VLAKPOOTIGEN

vormen. Deze kieuwslakken zwemmen of roeien dus niet, zij kruipen en

zijn meestal voorzien van een schelp. Men verdeelt ze in twee

onderorden: =vóórkieuwigen= en =achterkieuwigen=, naar gelang de kieuwen

vóór aan het lichaam en vóór de hartkamer, of daarachter gelegen zijn.

Tot eerstgenoemden behooren, behalve eenige zoetwaterslakken, bijna al

de in zee levende huisjesslakken, waarvan wij nu enkele interessante

soorten gaan bekijken.

Geheel rechts op de plaat, in fig. 5, zien wij de ~gewone schaalhoren~

(_Patella vulgata_), die ook op onze kusten voorkomt en zoo genoemd

wordt naar den schaal- of schotelvorm der schelp, die echter kegelvormig

toeloopt. Zij is geel van kleur, met straalvormige ribben; de opening

van het huisje is eivormig en de kieuwen bestaan uit een krans van

kleine blaadjes. De kop is tot een korten, dikken snuit verlengd en

draagt twee lange, spitse voelers, aan wier basis de oogen liggen. De

spierindruk binnen op de schelp (zie bladz. 12) is bijna

hoefijzervormig. De dieren hechten zich vast aan rotsen en de schelp

vergroeit daarmede zoo vast en volkomen, dat zij zich aan alle

oneffenheden daarvan aansluit. Men vindt ze in de Noordzee en vele

andere zeeën en zij worden door de kustbewoners veel gegeten.

De groote, stekelige baas van fig. 8, ~stekelhoren~ of

~stekel-purperslak~ (_Murex brandaris_) genoemd, is één der

purperslakken, die aan de bewoners der kusten van de Middellandsche

zee, reeds in de oudheid, de beroemde Syrische purperverf leverden,

welke uit een klier, tusschen kop en lever gelegen, afgescheiden wordt

en waarmede destijds de purperen mantels en gewaden geverfd werden.

Sedert de middeleeuwen is echter die kleurstof meer en meer verdrongen,

eerst door de cochenille en in den nieuweren tijd door allerlei

anilinekleurstoffen. De schelp is langwerpig eivormig en loopt in een

zeer lange, holle sleuf of kanaal uit, waar de sipho doorheen loopt en

de schelpopening kan door een hoornachtig deksel gesloten worden. De

geheele lengte bedraagt 7-9 centim., de kleur is licht bruingrijs,

buiten op de schelp bevinden zich op elke winding 2 of 3 dikke uitwassen

met stekels. De kruipzool is matig groot en de zeer kleine kop heeft

twee lange, draadvormige voelers, op wier buitenzijde, ongeveer

halverwege, de oogen staan. De mond heeft een langen, terugtrekbaren

slurf met smalle tong, waarop drie rijen haakjes. De dieren voeden zich

met schelpdieren en andere slakken, in wier huisje zij een gaatje boren,

om den bewoner er uit te eten. Aan onze stranden leeft een verwante

soort: de ~geschubde stekelhoren~ (_Murex erinaceus tenuïspina_), aldus

genoemd naar de zeer lange stekels.

Zonderlinge slakken zien wij in fig. 6; zij leven in een kokertje en

doen denken aan de kalkkokerwormen (bladz. 87). Het is de ~reusachtige

wormslak~ (_Vermetus gigas_), wier schelp, in de jeugd, spiraalvormig

gedraaid en dan aan andere voorwerpen vastgehecht wordt, doch later

sluiten de windingen niet meer aan, doch groeien uit tot een

cylindervormig, onregelmatig gewonden kokertje. Daarmede gaat een

teruggang in grootte van den voet gepaard, die ten slotte nog slechts

als drager van het deksel, boven den kop uitsteekt. Bij den verderen

groei trekt het dier zich uit de schelp naar boven terug en sluit het

verlaten gedeelte telkens door een kalkwand af, zoodat het kokertje dan,

als ’t ware, in kamertjes verdeeld is. Meestal leven talrijke exemplaren

gezellig bijeen, vooral in de Middellandsche zee en andere warmere

zeeën.

De ~sierlijke keverslak~ of ~tonslak~ (_Chiton elegans_) van fig. 11,

insgelijks een vóórkieuwige slak, heeft inderdaad wel iets van een kever

en wijkt ook overigens zoozeer van alle andere familieleden af, dat de

oningewijde niet zou meenen met een slakkenhuis te doen te hebben. De

schelp bestaat namelijk uit 8 losse, achter elkaar gelegen en over

elkaar grijpende, dwarsplaten, waardoor het dier zich, bij gevaar,

evenals sommige pissebedden, met schelp en al, kan oprollen. Verder

ontbreken kop, oogen en voelers, terwijl de zeer platte onderzijde zich

onbeweeglijk op steenen, schelpen of zeewieren vasthecht. Deze soort

leeft in de warme zeeën; bij ons komen een paar kleinere soorten voor,

doch alleen in Zeeland.

Wij sluiten de rij der vóórkieuwigen met nog een andere, interessante

slak: de ~knobbelige zeeoor~ (_Haliotis tuberculata_), fig. 16, aldus

genoemd naar de oorvormige schelp met zeer wijde opening, die van binnen

een prachtigen paarlemoerglans heeft, zoodat de ouden haar, niet ten

onrechte, met het oor van Aphrodite (Venus) vergeleken, want de

spiraalvormige, doch zeer vlakke schelpen munten ook overigens door

bijzondere schoonheid uit, zoodat zij aan de kusten der Middellandsche

zee, waar het dier in ondiep water op rotsen vastgehecht leeft, zeer

gezocht zijn en tot allerlei sieraden verwerkt worden. Evenwijdig aan

den linker rand der schelp loopt een rij van gaatjes, waardoor het water

naar de kieuwen stroomt. De voetzool is breed en van een dubbele rij van

prachtig groene franjes voorzien. De mond is snuitvormig, met een tong,

die met tallooze haakjes bezet is; het voedsel bestaat uit zeeplanten.

De breede kop draagt twee lange sprieten en daarachter staan, op korte

steeltjes, de oogen.

Op de volgende plaat zullen wij nog een groot aantal vóórkieuwigen

ontmoeten, want alleen van deze groep telt men niet minder dan 8500

soorten.

* * * * *

Thans zijn echter eerst eenige =achterkieuwigen= onder de vlakpootigen

aan de beurt, bij welke de kieuwen dus ~achter~ de hartkamer gelegen

zijn. Velen daarvan hebben geen, of slechts een zeer dunne en

onvolkomen, schelp en in het laatste geval dient zij alleen tot

bedekking der kieuw en van een klein gedeelte der ingewanden en nooit

kan het dier er zich in terugtrekken, zoodat men ze ook wel „~naakte

zeeslakken~” noemt. Het zijn wel de minsten der broederen, want velen

bezitten noch kieuwen, noch bloedvaten of hart en dan dient eenvoudig de

rughuid als ademhalingsorgaan, die dan, door allerlei vertakkingen, een

grootere oppervlakte verkrijgt.

De beide volgende soorten bezitten althans nog zeer primitieve kam- of

veervormige kieuwen, die in een soort van mantelholte liggen. Zoo is het

bij het curieuze dier van fig. 12, dat den, voor een zeebewoner zeer

zonderlingen, naam van ~zeehaas~ (_Aplysia depilans_) draagt en dat in

de Middellandsche zee in ondiep water zeer algemeen is en verder aan de

kusten van Portugal tot Engeland, een zonderling veld voor de

hazenjacht, voorkomt. Dien naam heeft het dier dan ook alleen te danken

aan den vorm van de twee achterste der vier voelers, die eenigszins op

de ooren van een haas gelijken. Het dier is 20-25 centim. lang, zwart

met grijze vlekken en het lichaam is naar voren halsvormig verlengd en

draagt daar de voelers en de oogen. De kieuwen bevinden zich rechts van

den rug, als vertakte blaadjes, onder een dunnen mantel en daarin wordt

ook een onvolkomen, dunne en hoornachtige schelp gevormd, die echter van

buiten niet te zien is. Het voedsel bestaat uit zeewieren.

Als algemeen voorkomend bewoner der kusten van Zuid-Europa, was dit dier

aldaar reeds in de oudheid bekend, of liever berucht, want het stond in

een zeer kwaden reuk als vergiftig dier, vooral bij matrozen en

visschers, die beweerden, dat alleen reeds de aanraking van het dier

door den mensch, bij dezen de haren deed uitvallen (vandaar de

soortsnaam: _depilans_ = ontharend). De fantasie van den zeeman ging

echter ook hier te ver en de waarheid is eenvoudig, dat door den mantel

van het dier, bij vervolging, een donker, violet vocht afgescheiden

wordt, dat een onaangenamen reuk heeft en eenigszins vergiftige

eigenschappen schijnt te bezitten. Het dient alleen om het dier in een

donkere wolk te hullen en onzichtbaar te maken, evenals bij de

inktvisschen.

Tot dezelfde groep behoort ook de ~gespikkelde blaasslak~ (_Bulla

ampulla_) van fig. 15, die in de warme zeeën, bijv. van Oost-Indië,

voorkomt en een zeer dunne schelp bezit, waarin zich het dier geheel kan

terugtrekken en naar welke men deze slakken, waarvan een paar andere

soorten ook aan onze kusten voorkomen, „~obliehorens~” noemt. Naar de

eivormige, geelachtige, bruin gespikkelde schelp, wordt de soort van

fig. 15 ook wel „~kievitsei~” genoemd. De 4 voelers zijn tot een gelobde

voorhoofdsplaat vergroeid, in wier midden de oogen liggen en de mantel

heeft groote aanhangsels, die de schelp gedeeltelijk bedekken, doch ook

als roeiriemen gebruikt worden, als het dier vrij rondzwemt, terwijl het

overigens over zeeplanten op en neer kruipt. Het slikt groote levende

schelpdieren en slakken in, wier schelpen het in de maag, met behulp van

groote kalkplaten, kraakt.

* * * * *

Wij komen nu tot de zoogenaamde „~kieuwloozen~” of ~naaktkieuwigen~; zij

bezitten echter in den regel wel kieuwen, doch deze zijn onbedekt, naakt

en niet in een mantelholte besloten. Een hoogst merkwaardig en fraai

voorbeeld daarvan is de ~sluierslak~ (_Tethys leporina_), fig. 3, uit de

Middellandsche zee, die 30 centim. lang wordt en alleen in volle zee

vrij rondzwemt. Het geheele dier is zeer fijn, teer en doorschijnend en

verspreidt, in het donker, licht. Het dankt zijn naam aan een groot,

halfcirkelvormig, aan den rand van franjes voorzien, aanhangsel aan den

kop, „sluier” genaamd, dat als voortreffelijk roeitoestel dient. Het

lichaam is tamelijk plat en aan beide zijden van den rug bevindt zich

een overlangsche rij van bundelvormige kieuwen en daartusschen lichtrood

en zwart gevlekte, wormvormige aanhangsels, die gemakkelijk afvallen en

die men daarom vroeger voor wormen hield, die als parasieten op het dier

zouden leven.

Een andere naaktkieuwige slak is de ~draadslak~ (_Aeolis_), fig. 7, die

men, op het eerste gezicht, ook door de lange voorste, priemvormige

voelers, bijna voor een landslak zou houden. De achterste voelers zijn

knotsvormig en daarachter bevinden zich de oogen. Het lichaam is

langwerpig, zonder mantel, 4-6 centim. lang en draagt op den rug

talrijke roode of bruine ~draadvormige~ aanhangsels, waarin uitloopers

van de lever dringen en wier uiteinden voorzien zijn van netelorganen

voor de verdediging. Men hield ze vroeger voor kieuwen, doch deze

ontbreken hier en slechts de huid zorgt voor de ademhaling. Dit dier

leeft op zeegras of zeewier in de Noordzee en de Westelijke Oostzee en

een drietal andere soorten van het geslacht _Aeolis_ komen op onze

kusten voor. Zij voeden zich met andere zeedieren, vooral met

bloempoliepen.

Een fraaie en sierlijke naaktkieuwige slak is de ~knobbelige sterreslak~

(_Doris tuberculata_) van fig. 9, die bij Napels voorkomt, terwijl een

paar andere soorten ook aan onze kusten gevonden worden. De

kieuwaanhangsels zijn hier veervormig en in den vorm van een ~ster~

rondom de aarsopening, achter op het midden van den rug, geplaatst. Het

lichaam is 5 centim. lang, langwerpig rond, geel van kleur, met donkere

vlekken; de bovenzijde is korrelig, de onderkant zwart gestippeld. Het

lichaam is door een breeden mantel omgeven. Er zijn 4 voelers en de mond

is slurfvormig. Het dier leeft meestal tusschen zeewier en sterft

dadelijk, als men het uit het water neemt.

Verder behoort tot de groep der naaktkieuwigen ook nog de ~groene

fluweelslak~ (_Elisia viridis_) van fig. 10, een dier van zonderlingen

vorm, dat in de Noordzee, de Westelijke Oostzee en de Middellandsche zee

op zeegras leeft. Hier ontbreken de kieuwen volkomen, de kop is

onduidelijk, met twee lepelvormig opgerolde voelers, en langs de zijden

van het lichaam loopen twee groote huidlappen, die zich van achteren

vereenigen en waarschijnlijk voor de ademhaling dienen. Het dier is

merkwaardig geteekend; de kleur van den kop, de voelers en de voorzijde

van den rug en de buitenranden der huidlappen zijn donker

~fluweelachtig~ zwart, doch hier en daar overgaande in groenachtig of

bruinachtig. De voet is olijfgroen en het geheele lichaam is als bezaaid

met kleine sneeuwwitte, deels ook groenachtig blauwe en roodachtig witte

puntjes.

* * * * *

Van de tweede orde der slakken: de =kielpootigen= of =zee-zwemslakken=

zien wij in fig. 1 een hoogst interessant dier: de ~gekroonde zwemslak~

(_Pterotrachea coronata_), die niemand zeker voor een slak zou houden,

want het lichaam doet veeleer aan een visch denken, is langwerpig, van

achteren van een vischachtigen roeistaart voorzien, bijna geheel

geleiachtig helder en zoo doorschijnend, dat men er alle organen

doorheen ziet. En om op dit alles de kroon te zetten, zwemt het dier

bovendien nog op zijn rug. Deze dieren leven steeds in volle zee, want

het zijn echte zwemmers, daartoe vooral in staat gesteld door de

eigenaardige vervorming van den „~voet~”. Deze bestaat hier namelijk uit

twee onderdeelen: het voorste deel vormt een vertikale ~kielvormige~ vin

(vandaar de naam: ~kielpootigen~), een soort van zeil onder aan het

lichaam (en dus op de figuur naar boven gekeerd!) en is van een

zuigschijf voorzien, waarmede het dier kruipen of zich vasthechten kan,

terwijl het achterste en grootste deel van den voet vervormd is tot het

uitgebreide en lange staartgedeelte, dat eigenlijk de hoofdmassa van het

lichaam vormt en een uitstekend zwem- en roeitoestel is. De mantel zit,

als een kleine kegel, achter op den rug, de kop is langwerpig, met een

soort spitsen snuit en heeft twee dunne korte voelers en daarnaast de

oogen. Een schelp ontbreekt. Het is een uiterst fraai gekleurd, teer en

fijn, als ’t ware aetherisch wezen, dat in de Middellandsche zee leeft.

* * * * *

Ten slotte vertoont het tooneel uit den oceaan op onze plaat nog een

paar voorbeelden van een geheel anderen groep van slakken: de

=vinpootigen= of =roeislakken=, dieren van zonderlingen vorm, waarin men

nauwelijks meer het type der slakken kan herkennen, zoodat men ze wel

tot een geheel afzonderlijke klasse van weekdiedren brengt. In elk geval

is dit wel het eenvoudigste, wat de natuur op slakkengebied heeft

geleverd.

De kop is bij deze slakken, waarvan de fig. 2, 4 en 13 voorbeelden zijn,

slechts onduidelijk begrensd en alleen de mondopening en 2 of 4

onvolkomen voelers geven de plaats aan, waar de kop zich ~zou~ bevinden,

~als~ hij voorhanden ware. Het hoofdkenmerk der orde--en tevens de

aanleiding tot haar naam--zijn de twee groote zijdelingsche vleugel- of

~vinvormige~ aanhangsels, die den vervormden ~voet~ voorstellen en die

tot roeien of zwemmen dienen. Het zijn dunne vliezige lappen, die, op de

wijze der vleugels van de vlinders, op en neer fladderen, waarom deze

dieren ook wel „~zeevlinders~” genoemd worden. Zij zijn naakt of

hoogstens van een dunne doorschijnende schelp voorzien. Overigens zijn

het kleine diertjes, hoogstens 5 centim. lang, die over dag hun siësta

op den zeebodem houden, doch ’s avonds naar boven fladderen en aan de

oppervlakte rondzwemmen, om zich met kleine weekdieren en kreeften te

voeden. Maar op hun beurt vallen deze diertjes zelf weer, in

onnoemelijke massa’s, aan visschen, meeuwen en walvisschen ten buit.

Dit laatste treurige lot is vooral beschoren aan de ~noordsche

walvisch-vleugelslak~ (_Clione borealis_) van fig. 2, gewoonlijk

eenvoudig „~walvischaas~” genoemd, omdat deze diertjes in zoo dichte

drommen bijeenzwermen, dat de walvisch er bij iederen hap duizenden en

nog eens duizenden door zijn geweldig keelgat verzwelgt en zij het

hoofdvoedsel van dit reuzendier vormen. Het lichaam van deze slak is

spilvormig, naakt, doorschijnend, met bruine vlekken, 2-3 centim. lang,

met 2 paar voelers en op de tong bevindt zich een wrijfplaat, die uit

kleine, haakvormige tandjes bestaat. Zij komen in tallooze menigten in

de noordsche zeeën voor, daar, waar ook hun aartsvijand, de walvisch,

tehuis is.

Een andere vinpootige slak is die van fig. 4: de ~drietandige

kristalslak~ (_Hyalea tridentata_), een curieus diertje, ook weer zulk

een „zeevlindertje” van slechts 15 millim. lang, zonder zichtbaren kop

en met twee vleugelachtige vinnen, waarmede zeer snelle bewegingen

plaats hebben. Het dier kan zich, met de vinnen, geheel en al

terugtrekken binnen een dunne, bolvormige, hoornachtige schelp. Het is

een bewoner der warmere zeeën.

En thans, tot besluit van ons gesprek over deze plaat, nog een

laatste--doch zeker niet de minst interessante--vertegenwoordiger der

vinpootigen: de ~olifantstand~ of ~zeetand~ (_Dentalium elephantinum_),

fig. 13 en 14. Deze is weer van een schelp voorzien en vormt eigenlijk

een overgang van de slakken tot de mossels of plaatkieuwige weekdieren.

De naam ~tandslakken~--en voor deze soort: ~olifantstand~--heeft

betrekking op de overeenkomst in vorm van de buisvormige, aan weerzijden

open en zwak gebogen schelp met den tand van een roofdier of een

olifant. Men noemt ze ook ~graafpootigen~, omdat zij de schelp, met het

breede eind naar onderen, door middel van den voet in het zand van den

bodem vastgraven, zooals wij in fig. 13 zien, terwijl fig. 14 een leeg

kokertje of huisje voorstelt, dat ongeveer 10 centim. lang is. Deze

schelpen vindt men dikwijls in verzamelingen. Kieuwen ontbreken, doch

bij het ingraven worden de uitstrekbare, als een krans om den mond

geplaatste roode ~voeldraden~, die voor den aanvoer van voedsel en, met

den mantel, ook voor de ademhaling dienen, er boven uitgestoken (fig.

13).

Het dier zelf nadert, in sommige opzichten, tot de mossels, ook doordat

het geheel ingehuld is in een, aan beide zijden open, mantel. Een

kleinere soort: _Dentalium entale_, 2-3 centim. lang, leeft in de

Noordzee en van haar huisjes spoelen dikwijls grootere of kleinere

stukken aan onze stranden aan.

[Afbeelding: XII.]

Uit de dierenwereld van het water Schetsen in woord en beeld van het lever der lagere diersoorten · 第 65 / 92 题