KRABBELENDE STRANDVONDERS EN HUPPELENDE GYMNASTEN.

Aan onze noorderstranden krabbelt een eigenaardig volkje van

„strandvonders” rond, die, om aan den kost te komen, hun buit

grootendeels aan de kust, soms ook in de diepere zee, verzamelen. Voor

een deel zijn het groote en logge gevaarten, die deftig, met afgemeten

passen, over het strand voortkrabbelen, deels ook kleine, doch koene

springers en zwemmers, die de wereld meer van den vroolijken kant

opvatten en het leven lustig doorhuppelen, al wordt ook menig hunner

meedoogenloos door den voet van den mensch vertrapt. Beiden behooren

weer tot de =tienpootige schaaldieren=, zijn dus wel verwant aan de

kreeften, maar hebben toch een geheel anderen lichaamsbouw en

levenswijze.

Van eerstgenoemden: de =krabben=, zijn aan onze kusten een paar soorten

welbekend en, als smakelijke spijs, gezocht, hoewel het aroma van haar

vleesch niet halen kan bij dat van de kreeften. Ook uiterlijk wijken zij

van dezen aanzienlijk af en zooals wij uit de fig. 10 en 11 zien, is

haar lichaam veel lomper van bouw dan dat van de, dikwijls zoo fraaie en

sierlijke kreeften, die wij tot nogtoe ontmoet hebben. Bij andere

soorten, zooals die van fig. 2, 4 en 5, is de vorm bovendien zoo

fantastisch gewijzigd, dat men er geen kreeftachtige dieren meer uit zou

herkennen en zij ons meer aan, afzichtelijke gepantserde, reuzenspinnen

doen denken.

Bij alle krabben is het lichaam kort en breed, doch wat wij er van zien,

is eigenlijk alleen het ronde, vierhoekige of driehoekige

kopborstschild, want het achterlijf is van boven onzichtbaar, daar het

slechts zeer kort en onontwikkeld is, doch bovendien naar beneden

omgeslagen is, in een groeve onder het borstschild. Daarom noemt men de

krabben ook: =kortstaartige kreeften=. Bij het wijfje is dit korte

achterlijf wel breed, doch zonder staartvin en van vier draadvormige

pooten voorzien voor het vasthechten der eieren; bij het mannetje is het

achterlijf nog minder ontwikkeld. Bij het zwemmen kan hier het

achterlijf dus ook geen dienst doen, zooals bij de kreeften, doch hier

geschiedt het alleen met de breede voorpooten. In de edele zwemsport

zijn deze dieren echter niet zeer ervaren, des te beter echter zijn zij

bedreven in de loop- en wandelsport. Meestal loopen zij op het strand en

wel in den regel zijwaarts of in schuine richting.

De vruchtbaarheid van de krabben is buitengewoon groot; Leeuwenhoek vond

indertijd reeds, door een gedeeltelijke telling, dat het wijfje van de

strandkrab meer dan 2 millioen eieren legt. Na een paar maanden komen de

larven reeds uit, die nog niets op het volwassen dier gelijken, doch een

dubbele gedaanteverwisseling ondergaan. De kieuwen zijn goed ontwikkeld,

bladachtig vertakt en de kieuwholten zijn van onderen en van achteren

bijna geheel door het borstbeeld afgesloten, zoodat alleen aan de

voorzijde water kan toetreden. Daardoor drogen de kieuwen niet zoo

spoedig uit en dit is de reden, dat de krabben dagen lang op het droge

in leven kunnen blijven en dat zij bij ebbetijd ook meestal op het

strand vertoeven.

Men meent zelfs, dat zij eenigen tijd ook lucht kunnen inademen en er

zijn dan ook bepaalde „landkrabben”, die in grooten getale, in gaten en

kuilen, in bosschen en op rotsen leven of zelfs, zooals de Indische

kikvorschkrab, wel de daken van huizen beklimmen. Toch moeten ook deze

dieren jaarlijks groote tochten naar de zee ondernemen, om de eieren te

leggen. Dergelijke landkrabben komen ook in West-Indië veel voor en

hebben daar eens tot een vermakelijke vergissing aanleiding gegeven.

Eens zijn de Franschen aldaar, althans zoo luidt het verhaal, voor een

kolonne van die landkrabben op de vlucht geslagen, want deze dieren

klepperen soms zeer hoorbaar met hun scharen en men hield dit geluid

toen voor het paardengetrappel der Spaansche ruiterij; vandaar dat nog

telkenjare op Haïti het „krabbenfeest” gevierd wordt.

Die scharen aan het voorste paar pooten zijn bij de krabben steeds zeer

groot en sterk, zij dienen als geduchte wapens. De vier achterste paren

pooten dragen slechts klauwen en dienen tot loopen en zwemmen.

Aan onze kusten zijn de twee volgende soorten van krabben het meest

bekend: de ~strandkrab~ (_Carcinas Moenas_), die in fig. 10 afgebeeld is

en de ~gewone zeekrab~ (_Cancer pagurus_) van fig. 11. Beide zijn

~boogkrabben~, waarbij het kopborststuk breeder dan lang en naar voren

~boogvormig~ afgerond is. De ~strandkrab~, die 3 tot 4 centimeters breed

is, behoort tot de algemeenste dieren aan alle Europeesche kusten en ook

bij ons vindt men haar in zulke menigten, dat het strand, vooral bij eb,

wemelt van de dieren, die daar, op buit belust, vol leven en beweging

rondkrabbelen en zich, bij dreigend gevaar, ijlings uit de voeten maken.

Zij verbergen zich dan onder de groote steenen van onze zeeweringen of

begraven zich behendig onder het zand. De kleur van de schaal is

lichtgrijs of groenachtig, naar voren donkerder en de punten der scharen

zijn lichter; de sprieten zijn zeer kort, zooals bij alle krabben. De

schaal van de strandkrab is van boven glad of fijn gekorreld en heeft

aan de voorzijde vijf tanden, de voorpooten zijn eenigszins ongelijk en

al de ledematen hebben een fijnkorrelige oppervlakte. Het achterlijf van

het mannetje bestaat uit 5, dat van het wijfje uit 7 leden.

De wijze, waarop de krabben zich, aan het strand of in een aquarium, in

hun doen en laten gedragen, is uiterst grappig, doch geeft ons tevens

een niet geringen dunk van haar intellectuëele hoedanigheden, die zelfs

hooger staan dan die der kreeften. Men zou deze dieren het ~komieke~

element van onze stranden kunnen noemen en ieder, die wel eens jacht op

haar maakte, zal moeten toegeven, dat er nauwelijks iets potsierlijkers

bestaat. Terwijl zij slecht zwemmen, kunnen zij te voet, zij het dan

ook ~zijwaarts~, met recht „beenen maken” en in het verstoppertje spelen

vinden zij haars gelijken niet. Bij de geheele vervolging spreiden zij

een ongelooflijke mate van list en geslepenheid ten toon. Wil men haar,

terwijl zij, schijnbaar onverschillig, doch steeds waakzaam, kalm op het

zand ligt, naderen, dan maakt zij zich met bliksemsnelheid uit de

voeten; loopt men haar na, dan graaft zij zich ongelooflijk snel in het

zand, zoodat alleen de sprieten, de oogen en de punten der scharen er

boven uit komen en blijft dan, met de slimme beweeglijke oogen steeds

naar alle kanten rondspiedende, stil liggen. Komt er een buit voorbij,

dan wordt deze in een oogwenk gegrepen door de scharen, die ware handen

zijn in behendigheid en die het dier in een oogwenk uit elkaar plukken

en de onderdeelen naar den mond transporteeren. Er wordt vooral jacht

gemaakt op garnalen en op de vroolijke zandspringers, die wij in fig. 8

en 9 zien. Als voedingsmiddel voor den mensch speelt deze krab, wegens

het smakelijke vleesch, een belangrijke rol. Hoogst merkwaardig is ook

het wonderbare ~herstellingsvermogen~ der krabben, dat hier zelfs kan

ontaarden in „~zelf-amputatie~ of ~zelf-verminking~”, dat is: het dier

zet zich zelf dikwijls zijn eigen beenen of andere lichaamsdeelen:

pooten, scharen, sprieten enz. af. Deze worden soms om een bagatel

opgeofferd, doch alleen tot een hooger doel nl: zoo snel mogelijk aan

den vijand te ontkomen. Trekt men een krab slechts even wat onzacht aan

een poot of een schaar, of prikt of snijdt men daarin, dan wordt fluks

het bedreigde lichaamsdeel eenvoudig afgeworpen en in de handen van den

vijand achtergelaten. De krab kan zich dan snel uit de voeten maken en

het verlorene groeit toch weer aan.

De andere inheemsche soort op onze plaat is de ~gewone zeekrab~ (_Cancer

pagurus_), fig. 11, die veel grooter is dan de vorige en wel 25 centim.

breed en bijna even lang kan worden. Het schild is zacht gewelfd en min

of meer korrelig van oppervlakte, en vertoont van voren drie

uitstekende punten en aan den rand, ter weerszijden, negen inkervingen.

De kleur van het schild is leerachtig geel, doch in het midden

bruinachtig rood, terwijl de klauwen der zeer groote scharen zwart van

kleur zijn. De overige pooten zijn dunner, hoekig en met korte haren

bezet. Het achterlijf, de zoogenaamde „staart”, bestaat uit zeven leden.

Het voedsel van de zeekrab bestaat hoofdzakelijk uit aas. Ook deze krab

wordt veel gevangen en levert een smakelijke spijs. Onze visschers

vangen deze dieren, vooral in Maart en April, in groote menigte en aan

de kusten van Italië en Engeland vormt de vangst een gewichtigen tak van

nijverheid.

Onder de krabben uit andere streken zijn er ook velen met een

vreemdsoortig uiterlijk en soms met zeer eigenaardige levensgewoonten.

Zoo zien wij er een in fig. 4, die in vele opzichten aan een spin doet

denken en dan ook den naam draagt van ~groote zeespin~ of ~stekelkrab~

(_Maja squinado_). Het dier, dat 10 à 15 centim. lang is, komt in de

Middellandsche zee voor en is vooral zeer algemeen in de buurt van

Triëst en in die streken wordt het door de onbemiddelde klassen als

voedsel genuttigd. Het behoort tot de familie der ~driehoekskrabben~,

aldus genoemd naar het driehoekige, van achteren afgeronde, naar voren

smallere, roodachtige kopborststuk. Dit schild loopt in een soort van

puntigen snavel, met twee scherpe stekels, uit, een krachtig

verdedigingsmiddel, naar hetwelk deze krabben ook wel „~puntsnaveligen~”

genoemd worden. Het zijn trage gezellen, met een sterk gewelfd schild,

dat aan de bovenzijde met een groot aantal puntige bulten en stekels

bezet is, waaronder vooral vijf zeer groote, in een rij achter elkaar,

aan elk der beide zijranden. De twee voorpooten, met de scharen, zijn

veel langer en grooter dan de vier volgende paren; de laatste zijn dun

en van kleine klauwen voorzien. Voegen wij nu nog daarbij, dat het

geheele lichaam, evenals de lange, dunne pooten, sterk behaard is,

terwijl het dier meestal onbeweeglijk zit of zich langzaam en moeilijk

voortbeweegt, dan zal men zich wel kunnen voorstellen, dat het volkomen

den indruk maakt van een stekelige vogelspin, die op de loer zit. De

zeespin werd reeds in de oudheid door de Grieken „~maia~”, dat is:

wachteres of moedertje, genoemd en dikwijls op Grieksche munten

afgebeeld. De Grieken schreven aan dit dier een hoog ontwikkeld verstand

toe.

De fantastische indruk, dien deze puntsnavelige krabben maken, wordt nu

dikwijls nog verhoogd door de sterk ontwikkelde neiging, om zich te

„~maskeeren~”, te „~vermommen~”, waarin zij de _Dromia_ en de _Dorippe_

(zie bladz. 69 en 70) nog ver de loef afsteken. Zij bedekken het

rugschild met wieren en poliepen van allerlei soort, om zich, als zij op

de jacht gaan, voor haar prooi onkenbaar te maken en nemen die zeewieren

op haar rug te veel in groei toe, zoodat zij bezwaar bij de

voortbeweging zouden opleveren, dan wordt het veld gemaaid of zij punten

zich de plantaardige haren met de scharen der voorpooten. Dat men hier

met een opzettelijke en weloverdachte handeling te doen heeft, blijkt

daaruit, dat men zeespinnen in het aquarium gebracht heeft met stukjes

papier en dat zij deze toen, in plaats van de ontbrekende wieren, op

haar schild plaatsten, waarbij ook de snavel goede diensten bewees,

zonder er zich echter om te bekommeren, of zij er ook werkelijk aan

bleven vasthechten. Dit moge nu geen blijk geven van een juist oordeel

omtrent de natuur van de gebezigde voorwerpen, maar het bewijst toch,

dat de dieren, bij hun zorg voor het dagelijksch brood, erover

~nadenken~, om het ontbrekende zeewier door iets anders te vervangen,

dat hen voor hun prooi onkenbaar maakt.

Deze maskeradekunsten worden echter nog overtroffen door die van een

andere driehoekskrab, de ~Pisa~ (_Pisa tetraödon_), fig. 7, een kleinere

soort, die na verwant is aan de zeespin, met een licht, roodachtig

grijs, peervormig en bultig kopborststuk, dat geheel met dichte, korte

viltachtige haren bedekt is, een langen gespleten snavel en tamelijk

korte, knobbelige pooten.

Zijn deze dieren, die in de Middellandsche zee leven, toch reeds door

hun kleur en sterke beharing moeilijk van hun omgeving te onderscheiden,

zoo wordt daarop nog de kroon gezet door hun gewoonte, om zich den romp,

den snavel, en zelfs een deel van de pooten, geheel en al te bedekken

met sponsen, mosdiertjes en allerlei planten. Zij zijn daarmede zoo

beladen, dat men het lichaam zelf nauwelijks meer kan zien en dit meer

gelijkt op een wandelenden bloementuin of op een begroeiden steen (zie

fig. 7). Deze planten, sponsen enz. worden dikwijls door het dier uit

den bodem getrokken en door middel van den spitsen snavel op zijn rug

geplant of aan de haren en stekels vastgeprikt. Men heeft zelfs

opgemerkt, dat sommige soorten van _Pisa_ deze zonderlinge

lichaamsbedekking, als een soort van draagbaren „moestuin”, ten eigen

bate aanwenden en van tijd tot tijd eens van den eigen voorraad, als

versnapering, snoepen of elkaar wederkeerig de kolonies van mosdiertjes

of poliepen van elkaars huid wegstelen en opeten.

Ook de buitenmodelskrab van fig. 2, de ~Inachus~ (_Inachus chiragra_),

behoort tot dezelfde familie als de beide vorige soorten en bezit dus

ook een driehoekig schild met een spitsen snavel, die hier echter de

bijzonderheid vertoont, dat hij bladvormige aanhangsels heeft, die doen

denken aan de „bladsprieten” van den meikever. Het lichaam en de pooten

hebben een oneffen, knobbelig en gekorreld uiterlijk en maken den

indruk, alsof hier een verminkt dier voor ons staat. De vier achterste

paren pooten zijn zeer lang en dun, het tweede paar is zelfs

buitengewoon groot en nog langer dan de voorste schaarpooten; zij dienen

dan ook niet voor het loopen, doch worden door de krab meer als

balanceerstokken gebezigd (zie fig. 2) en zijn steeds sterk met wieren

bezet. De kleur van het dier is bruinachtig rood, de bovenzijde van het

lichaam is naakt, doch de onderzijde en de pooten zijn met afzonderlijke

gele haarbundeltjes bedekt, de klauwen alleen aan de onderzijde. Deze

soort is 2 à 3 centim. lang en komt in de Middellandsche zee voor. In de

Japansche zeeën leeft een andere soort van hetzelfde geslacht: de

~reuzenkrab~ (_Inachus Kämpferi_), die inderdaad reusachtige afmetingen

heeft. De romp van dit dier is een halven meter lang, de schaarpooten

hebben een lengte van 1,5 meter en de dikte van een menschendij; met

uitgespreide pooten beslaat hij een lengte van meer dan 3 meters. Dit is

niet slechts de Goliath onder de krabben, maar tevens het grootste

schaaldier van de geheele wereld.

Om de rijen der krabben te sluiten, vermelden wij nog en paar

zonderlinge snuiters. Fig. 5 stelt voor de ~lambrus~ (_Lambrus

mediterraneus_) uit de Middellandsche zee, waar zij vooral bij Nizza,

Toulon en Genua, en verder op nog bij Napels gevonden wordt. De kleur

van dit dier is roodachtig, het lichaam is iets breeder dan lang, zeer

oneffen en ruw, met vele knobbels en puntige stekels bezet, vooral aan

den rand. Buitengewoon groot en zwaar zijn de, van scharen voorziene,

binnenwaarts gebogen, ruw gekorrelde voorpooten; zij zijn van boven en

aan den binnen- en buitenrand met puntige, vertakte stekels--aan de

onderzijde met bruine knobbeltjes bedekt. De overige pooten zijn veel

kleiner en dunner en dragen slechts enkele stekels. En in de Adriatische

zee leeft de ~Neptunuskrab~ (_Neptunus Sayi_) van fig. 6, die weer meer

met de gewone krabben overeenkomt, 8-9 centim. lang en 17-18 centim.

breed is. Het borstschild is breed en plat en vuil groenachtig bruin van

kleur, met witte vlekken. Het schild heeft aan weerszijden een sterken

doorn en de voorste rand is getand. Het achterste of vijfde paar

borstpooten is aan de uiteinden sterk verbreed. Dit dier zwemt vrij

rond, tusschen de Sargassum-wieren (een zeeplant) en voedt zich ook

daarmede.

* * * * *

En nu gaan wij de krabbelende monsters van het strand verlaten en

begeven wij ons naar de vroolijk huppelende en zwemmende schare van onze

plaat, die veel kleiner van afmetingen zijn en niet meer tot de krabben,

doch tot de lagere kreeften behooren. Daarom hebben zij ook een goed

ontwikkeld achterlijf en dus een langwerpiger lichaam, want zij zijn

verwant aan de vlookreeften, die wij vroeger in het zoete water ontmoet

hebben. Ook uiterlijk komen zij daarmee veel overeen en evenzoo gelijken

zij onderling veel op elkaar, zooals wij uit de figuren 1, 3, 8 en 9

zien.

Deze kleine kreeftjes behooren, evenals de, vroeger besproken,

~vlookreeften~ en ~pissebedden~ (bladz. 3 en 44), tot de orde der

=vastoogige kreeften= of =ringkreeften=, die, wat het aantal der

lichaamsringen en ledematen betreft, met de gewone kreeften

overeenkomen, doch wier ~borstringen~ min of meer vrij en beweeglijk

zijn, terwijl de oogen niet op stelen staan, doch onbeweeglijk en

~vast~ zijn. De beide diertjes van fig. 8 en 9 behooren tot de

~strandspringers~, die gekenmerkt zijn door een sterk zijdelings

afgeplat lichaam, terwijl zij bij rust en bij het zwemmen op de zijde

liggen. De achterste sprieten zijn buitengewoon lang, de voorste weinig

ontwikkeld. De beide voorste paren pooten zijn kort en dienen slechts

tot grijpen, waartoe, bij het voorste of bij beide paren, het eerste lid

als een vinger naar binnen omgeslagen kan worden. De twee volgende paren

worden voor het loopen gebruikt en de drie laatste paren zijn zeer groot

en sterk, ware ~springpooten~, zooals die van de vloo. Inderdaad is het

springen hun lust en hun leven, daarin zijn zij ware meesters: het zijn

de ~gymnasten~ van het strand.

Wandelt men ’s zomers of in den herfst, vooral bij warm weer, langs het

strand, dan staat men dikwijls verbaasd over de ontzettende menigte van

kleine, blinkend witte diertjes, van ongeveer 2 centim. lang, die om

onze voeten heenspringen en waarvan wij er, bij elken stap, talrijken

vertreden, daar zij in kleur nauwlijks van het zand zijn te

onderscheiden. Dit is de ~zandspringer~ of ~zeevloo~ (_Talitrus

locusta_), fig. 8, die soms, bij millioenen tegelijk, over onze stranden

huppelen en springen, dikwijls, als ware gymnasten, wel een voet hoog,

waarbij ook het omgebogen achterlijf meewerkt, daar zij dit plotseling

kunnen uitstrekken. Hier is alleen het tweede paar pooten van een

grijpvinger voorzien. Deze diertjes komen algemeen langs alle kusten van

Europa voor en wel overal daar, waar de zee wieren op het strand werpt,

die hun tot voedsel dienen. In het water zelf komen zij slechts zelden

voor; zij volgen steeds de eb en worden dan met den volgenden vloed, met

de wieren, door de zee op het strand aangespoeld. Met geweldige sprongen

ontvluchten zij daar hun aartsvijanden: de zeevogels en krabben, die

verzot zijn op deze kreeftjes, en alleen hun gymnastische toeren doen

hen dan menigmaal letterlijk „den dans ontspringen”. Om te rusten graven

zij zich in het zand van het strand, in den winter onder rottend

zeewier. Hun collega en metgezel van fig. 9, die veel op hen gelijkt, is

de ~strandspringer~ of ~strandvloo~ (_Orchestia littorea_); hij is

grooter, 2,5 centim. lang, wordt insgelijks in massa’s aan alle kusten

van Europa aangetroffen en komt ook overigens, zoowel in uiterlijk als

in levensgewoonten, veel met den zandspringer overeen; alleen zijn hier

de voorste sprieten wat langer en hebben de ~beide~ voorste paren pooten

een grijpvinger.

* * * * *

Terwijl de beide vorige soorten van kreeftjes nauw verwant zijn aan de

pissebedden, zonder echter daartoe te behooren, zien wij, bovenaan links

op Plaat VIII, ook een werkelijke pissebed: de ~boorpissebed~ (_Limnoria

terebrans_), fig. 1, die veel in de Noordzee voorkomt, bruinachtig groen

van kleur en slechts 2 tot 5 centim. lang is; in uiterlijk doet zij wel

eenigszins denken aan een insektenlarve. De sprieten zijn hier zeer kort

en het laatste lid van het achterlijf vormt een breede staartplaat, met

zijdelingsche aanhangsels. Het geheele lichaam is met dichte

haarborstels bezet. Hoe klein dit diertje ook is, zoo kan het toch de

grootste verwoestingen aanrichten aan het, door het water bedekte,

houtwerk van havenhoofden, paalwerk enz., door zich daarin te boren en

er in alle richtingen gangen door te graven, zoodat het dier in

schadelijkheid den paalworm niet veel toegeeft. Bovendien ondervindt het

geen nadeel van het terugwijken van het water bij eb, daar het in zijn

gangen, ook buiten het water, dagenlang in leven blijft.

En nu blijft ons nog het kreeftje over van fig. 3, rechts boven in den

hoek, een curieus diertje uit de Middellandsche zee, dat er uitziet,

alsof het in een luchtballon in het water opstijgt of als een schipper,

die in een schuitje vaart. Het draagt dan ook den naam van

~schipperkreeft~ (_Phronima sedentaria_), en behoort tot de

parasietische kreeften, dat is: het kookt niet zijn eigen pot, doch

leeft in en ten koste van een ander dier. Het diertje zelf komt in vorm

en maaksel weer grootendeels overeen met de vlookreeften en met de

zeevlooien van fig. 8 en 9, is bijna doorschijnend, met roode puntjes,

heeft een grooten ovalen kop, met kolossale oogen, die bijna den

geheelen kop beslaan, weinig ontwikkelde sprieten en een dun achterlijf,

dat van krachtige zwempooten voorzien is. Het vijfde paar borstpooten is

gewapend met geweldige grijptangen.

Man en vrouw hebben hier een volkomen verschillende levenswijze, zelfs

laat eerstgenoemde zich met zijn wederhelft niet anders in dan voor de

paring. Terwijl het mannetje verder vrij rondzwemt, zoekt het wijfje,

nadat het de eitjes in een taschje van het kopborststuk gelegd heeft,

bij een ander, en nog wel bij een vreemde, onder dak te komen, ten

einde, tijdens de ontwikkeling van haar kroost, gratis kost en inwoning

te hebben. Zij zoekt daartoe één der fraaie, doorschijnende tonnetjes

op, welke den uitwendigen, gemeenschappelijken mantel voorstellen,

waarin zich een talrijke kolonie van ~vuurlijven~ (_Pyrosoma_) bevindt,

welke tot de zoogenaamde „manteldieren” behooren en die wij op de

volgende plaat nader zullen ontmoeten. De vrouwelijke schipperkreeft

treedt de, aan beide zijden open, kristalheldere woning binnen en begint

zich daar reeds dadelijk zoo gerieflijk mogelijk in te richten, door de

rechtmatige bewoners--niet buiten de deur te zetten--doch zich daarvan

te ontdoen door een veel radikaleren maatregel, en wel: ze eenvoudig

allen op te eten. En als zij dan het huis alleen heeft, dan zwemt zij

verder in die glasheldere ton, met haar geheele nakomelingschap rond,

waarbij de schuit in beweging gebracht wordt, door de zwempooten van

het achterlijf, die uit de ééne opening naar buiten uitsteken. Somtijds

verlaat zij dit glazen paleis en zwemt dan behendig vrij rond, om een

nieuw te zoeken, welks bevolking zij opnieuw verslindt, om er dan in te

vertoeven, tot haar kroost volwassen is: inderdaad een uiterst

praktische levensopvatting!

[Afbeelding: IX.]

Uit de dierenwereld van het water Schetsen in woord en beeld van het lever der lagere diersoorten · 第 57 / 92 题