel en een schildvormig, doch niet vertakt,
aanhangsel bestaan. Zij liggen bij eb, met ingetrokken voelers, als
onsmakelijke worstjes op het strand of zij kruipen langzaam voort,
terwijl zij zich hun worst, door middel van de voelers, volstoppen en
den darm geheel opvullen met zand en slib, ten einde de daarin
voorhanden organismen te verteren, waarna zij de resten, met behulp van
den waterstroom uit de longen, van achteren weer door de aarsopening
uitspuiten.
Overigens zijn het rustige en vreedzame dieren en daarom te meer doet
het ons leed, van hen een onhebbelijke gewoonte te moeten vermelden.
Raakt men zulk een dier op het strand aan, ook onder den geringsten
druk, dan spuit het niet slechts water uit de aarsopening; doch het
spuwt eenvoudig ook zijn ingewanden uit. Zulk een zachte liefkozing
vatten deze dieren buitensporig tragisch op: zij trekken de huidspieren
dan zoo geweldig samen, dat de ingewanden door den mond en de
aarsopening naar buiten geperst worden, já zelfs het geheele lichaam
niet zelden in tweeën gescheurd wordt.
Een interessant punt in de ~ontwikkeling~ der holothuriën is verder, dat
de jonge dieren, die uit de eitjes komen, in ’t geheel niet op de ouden
gelijken. Het zijn larven, die vrij rondzwemmen en zoozeer van de
volwassen dieren verschillen, dat men ze vroeger voor een geheel andere
diersoort hield, die men _Auricularia_ noemde.
De zeekomkommer van fig. 6 wordt 30 centim. lang en leeft, met vele
andere soorten van dit geslacht, in de Middellandsche zee. Andere
soorten, ook tot het volgende geslacht, _Stichopus_ behoorende, leven in
de tropische zeeën en zijn eetbaar. Zij worden in Indië door Maleiers en
Chineezen op groote schaal gevangen, gezouten en als een smakelijk
gerecht, „_trepang_” genaamd, gegeten.
Van laatstgenoemd geslacht, insgelijks een longkomkommer, zien wij in
fig. 9 de ~koninklijke rijenvoet~ (_Stichopus regalis_), die ook weer
onvertakte mondvoelers bezit, ten getale van 20. Het lichaam is plat,
eenigszins vierhoekig op de doorsnede, met scherpe kanten en het is
bezet met groote kegelvormige tepeltjes. De huid is dik en bevat ronde,
doorboorde, een kroonvormigen stempel dragende, kalklichaampjes; naar
deze „koningskroontjes” is het dier genoemd. De kleur is bruinachtig tot
okergeel, op het midden van den buik dikwijls roodachtig; de lengte
ongeveer 9 centim. Deze soort leeft in de Middellandsche zee en hangt
zich aan rotsen op. Eenige tropische soorten, vooral bij de
Philippijnen, worden meer dan een meter lang.
Ook dit dier is zoo ongemanierd, om, bij de minste aanraking, zijn
ingewanden uit te spuwen, anderen werpen eenvoudig de geheele huid af.
Daarentegen heeft het dikwijls de beleefdheid, om vrije inwoning te
verschaffen aan een zonderling vischje: het ~slangenaaltje~ (_Fierasfer
acus_), dat hem in de aarsopening kruipt, om zich metterwoon in zijn
waterlongen te vestigen, zonder echter ook vrijen kost en gratis pension
te verlangen. Want het diertje voorziet zelf in zijn eigen menage: de
kop steekt buiten de aarsopening van den gastvrijen komkommer uit en
vangt allerlei kleine schaaldiertjes.
De ~klimmende zee-augurk~ (_Cucumaria doliolum_), fig. 5, onderscheidt
zich van de vorige soorten door het bezit van ~boomvormig vertakte~
voelers, die, ten getale van 10, straalsgewijs om den mond geplaatst
zijn. Het cylindervormig uitgerekte, naar voren en achteren smaller
toeloopende, lichaam is ongeveer 15 centim. lang, grijsachtig bruin van
kleur, dikwijls met donkere vlekken; de huid is glad en daarin liggen
talrijke rondachtige, knobbelige, doorboorde kalkplaatjes. Het lichaam
is vijfkantig en de zuigpootjes zijn regelmatig in 5 stralen
gerangschikt. De, uit het ei komende, larve gaat hier niet eerst in een
bijzonderen auricularia-vorm over, doch ontwikkelt zich dadelijk tot een
tonvormige, jeugdige augurk. De dieren hechten zich vast aan planten en
steenen. Deze soort komt zeer veel in de Middellandsche zee voor, vele
andere leven in de tropische en Europeesche zeeën en in het aquarium te
Amsterdam is een andere soort: _Cucumaria planci_ te zien, die veel op
die van fig. 5 gelijkt.
Van de holothuriën ~zonder longen~ en ~zonder ambulacraal-pootjes~
vinden wij op de plaat de ~klevende klitkomkommer~ (_Synapta
inhaerens_), fig. 2, ook wel „~zeebeurs~” genoemd, want de vorm is
sprekend die van een ouderwetsche heerenbeurs, met afsluitringen. Het
lichaam is zeer uitgerekt wormvormig, rond en aan alle zijden gelijk,
zoodat er niet van een buikvlakte gesproken kan worden. De kleur is
roodachtig tot bruinachtig, de lengte van het lichaam kan tot 20
centim. bedragen. Om den mond staan 12 voelers, die aan weerszijden 5-7
kleine zijtakjes hebben. De huid is leerachtig, eenigszins doorschijnend
en bevat talrijke rad- of ankervormige, deels zeer fraaie
kalklichaampjes. De punten van deze ankertjes steken dikwijls een weinig
buiten de huid uit en haken zich dan, bij aanraking of als wij de dieren
aanvatten, in onze huid vast, op dergelijke wijze als de haakjes van een
klit, zoodat het dier aan de hand blijft vastkleven. Daarvan is de naam
afgeleid.
Deze ankertjes dienen ook, om het lichaam te steunen bij de zeer
langzame beweging. Deze geschiedt, bij het gemis der pootjes, deels door
vastgrijpen met de voelers, doch hoofdzakelijk door de kronkelingen van
het lichaam, tengevolge van de samentrekking der huidspieren, waarbij
dus de ankertjes houvast en steun verleenen. Ook bij dit dier ziet men
dikwijls sterke staaltjes van de buitengewone krachtsontwikkeling dier
huidspieren. Zij zijn weer erg kitteloorig op het punt van aanraken door
mensch of dier; zij laten dan het lichaam, door hevige spierbewegingen,
eenvoudig door midden breken, waarna het voorste uiteinde zich uiterst
snel en behendig onder het zand graaft. Blijkbaar heeft de natuur dit
middel aan de dieren verleend als bescherming tegen gevaar, ten einde
dit spoedig te kunnen ontvlieden. Het is althans hoogst merkwaardig, dat
het dier ook dikwijls, schijnbaar zonder eenige aanleiding, op eigen
gelegenheid in tweeën valt, alsof het zich in die kunstbewerking
„traint”, of de „zelf-verminking” als sport beoefent.
De hier afgebeelde soort komt in Europa, ook in de Noordzee, voor.
Talrijke soorten van klit-holothuriën leven in de tropen op
koraalriffen, vooral bij de Philippijnen. Sommige daarvan bereiken wel
een lengte van 2 meters en worden door de inboorlingen „zeeslangen”
genoemd.
* * * * *
Thans blijft ons nog een voorbeeld te bespreken over van een geheel
andere klasse, de derde der stekelhuidigen, namelijk: die der
=haarsterren= of =zeeleliën= (_Crinoïeden_), wezens, die eigenlijk niet
meer van onzen tijd zijn, zoodat men er hoofdzakelijk slechts
fossielen, versteeningen van uitgestorven soorten uit vroegere
aardperioden, van aantreft. Want in het leven der vóórwereld, zelfs in
dat van de oudste perioden, speelden deze dieren een groote rol en
kwamen zij zeer menigvuldig voor. Slechts weinige levende soorten zijn
nog overgebleven en daarvan komen de gesteelde, vastgehechte vormen
alleen op zeer groote diepten en op weinig toegankelijke plaatsen voor.
Het zijn kelk- of bekervormige dieren, die van ~vangarmen~ voorzien
zijn. Die uit de vóórwereld waren altijd met een ~steel~ aan den
zeebodem vastgehecht en deze kunnen dus alleen leven van organischen
afval en mikroskopische wezens, die zij zich met hun vangarmen
toeroeien. Bij de thans levende soorten is dit veelal slechts in de
jeugd het geval, terwijl slechts enkele soorten gedurende haar gansche
leven door den steel vastgehecht blijven.
De steel bestaat uit een groot aantal, op elkaar gestapelde, vijfhoekige
leedjes en hij draagt hier en daar, eveneens gelede, zijdelingsche
~ranken~, doch al die leden zijn door weeke verbindingsstukken
vereenigd, door welke ook een voedingskanaal loopt, zoodat de steel
beweeglijk en buigzaam blijft. Daar hier bovendien de ambulacrale
buikzijde, in wier midden de mond met de vangarmen ligt, niet naar
beneden gekeerd is, zooals bij de zeeëgels, doch naar boven en de
rugzijde naar beneden, heeft de lichaamsvorm veel van een ~kelk~ en zijn
het uiterst sierlijke dieren, die niet ten onrechte „zeeleliën” genoemd
worden, daar zij, ook door de fraaie kleuren, inderdaad veel op
gesteelde bloemen gelijken. Van deze gesteelde soorten zullen wij op
Plaat XV, bij fig. 2, een voorbeeld leeren kennen.
Op onze Plaat XIV is alleen één der ~haarsterren~ afgebeeld, gelijk men
die soorten noemt, welke in volwassen staat van den steel loslaten. Het
is de ~rozeroode haarster~ (_Antedon_ of _Comatula rosacea_), fig. 4,
die alleen in de jeugd vastgegroeid is, doch in volwassen toestand
loslaat en dan dus aan de rugzijde ~geen steel~ vertoont. Daarentegen
zien wij om den, naar boven gerichten, mond van het vrij levende dier
een groot aantal: 5, 10, 20 of meer, rankvormige, van veervormige
aanhangsels voorziene, vangarmen, die tot den naam ~haarsterren~
aanleiding gegeven hebben. Deze dieren, die 15 centim. groot worden en
een fraaie roode kleur hebben, komen in Europa, van de Middellandsche
zee tot Noorwegen voor en houden zich, in tegenstelling van de
gesteelde, vastzittende ~zeeleliën~, bij voorkeur in ondiepere plaatsen
op, waar zij met hun ranken tegen zeewieren en zeegras opklimmen en zich
daar aan vasthechten.