De lagere dierenwereld der zee munt niet alleen uit door avontuurlijke
en zeldzame vormen, doch dikwijls ook door prachtige kleuren en
ongeëvenaarde schoonheid. In de onmetelijke afgronden van den oceaan
ontmoeten wij tal van dieren, bij wier sprookjesachtige pracht zelfs de
schitterende tuinen van Semiramis in het niet verzinken. Uiterst fijne
en sierlijke vormen worden ons op deze plaat voor oogen gesteld en het
geheel zou, bij oppervlakkige beschouwing, eerder aan een onderzeeschen
tuin met schitterende bloemen, dan aan een verzameling van dieren doen
denken.
En wat vooral merkwaardig is: het meerendeel van deze gekleurde wonderen
der zee behoort tot de, zoozeer geminachte, afdeeling der =wormen=,
waarvan men, in ons gewone leven, bijna geen kwaad genoeg kan zeggen en
die gewoonlijk gelden als het griezeligste en afzichtelijkste, wat de
natuur heeft voortgebracht. Hoezeer men daarmede hun naaste familieleden
uit den oceaan miskent, zal blijken, als wij thans eerst eens aan de
vertegenwoordigers van die diergroep op de plaat onze aandacht gaan
wijden.
Reeds dadelijk wordt ons oog, in de fig. 7, 11 en 28, getrokken door
drie allersierlijkste wezens van prachtige kleur, welke tot die groep
der wormen behooren, welke men =ringwormen= noemt, daar zij een geleed
of geringd lichaam bezitten, dat hier van zijdelingsche aanhangsels
voorzien is, waarop bundels van ~borstels~ geplaatst zijn, waarom deze
ringwormen den naam dragen van =borstelwormen=. Daarvan hebben wij
vroeger reeds enkele soorten ontmoet.
De sierlijke wezens van de genoemde figuren behooren allen tot die
soorten, welke van een ~groot aantal borstels~ voorzien zijn en die
tevens verblijf houden in een kokervormig omhulsel, dat zij aan hun
oppervlakte afscheiden of zelf bouwen uit kalk, schelpjes enz., met
behulp van een kleverig lijm, dat door de huid afgescheiden wordt;
daarom dragen zij den naam van ~kokerwormen~. Het zijn dus
~vastzittende~ dieren, die in het zand of slib, of vastgehecht op
zeeschelpen of steenen leven en de borstels slechts gebruiken, om zich
in die kokers vast te houden en op te stijgen of neer te dalen, terwijl
zij zich meestal noch in het bezit van een kop, noch van oogen mogen
verheugen, die zij trouwens volkomen kunnen missen. Daarentegen dragen
zij aan den voorsten lichaamsring een halfcirkelvormig of spiraalvormig
opgerold kieuwblad, of ook lange, vertakte en beweeglijke kam- of
veervormige ~ranken~ of draden, of andere uitbreidingen, van dikwijls
wonderbaar schoone kleuren. Zij dienen tevens als kieuwen voor de
ademhaling en ook voor het naar zich toe roeien van voedsel, dat uit
fijn verdeeld organisch afval of slib bestaat.
Fig. 7 stelt den ~spiraalvormigen kokerworm~ (_Spirographis
Spalanzaniï_) voor, een uiterst sierlijk gevormd dier, dat in de
Middellandsche zee tehuis is. Het bewoont een langen koker, waaruit van
boven de beide ongelijke kieuwbladen uitkomen, die zeer fraai wit van
kleur en met roode ringetjes geteekend zijn. Het grootste, linker
kieuwblad is spiraalvormig verlengd. De kokers worden tot 9 centim.
hoog.
Insgelijks zeer fraai en sierlijk is de kalkkokerworm van fig. 11, die
dan ook den naam draagt van ~sierlijke Sabella~ (_Sabella gracilis_).
Zij komt in de Golf van Napels voor, doch andere soorten van hetzelfde
geslacht leven ook aan onze kusten. De kieuwkraag is zeer hoog, alleen
van onderen ingesneden en bestaat aan weerszijden uit 9 gelijke,
veervormige kieuwdraden van ¹⁄₅ der lengte van het lichaam, die een
uiterst fijne en zachte rozeroode kleur bezitten. De koker wordt diep in
het zand gegraven.
De ~gekronkelde~ of ~gewrongen Serpula~ (_Serpula contortuplicata_) van
fig. 28, die, met nog eenige andere soorten van dit geslacht, ook aan
onze kusten voorkomt, behoort tot de ~kalkkokerwormen~. Zij bouwen uit
kalk de buizen, die men, als gekronkelde kokertjes, in grooten getale op
mossels en andere schelpen of op steenen en allerlei voorwerpen vindt,
die eenigen tijd in de zee aan het strand hebben vertoefd. De soort, die
hier afgebeeld is, heeft driekantige vastzittende kokertjes, die
rimpelig van oppervlakte en tot dooreengekronkelde hoopen vereenigd
zijn. De kieuwen bevinden zich geheel en al boven aan het kokertje, waar
een soort van kop van het overige lichaam afgezonderd is; zij zijn rood
van kleur en bestaan elk uit 30-34 draden, met prachtige, zachtrood
gekleurde trilhaartjes bezet, die een strooming in het water
teweegbrengen voor het aanvoeren van versch water en mondvoorraad.
Eigenaardig voor de kalk-kokerwormen is, dat één der kieuwbladen in een
knodsvormig dekseltje is overgegaan, waarmede, bij het terugtrekken van
het dier in de buis, deze, als met een stop, gesloten wordt. Deze dieren
vangen, als zij uit het ei komen, hun leven aan met volle vrijheid van
beweging in het water, doch later ondergaan zij een gedaanteverwisseling
en nog vóór deze is afgeloopen, zweet het dier aan de oppervlakte de
kalkdeelen uit, die het met een cylindervormig kokertje omhult, dat
aanvankelijk aan beide zijden open is. Met den toenemenden groei van het
dier wordt ook die kalkkoker langer en ten slotte hecht zich deze van
onderen vast.
Niet minder interessant is de ~schelpkokerworm~ (_Terebella nebulosa_),
fig. 18, die in een vliezig kokertje besloten is, dat van buiten met
zandkorrels, stukjes van schelpen en allerlei ander materiaal bedekt
wordt, welke met een slijmachtige, later verhardende massa aan elkaar
geplakt zijn. Die kokertjes zijn hier bepaald onmisbaar, want het
lichaam van dezen worm is buitengewoon week. Naar boven is een soort van
kop, die bezet is met lange bundels van talrijke, uiterst rekbare,
trillende voeldraden, die in een eeuwigdurende kronkelende beweging
verkeeren en zich kunnen samentrekken. Zij zijn prachtig rood van
kleur. De dieren zijn ook overigens hoogst sierlijk en fraai gekleurd,
en met de voeldraden, die het lichaam dikwijls in lengte overtreffen,
weten zij bijzonder handig allerlei kleine voorwerpjes, die van hun
gading zijn, te grijpen, ten einde die voor den bouw van hun kokertje te
gebruiken of het voedsel, uit fijne organische deeltjes bestaande, naar
den mond te brengen. Elk van die wonderbare roode draden lijkt wel een
zelfstandige draadvormige worm, zoo menigvuldig zijn hun bewegingen, en
als men er een afsnijdt, dan kruipt hij nog lang levend rond. In het
aquarium zijn deze diertjes voor den opmerkzamen bezoeker een
onuitputtelijke bron van interessante waarnemingen. Van dit geslacht
bestaan een groot aantal soorten, die vooral in de wadden van de Noord-
en Oostzee leven en waarvan er ook aan onze kusten voorkomen.
Nog een andere kokerworm, de ~goudkam~ of ~goudharige kokerworm~
(_Pectinaria auricoma_) is in fig. 20 afgebeeld. Hij behoort weer tot
een geheel andere familie dan de vorige soorten, namelijk tot de
~kamkieuwwormen~. Deze soort, met nog een andere, komt ook veel aan onze
kusten voor en verder vindt men ze in menigte in de noordelijke zeeën,
ook in de Oostzee. Zij worden zoo genoemd, omdat de kieuwen, die aan het
kopeinde geplaatst zijn, uit prachtig goudgeel glinsterende kammen van
eenvoudige blaadjes bestaan, waardoor ook zij uitmunten door schoonheid
en sierlijkheid. Het fraaie kokertje, dat 4 à 4,5 centim. lang, aan
beide zijden open, roodbruin van kleur en met zwarte vlekjes gemarmerd
is, bestaat uit kleine zandkorreltjes en stukjes steen, die, elk
afzonderlijk, in een laagje chitine gevat zijn en een sierlijk mozaïek
vormen. Het zijn deze kleine kokertjes, die men, vooral bij stormweer,
soms bij millioenen aan onze kusten vindt aangespoeld. De wormen kunnen
ook met dit kokertje rondkruipen en men vindt ze, in ontzaglijke
massa’s, in het zand of slib van de zee ingegraven, waar zij een
geliefkoosd voedsel zijn van allerlei platvisschen.
De dieren, die nu volgen, leven niet in kokertjes, doch vrij in de zee,
en worden, wegens hun roof- en vraatzucht, ~roofborstelwormen~ genoemd,
terwijl ook hier het lichaam met een groot aantal borstels bezet is. Zij
hebben een zichtbaren kop, met voelers en duidelijk te herkennen oogen,
terwijl hun roofdier-natuur ook uitkomt door het bezit van een slurf,
die meestal met kaken gewapend is en die voor het aanvatten der prooi
dient.
Fig. 13 vertoont ons één der schoonste leden van deze familie; het is de
~fluweelen zeemuis~ of ~zeerups~ (_Aphrodite aculeata_), wier Latijnsche
naam _Aphrodite_ vrij wat poëtischer klinkt dan de Hollandsche en in
niets aan een roofdier doet denken. Want Aphrodite was in de Grieksche
fabelleer niemand minder dan de godin der schoonheid, bij de Romeinen
Venus genoemd, de dochter van Zeus en Dione, die, uit het schuim der zee
geboren, op het eiland Cyprus aan wal was gestapt. Dien naam verdient
het dier dan ook ten volle, wegens de schitterende kleuren, waarin de
borstels prijken, waarmede het geheele lichaam omzoomd is, vooral fraai
te zien, als die organen in het zonlicht spelen. Deze soort, die ook
veel aan onze stranden gezien wordt, is eivormig van gedaante, ongeveer
15 centim. lang en aan de platte onderzijde, die witachtig van kleur is,
kan men duidelijk de verdeeling in 39 tot 43 ringen opmerken. Van boven
echter, waar het lichaam met breede schubben bedekt is, draagt het een
dicht, fluweelachtig vilt, dat aan de zijden overgaat in langere
zijdeachtige borstels, die metaalgroen zijn en in alle kleuren van den
regenboog schitteren.
Met de vorige soort komt veel overeen: de ~stekelvarkenachtige hermione~
(_Hermione hystrix_), van fig. 16, die insgelijks tot de zeemuizen
behoort, doch slechts 5 tot 6 centim. lang is. Zij heeft een
bruinachtig, breed lichaam, uit 33 ringen bestaande, twee paren
gesteelde oogen, groote en dikke voelers en priemvormige, van weerhaken
voorziene, borstels. Deze soort wordt veel in de Middellandsche zee
gevonden.
Van de ~roof-borstelwormen~ moeten verder nog drie andere soorten
vermeld worden, die zeer interessant zijn. In de eerste plaats zien wij
in fig. 22 een dier over den zeebodem schuiven, dat wij, op het eerste
gezicht, voor een duizendpoot zouden houden en dat dan ook met den naam
van ~zee-duizendpoot~ of ~zee-nereïs~ (_Nereïs pelagica_) gedoopt is en,
met enkele andere soorten van het geslacht _Nereïs_, ook aan onze kusten
voorkomt. Het lichaam bestaat uit niet minder dan 60 tot 80 ringen, is
lang en dun (10-20 centim.), in het midden een weinig breeder, bruin of
roodachtig van kleur, terwijl de dunne huid alle kleuren van den
regenboog terugkaatst. De ringen zijn van groote, stijve borstels
voorzien, die op pootjes gelijken; de kop is kegelvormig, heeft twee
paar oogen en draagt twee zijdelingsche, grootere en twee kleinere,
puntige voelers. Deze borstelworm komt algemeen in den noordelijken
Atlantischen oceaan voor.
Veel meer bekend is echter de ~gewone zeepier~ of ~zandworm~ (_Arenicola
piscatorum_) van fig. 24, die aan alle kusten van Europa buitengewoon
menigvuldig voorkomt en daar zelfs een gewichtige rol speelt. Het
lichaam komt in vorm eenigszins overeen met dat van den gewonen aardworm
of pier, is 15 tot 25 centim. lang en heeft een kleur, die een mengsel
is van rood, groen en geel, doch nog verschillend, naar gelang van den
bodem, waarin het dier leeft, hetgeen dus aan zijn onzichtbaarheid ten
goede komt. De kegelvormige kop, waaruit een bekervormige slurf
uitgestoken kan worden, bezit noch oogen, noch voelers en waartoe zouden
deze organen ook dienen, daar het dier zijn eigenlijke leven toch
hoofdzakelijk onder den bodem doorbrengt. Op den kop volgen eerst 7
ringen zonder kieuwen en slechts met onvolkomen voetstompjes en
borstels, doch dan komen er 13 leden, die aan weerszijden bundels van
sierlijke, boomachtig vertakte kieuwen dragen, welke fraai rood van
kleur zijn. Het laatste derde, veel dunnere, gedeelte van het lichaam,
is volkomen kaal, zonder kieuwen of voetstompjes.
De levenswijze van de zeepier is hoogst merkwaardig en herinnert in
vele opzichten aan die van den aardworm. Evenals deze, graaft hij zich,
zeer behendig en snel, met den kop vooruit tot op een groote diepte in
het zand of slib aan de kusten, vooral binnen het gebied van eb en
vloed, en daarbij zondert hij uit de huid een kleverig vocht af, dat de
omringende zandkorreltjes tot een U-vormig buisje, een soort van tunnel,
aan elkaar doet hechten en dat voor het toetreden van water voor de
ademhaling dient.
Het interessantste van het geval is echter de wijze, waarop het dier aan
den kost komt. Het menu voor zijn maaltijden is hoogst zonderling, want
hij beijvert zich daartoe om, in zijn tunnel gezeten, zooveel mogelijk
zand in te slikken en, terwijl dit door zijn darmkanaal gaat, daaraan de
plantaardige en dierlijke bijmengselen te onttrekken en te verteren. Het
behoeft geen betoog, dat er, bij zulk een middagmaal, nog al wat afval
is en al dat overtollige en onverteerbare wordt naar achteren--hetgeen
hier gelijkluidend is met: naar boven--uit de opening van den tunnel
naar buiten gedirigeerd. Het zijn deze uitwerpselen, in den vorm van
tallooze, wormvormig ineengedraaide zandhoopjes, welke ieder, die, bij
laag water, wel eens langs het strand geloopen heeft, menigmaal zal
hebben opgemerkt. Een armzalig bestaan! zoo hooren wij den lezer
uitroepen, maar: alles is gewoonte en het dier weet niet beter en vindt
zijn menu natuurlijk het hoogste ideaal. En, bij de luttele hoeveelheid
voedingsstof, die het zand bevat, weet hij zich schadeloos te stellen
door het inslikken van ongelooflijke hoeveelheden van zijn
lievelingsgerecht; men zegt zelfs, dat de gezamenlijke hoeveelheid zand
van het gebied, waarin een zeker aantal zeepieren leven, telkens éénmaal
binnen de 22 maanden in haar geheel de reis door hun lichaam volvoert.
Dat is dus nog al bevredigend. Erger voor het dier is, dat het een
vervolging te vuur en te zwaard moet verduren, natuurlijk weer van den
aartsroover: den mensch. Op de Noordzee-eilanden, en elders aan de
kusten, worden de zeepieren, in ontelbaar aantal, door de zeevisschers
opgegraven, om als aas te dienen bij het visschen, en vooral voor de
walvischvangst zijn zij van groote beteekenis. Op één enkel eiland
worden dikwijls 9 à 10 millioen zeepieren voor dat doel gevangen.
Verwant aan de zeepier is de ~broze Arenia~ (_Arenia fragilis_), fig.
26, wier lichaam echter niet uit drie, doch slechts uit twee afdeelingen
bestaat. Het voorste, korte en dikke gedeelte is vuilrood van kleur en
verandert dikwijls van vorm, door insnoeringen en samentrekkingen. Het
achterste, langere en dunnere lichaamsgedeelte, dat duidelijk in ringen
verdeeld is, heeft een meer geelachtig roode kleur. Curieus is de
oorsprong van den naam: ~broos~ (_fragilis_). Het geheele darmkanaal van
het dier is namelijk zoo propvol met fijn zand volgestopt, dat het niet
mogelijk is, den worm op te nemen, zonder hem te breken.
* * * * *
Onder de ~borstelwormen met weinig borstels~, tot welke onderorde ook
onze gewone aard- of regenworm behoort, noemen wij, van de in zee
levenden, slechts de _Alcyope_ van fig. 1, boven in den hoek links op de
plaat. Dit dier is interessant door zijn ontwikkeling. Men heeft hier
gescheiden geslachten en de wijfjes leggen eieren, die zich
langzamerhand met trilhaartjes bedekken en zich dan in de lengte
uitstrekken tot den vorm eener larve, doch zonder dat deze het ei
verlaat. Uit de trilhaartjes ontwikkelen zich later rijen van wimpers en
uit de huid komen stompjes te voorschijn, die de borstels dragen. Later
ontwikkelt zich een darmkanaal, er vormen zich oogen en het dier is kant
en klaar. Men vindt deze wormen in alle zeeën.
* * * * *
In denzelfden hoek van onze plaat kronkelen zich, door de vertakkingen
der zeeplanten, nog een paar andere merkwaardige wormen, doch ditmaal
zijn wij verzeild onder een tweede, veel lagere klasse van wormen, de
=platwormen= (zie bladz. 8), die geen geleed, doch een langwerpig, van
boven en onder ~afgeplat~ lichaam hebben, dat veel eenvoudiger van
maaksel is dan dat van de ringwormen. Vele onder hen, zooals de
lintworm, missen niet slechts een bloedvaatstelsel, doch zelfs een
eigenlijke lichaamsholte. Maar zoo treurig is het met de platwormen van
onze plaat niet gesteld, en zij zijn dan ook de coryfeeën der geheele
klasse, behoorende tot de familie der =snoerwormen= of =nemertinen=,
waarvan in fig. 12 de ~sierlijke snoerworm~ (_Nemertes gracilis_)
voorgesteld is. Het lichaam van de snoerwormen, waartoe ook de beide
soorten van fig. 2 en 3, boven in den hoek links, behooren, is zeer lang
uitgerekt, meestal lint- of snoervormig en met een gelijkmatige
bekleeding van trilharen bedekt; zij bezitten een lichaamsholte, met
darmkanaal, bloedvaten en een, voor uitstulping vatbaren slurf. De soort
van fig. 12 is 30 centim. lang, heeft een tamelijk korten slurf aan den
breeden kop en zij is in den slurf met een stekel gewapend en van
talrijke kleine, puntvormige oogen voorzien. Deze soort leeft aan de
kusten der Europeesche zeeën.
Fig. 3 stelt een anderen snoerworm voor: de ~kruisdraagster~ (_Polia
crucigera_), die een aanzienlijke lengte kan bereiken en, zooals wij
zien, dan ook moeite heeft, om haar ellenlange lichaam, in behoorlijke
kronkels, op te bergen. Gewoonlijk is zij echter niet zoo lang. De kleur
is vuilgroen, met witte strepen en ringen, en op den kop bevindt zich
een wit kruis, waarvan de naam afkomstig is. De slurf kan plotseling
uitgeworpen worden en bereikt wel ²⁄₃ der lengte van het geheele dier.
Men vindt het in de Middellandsche zee, meestal in rotsholten of
tusschen koralen.
Een derde soort is de ~gegroefde snoerworm~ (_Lineus gesserensis_), fig.
2, die 10-20 centim. lang wordt en lichtrood van kleur is, met lichtere,
dwarse groeven. Het lichaam is afgeplat, de kop verbreed en aan den rand
met talrijke oogen bezet. Hij komt in de Europeesche zeeën voor. Een
andere soort van dit geslacht: de ~langworm~ (_Lineus longissimus_), die
aan de kusten van Engeland leeft, draagt zijn naam met het volste recht,
want men kan hem inderdaad met de el uitmeten en hij slaat het record
van lengte en magerheid. Het is de langste worm, ja wellicht wel het
langste dier, dat bestaat. Bij een doorsnede van slechts 1 centim.,
heeft het doode dier een lengte van 6 meters, doch tijdens zijn leven
kan het zich wel tot 30 meters lengte uitrekken.
* * * * *
Tot besluit van onze kennismaking met het uitgelezen en afwisselend
gezelschap van wormen op onze plaat, moeten wij thans nog een
wonderlijk, doch hoogst interessant, lid van een derde klasse van
wormen: de =sterwormen=, bespreken, waarvan in fig. 17 de ~groene
sterworm~ (_Bonellia viridis_) afgebeeld is. Dit is, met recht, wel één
der zonderlingste en avontuurlijkste producten, welke de natuur ooit
heeft voortgebracht. Stel u voor: een cylindervormig dier, zonder eenig
spoor van geledingen of ringen, noch bijzondere bewegingsorganen,
waartoe alleen de huidspieren dienen en dat een verborgen levenswijze
voert in holen van steenen of in het slib van den bodem in de
Adriatische zee. Dit dier is 5-8 centim. lang en levendig groen van
kleur, doch de voorste afdeeling van het lichaam is vervormd tot een
~snuit~, eveneens van groene kleur, die ingetrokken, doch ook ontzaglijk
verlengd kan worden, van enkele centimeters tot een halven meter,
waardoor het dier, dat zelf onder steenen of slib verborgen blijft, in
staat is, om het noodige voedsel, door middel van trilhaarbewegingen,
naar den mond te voeren. Aan de basis van dien zeldzamen snuit ligt de
mondopening, die door ~stervormige~, franjeachtige aanhangsels omringd
is.
Doch het merkwaardigste en fabelachtigste komt nog, en wel bij de
voortplanting. Het, zooeven beschreven dier, ook op de plaat afgebeeld,
was een wijfje. De mannetjes zijn echter geheel andere wezens en ware
lilliputters, wat hun afmetingen betreft. Tegenover de reuzenvrouw van
5-8 centim. met haar snuit van een halven meter, is de man hier een
nietig dwergje van 1 à 2 millim. en dan nog: welk een man! Zonder mond
en zonder aarsopening, kunnen de mannetjes alleen als parasieten leven,
zooals de lintworm in het darmkanaal van den mensch, en het vloeibare
voedingsvocht van den gastheer of gastvrouw door de huid opslorpen. Zij
bewegen zich door middel van trilharen door het water en begeven zich
eerst, in groot aantal (15 tot 18 stuks), in de ~mondopening~ en vandaar
~in den snuit van het wijfje~, om zich daar metterwoon te vestigen en
voedsel op te nemen. Daar leven zij dus, als echte tafelschuimers van
hun wettige wederhelft, als ~parasieten van het wijfje~, totdat zij
volkomen ontwikkeld zijn. Is dit afgeloopen, dan kruipen zij weer uit
den snuit van het wijfje naar buiten en begeven zich nu, buitenom, naar
haar eileiders aan den anderen kant, waar zij eveneens eenvoudig naar
binnen kruipen en de eitjes bevruchten. Hier hebben wij dus voorwaar één
der merkwaardigste wonderen uit het leven der dieren.
Tot deze sterwormen behoort ook de ~naakte spuitworm~ (_Sipunculus
nudus_), fig. 23, die in alle Europeesche zeeën, vooral echter in de
Middellandsche zee voorkomt, doch ook wel aan onze kusten. De lengte van
het dier is ongeveer 20 centim., het lichaam is lang uitgerekt, de
snuit, die ingetrokken kan worden, is bijna half zoo lang als het
lichaam zelf en aan het uiteinde bevindt zich de mondopening, die door
vlokkige, lange papillen omgeven is.
* * * * *
Doch het wordt thans tijd, dat wij eens van dit wormengebroed afstappen
en ook eens omzien naar eenige andere bewoners van de groene wateren,
boven den zandigen zeebodem op onze plaat. En die overige bevolking
bepaalt zich dan nog slechts tot verschillende weekdieren, waarvan
sommige, die uiterst fraai van uiterlijk zijn, vrij rondzwemmen, andere
den bodem zelf bevolken, deels vrij, deels vastgegroeid.
Onder de eerstgenoemden munten vooral de ~vuurlijven~ en ~salpen~, die
tot de klasse der =manteldieren= behooren, door schoonheid uit. Zij
leven van mikroskopische plantjes en organischen afval, die zij door
middel van trilharen naar den mond voeren en, hoewel zij uiterlijk zeer
eenvoudig zijn, ~naderen zij~, van alle ongewervelde dieren, ~het meest
tot de gewervelden~. In vele opzichten komen zij met de schelpdieren
overeen, zonder evenwel een schelp te bezitten, dus, als ’t ware:
schelpdieren zonder schelp. Evenals deze hebben zij een mantel en ademen
zij door kieuwen, doch de ~mantel~ vormt hier een grooten geleiachtigen,
leerachtigen of kraakbeenigen zak, die het ronde of cylindervormige
lichaam van het dier geheel inhult en die uit een stof bestaat, die de
grootste overeenkomst vertoont met de celstof der planten: de
~cellulose~, welke elders ~nooit~ in het dierenrijk voorkomt. In dien
zakvormigen mantel zijn ~twee openingen~: één voor den toevoer van het
ademhalingswater met de voedingsstoffen in de groote ~kieuwholte~, de
andere voor het verwijderen van het afvloeiende water en de
uitwerpselen. De mond ligt achter in de kieuwholte en voert in een
slokdarm, een maag met lever en een darmkanaal; verder is er een hart,
dat het bloed door wandlooze kanalen van den mantel drijft en één
zenuwknoop, die dikwijls ook met ~oogen~ in verband staat.
De beide mantelopeningen kunnen ~naast~ of ~tegenover~ elkaar gelegen
zijn en daarnaar onderscheidt men twee orden van deze klasse.
Eerstgenoemden vormen de orde der zakpijpen (_Ascidiën_), die nog
~enkelvoudig~ of ~samengesteld~ kunnen zijn, in het laatste geval
zoodanig, dat vele dieren door een gemeenschappelijken mantel omhuld
zijn. De enkelvoudige zijn altijd, de samengestelde somtijds aan den
zeebodem of andere voorwerpen vastgehecht. De manteldieren, bij welke de
in- en uitvoeropening van den mantel ~tegenover~ elkaar liggen en die,
zonder uitzondering, ~vrij~ rondzwemmen, noemt men: =salpen=.
Voorbeelden van de orde der enkelvoudige =zakpijpen= zien wij in de
figuren 8, 9 en 10; zij leven dus steeds elk op zich zelf en zijn altijd
op den zeebodem of op steenen enz. vastgegroeid. Zij vertoonen dikwijls
fraaie kleuren, doch ook wel wonderlijke vormen, zooals reeds dadelijk
het geval is met de ~witte~ of ~darmvormige zakpijp~ (_Ciona
intestinalis_) van fig. 8, die werkelijk veel op een afgesneden stuk
darm gelijkt. Wij zien hier den witten of geelachtig witten,
doorschijnenden, dunnen mantel, met de, naast elkaar gelegen, in- en
uitvoeropeningen, die zich door sterke spieren krachtig kan
samentrekken. Dit dier leeft in de Middellandsche zee en zwemt als larve
vrij rond, doch zet zich later vast op steenen enz. Fig. 9 stelt een
andere enkelvoudige zakpijp voor: de ~cynthia~ (_Cynthia microcosmos_),
die in de Middellandsche zee tehuis is, doch waarvan een drietal andere
soorten ook aan onze kusten gevonden worden. De mantel is hier
leerachtig, fraai rood van kleur, met zachte haartjes bedekt en de beide
openingen bevinden zich op hooge, dicht bij elkaar geplaatste,
tepelvormige verhevenheden. De ~bultige phallusia~ (_Phallusia
mammillata_), fig. 10, is komkommervormig, vrij groot (12-15 centim.),
fraai wit van kleur en met bultvormige verhevenheden bezet. Zij is aan
zeewieren of andere lichamen vastgehecht en de mantel is geleiachtig,
met een aantal lobben rondom de beide openingen, die zich bij de minste
aanraking samentrekken. In ons land komt alleen een andere soort: de
~doorzichtige phallusia~ voor.
Van de samengestelde zakpijpen is alleen die van fig. 14 vastgehecht.
Het is de ~vioolblauwe geleikorst~ (_Botryllus violaceus_), een dunne,
geleiachtige, sierlijk gebouwde korst, die overtreksels vormt over
zeewieren en andere planten en waar de afzonderlijke diertjes, als een
roset, rondom een gemeenschappelijke uitstroomingsopening staan. Een
andere soort van dit geslacht: de ~stervormige geleikorst~ komt ook aan
onze kusten voor. Verder zien wij in fig. 15 een soort kolonie van
zakpijpen, namelijk: de ~clavellina~ (_Clavellina lepadiformis_), die in
de Middellandsche en de Noordzee voorkomt en korsten vormt op planten,
sponsen of steenen. Het is eigenlijk een overgang tusschen de
enkelvoudige en de samengestelde ascidiën, in zoover dat het lichaam van
onderen wortelachtige uitloopers vormt, waaruit boven den grond knoppen
ontspruiten, die met het stamdier verbonden blijven en in een
gemeenschappelijke cellulose-massa liggen en zich tot volledige dieren
ontwikkelen.
Daarentegen zijn de zoogenaamde ~vuurlijven~ (_Pyrosoma’s_), aldus
genoemd naar het sterke eigen licht, dat zij uitstralen, en die in de
warme zeeën voorkomen, echte samengestelde zakpijpen. In fig. 4 is zulk
een ~vuurlijf~ (_Pyrosoma atlanticum_) afgebeeld; het is een verzameling
van kleine manteldiertjes, die in grooten getale in de wanden van een
cylindervormige buis, de mantelholte, van ongeveer 25 centim. lang,
bevestigd zijn en wier mondopeningen naar buiten uitsteken, terwijl de
aarsopeningen in het overlangsche gemeenschappelijke kanaal van den
cylinder uitmonden. Elk diertje draagt aan de voorzijde twee
lichtorganen, die een prachtig helderblauw licht uitstralen. Daar deze
vuurlijven meestal in grooten getale gezellig bij elkaar leven, dragen
zij in de tropische zeeën, meer dan eenige andere soort, bij tot het
wonderbare lichten der zee. Reeds vroeger hebben wij zulk een _Pyrosoma_
eens in minder gelukkige omstandigheden ontmoet, namelijk bij de
~schipperkreeft~ op Plaat VIII (bladz. 83), die zich in den
gemeenschappelijken mantel van zulk een vuurlijf metterwoon vestigt, om
dien te gebruiken als schuitje voor het spelevaren, doch waartoe hij
vooraf de rechtmatige bewoners eenvoudig opeet.
* * * * *
In tegenstelling van de vastzittende zakpijpen zijn de =Salpen=, in
fig. 5 en 6 voorgesteld, manteldieren, die vrij in de zee rondzwemmen.
Het zijn wonderbaar schoone, dikwijls geheel doorschijnende dieren,
van cylinder- of tonvormige gedaante en bij welke de in- en
uitstroomingsopening aan de tegenovergestelde polen van den mantel
gelegen zijn. De kieuw vormt hier een overlangsche band, die schuin van
voren naar achteren in den mantelzak uitgespannen is en geheel door het
water bespoeld wordt. Deze cellulose-achtige ademhalingszak dient echter
tevens voor de voortbeweging door zwemmen, want daarin zijn, zooals wij
op de figuren zien, als de duigen om een ton, spierbanden uitgespannen,
die door hun samentrekking den cylinder vernauwen, terwijl het dier
de mondopening tegelijk door een klep sluit en het water dus met
geweld uit de achterste opening--en het dier, door den terugstoot,
voorwaarts--gedreven wordt. De salpen bewonen uitsluitend de warmere
gedeelten van den Atlantischen oceaan en de Middellandsche zee. De
eigenlijke ~salpe~ (_Salpa maxima_), fig. 5, is cylindervormig, 5-7
centim. lang, heeft een kraakbeenigen mantel en dwarse spierbanden, die
niet ringvormig gesloten zijn. Dit laatste is wel het geval bij de
~tonvormige salpe~ (_Doliolum tritonis_), die geen klep aan de
mondopening heeft en 12 millim. lang is. De kieuw vormt inwendig een
schuinen scheidingswand, die van spleten voorzien is.
* * * * *
Tot de weekdieren behooren ook nog een paar ~mosdiertjes~ (zie bladz.
5), fig. 19 en 29, die zich onderscheiden door fraaie kleuren en
sierlijk vertakte vormen, welke aan koraaldieren doen denken. Fig. 19
stelt het ~celvormige netkoraal~ (_Retepora cellulosa_) voor, een zeer
elegante verschijning, schitterend wit en als uit ivoor gesneden, en
bestaande uit een bladachtigen, bekervormigen, netvormig doorboorden
cellenstok, met smalle takken. Deze soort is zeer algemeen in de
Middellandsche zee. Bij het ~bladerige hoornwier~ (_Flustra foliacea_),
dat, met nog een andere, tot onze inlandsche soorten behoort, is de stam
van den hoornachtigen cellenstok zeer kort en verderop diep verdeeld in
bladvormig vertakte lappen. De stokken zijn 12-15 centim. hoog en komen
in de Europeesche zeeën zeer algemeen voor.
* * * * *
En nu, als besluit van ons tafreel uit het leven der weekdieren, een
eenigszins weemoedig slot, want ons rest nu nog de beschouwing van een
drietal wezens, die eigenlijk het uitsterven nabij zijn en wier talrijke
vroegere familieleden reeds lang in het graf der vóórhistorische tijden
rusten. Het zijn eenige =armpootige weekdieren=, in fig. 21, 25 en 27
voorgesteld, die een armzalig overschot zijn van een vroegere rijke
dierenwereld uit den grijzen vóórtijd. Deze weekdieren, die uiterlijk
veel gelijken op schelpdieren, zooals oesters en mossels, hebben een
mantel, die twee ongelijke schelpkleppen afscheidt, een grootere
buikklep en een kleinere rugklep, die niet zijdelings vereenigd zijn en
ook niet door een slotband, zooals bij de schelpdieren (zie bladz. 12),
doch slechts door ingrijpende tandjes en door spieren. Naast den mond
bevinden zich, steunende op een kalkachtige voortzetting van de rugklep,
twee holle armen, die spiraalvormig in een aantal windingen opgerold
liggen en met trilhaartjes bezet zijn. Zij dienen als kieuwen voor de
ademhaling en tevens, door de beweging der trilhaartjes, voor het
toevoeren van voedsel naar den mond. De schelpen zitten aan rotsen of op
den zeebodem vast en de dieren leven deels op groote diepten. Fig. 21
stelt de ~glasachtige gatschelp~ (_Terebratula vitrea_) voor, aldus
genoemd, omdat zij zich vasthecht met een spier, die door een gat van de
buikschelp gaat. De schelp is 2,5 centim. lang, melkwit, doorschijnend,
langwerpig rond en glad. Men vindt ze in de Noordzee en de
Middellandsche zee. In de zeeën der oudste tijdperken der
aardgeschiedenis waren de _terebratula’s_ door een ontzaglijk aantal
soorten en individu’s vertegenwoordigd; thans zijn zij, op weinigen na,
uitgestorven.
De ~ongelijke doodshoofdschelp~ (_Crania anomala_), fig. 25 is
insgelijks een armpootige, met donkerbruine, cirkelronde, concentrisch
gestreepte schelp, die 1 centim. lang en met de buikklep aan voorwerpen
op den zeebodem vastgehecht is. Zij komt in de Middellandsche zee voor,
terwijl de ~papegaai-snavelige rhynchonella~ (_Rhynchonella psittacea_)
van fig. 27 meer met het noorden bevriend is en in de noordelijke ijszee
leeft. Deze is 2,5 centim. lang, donkerbruin of zwart violet,
driehoekig, gewelfd, met dunne, straalvormig gestreepte kleppen. De naam
is afkomstig van het snavelvormige uitsteeksel van de buikklep.
[Afbeelding: X.]