EEN EXCENTRIEK GEZELSCHAP.

Het is een zonderling college van avontuurlijke en vreemdsoortige

wezens, dat zich in dit stukje zee op onze plaat verzameld heeft en dat

werkelijk wel eenigermate den indruk maakt van een gezelschap

humoristische clowns uit den oceaan of van verschijningen uit een

andere, ons geheel vreemde, wereld, die men zou wanen, dat slechts in

sagen en sprookjes een rol konden spelen. En toch is het een beeld uit

de onvervalschte werkelijkheid en allen behooren weer tot de, thans

levende, =tienpootige schaaldieren= en zijn deels aan de kreeften, deels

aan de krabben verwant.

Reeds dadelijk het bovenste dier op de plaat: de ~pitvormige Ilea~

(_Ilea nucleus_), fig. 1, wekt onze verbazing door zijn hoogst

excentriek uiterlijk, dat veel meer aan een afzichtelijke groote spin,

dan aan een kreeft zou doen denken en dat, vermomd als een soort

vruchtepit (vandaar de naam), die zich de pooten van een hooiwagen heeft

aangeschaft, tegen de rotsen opklautert. Dit dier behoort tot de

zoogenaamde „~rondkrabben~”, aldus genoemd, omdat het kopborststuk een

rondachtigen vorm heeft, terwijl er twee ondiepe groeven overheen

loopen. De mondopening is driehoekig van vorm en aan den achterrand van

het lichaam bevinden zich twee kleine driehoekige tandjes. De voorpooten

zijn veel langer en dikker dan de volgende paren. De kleur van het

lichaam is geelachtig tot bruinachtig, de lengte ongeveer 2, de breedte

1,5 centimeter. De dieren komen tamelijk veel in de Middellandsche en

Adriatische zee voor.

[Afbeelding: VII.]

Tot dezelfde familie der ~rondkrabben~ behoort ook de ~schaamkrab~

(_Calappa granulata_), in fig. 7 afgebeeld, die de meest bekende soort

van zijn geslacht in de Middellandsche zee is en door de bevolking der

kustlanden ook gegeten wordt. Het dier is 6-8 centim. lang, lichtrood

van kleur, met donkerroode vlekken--een beschermende kleur op den

kiezeligen grond--, gele pooten en een rond, sterk gewelfd

kopborstpantser, dat aan de beide zijden vleugelachtig verbreed is,

zoodat de vier achterste paren pooten er bijna geheel door bedekt zijn.

Ook hier is het schild rondom de monddeelen driehoekig toegespitst. De

schaarpooten zijn ontzaglijk vergroot en kamvormig getand, zoodat zij,

als zij tegen het lichaam aangetrokken worden, de geheele omgeving van

den mond en een groot deel van de borst volkomen bedekken en verbergen,

als schaamde het dier zich te laten zien, waarvan de naam afkomstig is.

Daar ook de overige pooten door de verbreede borstschilden bedekt zijn

en deze krab de gewoonte heeft, om zich over dag, traag en vadzig, zoo

diep in het zand op den bodem te graven, dat slechts het voorste

gedeelte van het rugschild, de zeer korte sprieten, de langgesteelde

oogen en de bovenrand van de scharen boven den grond te voorschijn

komen, is het dier daardoor even goed beschut als een schildpad door

haar schild. De scharen vormen machtige wapens tegenover vijanden, en

dienen tevens als stevige knijptangen voor het vasthouden van den buit

en als schoffels voor het graven in het zand.

De zonderlinge snuiter van fig. 3, die naar een hoop zeewieren kruipt,

is zeker wel de meest humoristische grappenmaker van het gansche

gezelschap. Het is de ~dorippe~ (_Dorippe lanata_), uit de

Middellandsche zee, behoorende tot de afdeeling der ~rugpootkrabben~,

aldus genoemd naar de, weinig ontwikkelde dunne en teere achterste

borstpooten, die geen aandeel nemen aan de voortbeweging en bovendien in

die mate naar achteren op de rugstreek verplaatst zijn, dat het allen

schijn heeft, alsof het dier, met zijn beenen op zijn rug, rondloopt. De

schaarpooten zijn kort, doch de beide volgende paren zijn buitengewoon

lang en van klauwen voorzien. Het dier is 4 à 5 centim. lang,

groenachtig van kleur en het kopborststuk is van voren als dwars

afgesneden.

Maar welk een potsierlijke maskerade-vertooning geeft deze wonderlijke

snaak ons, daar op de plaat, ten beste? Hij laadt alle mogelijke vreemde

zaken, die hij maar meester kan worden, boven op zijn rug: schelpen,

wieren, doode visschen, enz. zoodat hij bijna doet denken aan een

wandelenden „koopman van alles” of een uitdrager. Ons exemplaar van fig.

3 is bedekt met een oesterschelp, waarop een menigte zeepokken zitten

(fig. 2) en die het met zijn, rugwaarts geplaatste, achterste

borstpooten boven zijn rug vasthoudt. En nu het doel van deze komieke

vertooning? Vooreerst dient die bagage op den rug als een schild ter

bescherming en verder: om het dier voor zijn vijanden onkenbaar te

maken, dus inderdaad een maskerade-vermomming.

Ook de ~gewone wolkrab~ of ~schildkrab~ (_Dromia vulgaris_), fig. 6, is

een lid van dit gilde der zich vermommende karnevalsgasten; deze heeft

zich echter, in ons geval, een geheel dier op den rug geplaatst en wel

een dier uit de klasse der ~manteldieren~, orde der ~ascidiën~,

namelijk: _Amarucium densum_ (fig. 5). Meestal kiest deze krab echter,

als beschuttend dak en als maskerade-pak ter vermomming, een spons.

Ontneemt men haar, in de gevangenschap, dit beschermend dak, dan hangt

zij zichzelf een mantel om van waterplanten, wel een bewijs, hoe

onmisbaar het dier die beschutting acht.

Bovendien schijnen echter de samenlevende dieren: spons en krab, ook

inderdaad beiden voordeel te hebben van deze innige compagnieschap en

blijvende vereeniging. De krab wordt door de spons beschermd en onder

haar lichaam verborgen, en wederkeerig heeft de spons, het aangenomen

pleegkind van de krab, het genoegen, op de schaal van deze voort te

leven, zich uit te breiden en voortreffelijk te gedijen, want de krab

voert haar mede op al haar tochten door het water en stelt haar dus, op

die wijze, in staat, om een veel ruimere keuze te doen uit de

lekkernijen, die de zee oplevert, dan het geval zou zijn, als zij aan

een vaste plaats gebonden was. Vandaar dan ook, dat de beide getrouwen,

na een gedwongen echtscheiding, steeds weer, op alle manieren, tot een

gelukkige vereeniging trachten te geraken. Wij hebben hier te doen met

een geval van de zoogenaamde „_symbiose_” (samenleving), waardoor men

verstaat: het samenleven van twee verschillende wezens, tot onderlinge

hulp en wederzijdsch nut, een verschijnsel in de natuur, waarvan wij, in

den loop van onze volgende beschouwingen, nog andere merkwaardige

voorbeelden zullen ontmoeten.

De wolkrab behoort ook weer tot de familie der ~rugpootkrabben~ en is

verwant aan de dorippe van fig. 3. Doch zij onderscheidt zich daardoor,

dat het geheele lichaam, behalve de punten der scharen, met wollige

haren bedekt is, waarvan haar naam afgeleid is. De kleur is bruinachtig,

die der scharen licht roodachtig, de lengte van het dier bedraagt 6-8

centim. Men vindt het in Europa, van de Middellandsche zee tot aan het

Engelsche kanaal.

Het dier, dat op den voorgrond van onze plaat over den zeebodem

voortkruipt, is de ~gewone sprinkhaankreeft~ (_Squilla mantis_), fig. 8,

die niet tot de krabben behoort, doch tot de eigenlijke ~langstaartige~

kreeften. Op het eerste gezicht doet hij inderdaad meer aan een soort

sprinkhaan, vooral aan de biddende vangsprinkhaan (_Mantis_), denken,

naar welken hij genoemd is.

Deze kreeft is zeker wel één der avontuurlijkste vormen van deze

verzameling en tevens één der merkwaardigste wonderen uit de geheele

dierenwereld der Middellandsche zee. Hij is een echt roofdier, tamelijk

groot (18 centim. lang), dat uitsluitend in de warme zeeën voorkomt. Het

lichaam is lang uitgerekt, met een dik achterlijf, dat veel langer is

dan het kopborststuk, welk laatste den vorm heeft van een bijna

vierhoekige plaat. De staartvin is bijzonder groot en de voorste deelen

van het achterlijf, alsmede de drie achterste ringen van het

kopborststuk blijven vrij en zijn dus beweeglijk. De vijf eerste paren

ledematen staan bijeen rondom den mond en deze noemt men dus

~mondpooten~; het voorste paar gelijkt op voelers, het tweede paar is

eigenaardig gebogen, als bij een sprinkhaan, en vormt een paar geweldige

roofpooten voor het grijpen van den buit. Het voorste lid van deze

pooten is kamvormig getand en de kreeft bedient zich daarvan tevens, om

het lichaam te reinigen. De binnenste sprieten bestaan uit 3 leden en

eindigen in 3 zweepdraden, de buitenste sprieten hebben aan haar voet

een lange schub. De oogen staan tamelijk ver naar voren, op steeltjes

geplaatst. Men zegt, dat het vleesch van dezen kreeft zeer goed smaakt.

Kon geen der voorgaande dieren op het bezit van uiterlijke

bekoorlijkheden bogen, zoo is er toch één lid van dit wonderlijke

gezelschap, in fig. 4 voorgesteld, dat werkelijk, in haar soort, een

schoonheid mag heeten en dat dan ook genoemd is naar de schoone Galatea

in de Grieksche fabelleer, een zeenimf, dochter van Nereus en Doris,

voor welke de éénoogige reus, de cycloop Polyphemus, een ongelukkige

liefde had opgevat. Het is de ~Galatea~ of ~porseleinkrab~ (_Galatea

strigosa_), een dier van de grootte van een rivierkreeft, dat in de

Middellandsche en Noordzee leeft en daar nog op aanzienlijke diepten

aangetroffen wordt, want men heeft reeds exemplaren opgehaald van

diepten van meer dan 4000 meters.

Het is een fraai dier, roodachtig van kleur en met blauwe lijnen

geteekend, een schoonheid, die echter niet volkomen tot haar recht komt,

daar deze zeenimf, in tegenstelling van haar blanke naamgenoote uit de

fabelleer, over het geheele lichaam sterk behaard is en daartusschen

steeds vuil achterblijft. Deze kreeft heeft buitengewoon groote voorste

schaarpooten, terwijl het laatste paar pooten juist zeer klein is. De

buitenste sprieten zijn buitengewoon lang en dun. Het kopborststuk is

langwerpig eirond en vertoont sterke dwarse groeven. Het achterlijf kan

daaronder omgeslagen worden, waardoor dit dier nadert tot de krabben,

waar zulks blijvend het geval is en waarmede wij nu kennis zullen

maken.

[Afbeelding: VIII.]

Uit de dierenwereld van het water Schetsen in woord en beeld van het lever der lagere diersoorten · 第 55 / 92 题