Opnieuw staan wij hier voor een levendig tooneel uit den oceaan, het
spel der zee van de gepantserde roofridders, waarvan de acteurs evenzeer
uitmunten door zonderlinge vormen en bijzondere kleuren, als door de
waarde, die zij hebben voor den verwenden gastronoom, wegens de, het
gehemelte en den smaakzin streelende eigenschappen, die het vleesch van
de meesten hunner kenmerkt. Overigens is het ook weer een tooneel,
waarvan elke bezoeker van het aquarium, rustig en op zijn gemak, ver van
den grooten waterplas en zonder kans te hebben op zeeziekte, kan
genieten.
Ook thans worden wij weer verplaatst in de wereld der =schaaldieren=,
ditmaal echter uitsluitend in die van de eigenlijke =kreeften= of
=tienpootigen=, die allen 5 paren borstpooten bezitten. Het is een
uitgelezen gezelschap, zoowel wat het zonderlinge uiterlijk, als de
avontuurlijke levensgewoonten betreft. Daar deze dieren echter neven en
nichten zijn van de ~rivierkreeft~ op Plaat II en wij, bij die
gelegenheid, reeds het een en ander over de familie-aangelegenheden der
kreeften verteld hebben, kunnen wij ons hier, wat de organisatie dezer
dieren betreft, verder tot eenige, nog niet vermelde, wetenswaardigheden
bepalen.
Wij willen, in de allereerste plaats, kennis maken met den reus van zijn
geslacht, die tevens bij alle fijnproevers het meest gewaardeerd en in
tel is, wegens zijn heerlijk vleesch, en als lekkernij voor de meest
verwende magen, namelijk: den ~zeekreeft~ of ~hommer~ (_Homarus
vulgaris_, Duitsch: _Hummer_, Fransch: _homard_), die in fig. 7
afgebeeld is. Hij is in het aquarium een bekende gast, dien men aldaar,
op zijn gemak, in zijn doen en laten kan bespieden en die er
verscheidene jaren in leven kan gehouden worden.
Het dier is dikwijls 60 centim. lang, voorzien van geweldige scharen,
die breeder zijn dan een menschenhand en de buitenste sprieten
overtreffen zelfs het lichaam in lengte. Zijn kleur is bijna gelijk aan
die van den rotsachtigen bodem der zeeën, waarin hij leeft, hetgeen er
in hooge mate toe bijdraagt, om hem onzichtbaar te maken bij zijn
geliefkoosd verstoppertje spelen en zich te verbergen voor vijanden en
buit. Het kopborststuk is geelachtig bruin, met witte en blauwgrijs
gemarmerde vlekken, de pooten zijn blauw, evenals de staartvin, de
sprieten rood, de oogen glinsterend zwart. Evenals de rivierkreeft,
wordt ook de zeekreeft bij het koken rood, waarvan op bladz. 27 de
verklaring gegeven werd.
Langs onze kusten komt de zeekreeft slechts zelden en bij toeval
verdwaald voor; zijn eigenlijk gebied is dat gedeelte van de Noordzee,
dat zich langs de vlakke, rotsachtige kusten van Noorwegen, Engeland en
Frankrijk uitstrekt, van den poolcirkel tot de Middellandsche zee.
Aldaar vindt hij, in spleten en holen, voldoende schuilplaatsen om zich
te verbergen, hetgeen langs onze kusten niet het geval is. Men vangt
deze dieren in manden of in trechtervormige netten, die van aas: rottend
vleesch, kikvorschen of jonge vischjes, bijv. van de dorsch, voorzien,
aan de kusten uitgezet worden, ’s Nachts kruipen zij daarin, om hun
vraatzucht bot te vieren, maar daar zij zeer wantrouwend en listig van
aard zijn, handelen zij daarbij steeds met de grootste voorzichtigheid
en nemen eerst van alles terdege poolshoogte, vóór zij ten slotte toch
in den val loopen. In de Oostzee komt de zeekreeft niet voor.
De vangst is van veel belang, want de zeekreeft vormt, als gezochte
delicatesse, een belangrijk handelsartikel en daar het dier lang buiten
het water in leven kan blijven, kan het gemakkelijk levend naar de
verste plaatsen verzonden worden.
Reeds in de oudheid gold als regel, dat de kreeften het best zijn in de
vier zomermaanden, hetgeen uitgedrukt werd door het rijmpje:
Mensibus, in quibus R
Non bonus est Cancer.
dat is: „in de maanden, waarin een R voorkomt, is de kreeft (Cancer)
niet goed.” Toch wordt hij juist in den winter het meest gegeten.
Merkwaardig is het, dat in de 18^e eeuw in ons land zoo verbazend veel
kreeften gegeten werden, althans Baster bericht, dat er alleen in de
stad Zierikzee, de eenige haven in de republiek voor dezen handel, niet
minder dan 13 „kreefthaalders” waren, schepen, die naar Noorwegen en
Zweden voeren, om kreeften te vangen en dat er jaarlijks niet minder dan
624000 van deze dieren aangevoerd en naar de naburige provinciën, vooral
Holland en Brabant, verzonden werden.
De zeekreeft is, wat zijn karakter en levensgewoonten betreft, het
waardig evenbeeld van zijn kleiner neefje: den rivierkreeft. Evenals
deze, is hij listig en wantrouwend van inborst en éénzelvig van natuur,
zoodat hij leeft als een kluizenaar. Nooit zal hij zijn buit met open
vizier vervolgen, doch zit hij arglistig te loeren in rotsholten of
tusschen planten, en slingert van daar zijn geweldige scharen, met
merkwaardige behendigheid, over de voorbijzwemmende dieren van allerlei
aard. Want hij is een geboren roover, in merg en been, die bijna niets
versmaadt en zelfs het aas reeds op verren afstand ruikt, want het
reukorgaan, dat, gelijk wij zagen, in de basis van de binnenste, kleine
sprieten zetelt, is zeer sterk ontwikkeld, zooals trouwens bij alle
kreeften en krabben. Ook het gehoor is zeer scherp en dat alles komt
hun, bij hun onophoudelijke rooftochten, uitnemend te stade.
De zeekreeft is zeer gehecht aan zijn eigen jachtgebied en daar duldt
hij geen enkelen mededinger. Hij verlaat zijn schuilplaats slechts noode
en hij verdedigt die, zooals men in het aquarium dikwijls kan bijwonen,
nadrukkelijk en hardnekkig tegen alle mogelijke concurrenten en
indringers van zijn eigen familie. Alleen tijdens de vervelling, die
meestal in Juli plaats heeft, wordt deze verwoede vechtersbaas
buitengewoon tam, en mak als een lam; moedeloos en onbeschut ligt dan
deze geweldige held, nu ongepantserd en naakt, angstig en roerloos in
zijn hol. Hij is dan als aan de heidenen overgeleverd, want men heeft in
het aquarium waargenomen, dat hij dan, ook aan kleine dieren, niet het
minste respekt meer inboezemt, doch met goed gevolg door dezen bestookt
wordt, ja zelfs, dat de vischjes hem dan de sprieten en oogen van den
kop eten, zonder dat hij er iets tegen kan inbrengen.
Merkwaardig is ook het sterk ontwikkelde „herstellingsvermogen” van
dezen en andere kreeften, zoodat afgebroken ledematen weer aangroeien.
Bij elke vervelling komt er dan weer een stuk bij en dit is de reden,
dat men zoo dikwijls zee- en rivierkreeften vindt, met scharen of pooten
van tweeërlei grootte. De beweging van den kreeft op het land is zeer
onbeholpen en het gaat dan, met recht, den „kreeftengang” en wel in
schuine richting.
De paring van deze dieren heeft in April plaats en de eieren, meer dan
12000 in getal, worden door het wijfje in Juni gelegd, doch zij blijven
dan nog tot September aan de aanhangsels van het achterlijf bevestigd.
Dan komen de jongen of larven uit, die in uiterlijk zeer van het
moederdier verschillen, zooals wij in fig. 8 zien, waar de larve van den
zeekreeft voorgesteld is. Daaruit blijkt, dat het achterlijf nog weinig
ontwikkeld is, terwijl de voortbeweging geschiedt door de, nog
gespleten, roeipooten van het kopborststuk. Doch de jeugdige diertjes
hebben een veel opgewektere natuur dan het brommige ouderpaar; zij
voeren een vroolijk bestaan en zwemmen dikwijls, in gansche scharen,
lustig rond in de bovenste lagen van het water, waar zij echter hun
onnadenkendheid bij die onbezonnen uitstapjes dikwijls met den dood
moeten bekoopen, want zij worden te vuur en te zwaard vervolgd door
allerlei roofvisschen. Daarom blijven zij dan ook in de eerste
levensmaanden, vooral als er gevaar dreigt, nog veel in de buurt en
onder de hoede van mama; telkens snellen zij naar haar terug en
verschuilen zich onder haar staart, zooals onze kleintjes achter de
rokken der moeder. Eerst na vele maanden, na de vijfde vervelling,
nemen zij den vorm van het moederdier aan en daarmede ook haar
teruggetrokken, éénzelvige natuur en haar kluizenaarsgewoonten in de
diepten van het water.
* * * * *
In de Middellandsche zee, waar de gewone zeekreeft ontbreekt, wordt haar
plaats ingenomen door het vreemdsoortige heerschap, dat wij op fig. 2
van de plaat op zijn ochtendwandeling zien, namelijk: de ~langoeste ~
(_Palinurus vulgaris_). Dit fraaie dier, dat bijna even groot wordt als
de zeekreeft, namelijk: 30 tot 50 centim. lang en 4 tot 7 kilogram
zwaar, wiens vleesch door kenners op bijna even hooge waarde wordt
geschat als dat van zijn confrater in de Noordzee, mag met recht een
hoofdsieraad van onze aquaria heeten. De kleur is roodachtig violet tot
purperbruin, met doffe witte vlekken, de pooten zijn roodachtig wit met
roodbruine strepen. Hij leeft van kleine schelpdiertjes, slakken en
zeepokken (zie bladz. 55), wier huisjes hij behendig, als noten, weet te
kraken. Hij is niet slechts veel opgewekter van inborst, doch ook veel
vredelievender van natuur dan de vechtlustige brombeer uit het noorden.
Daarop wijst ook het geheele uiterlijk van het dier. De geweldige
wapens, die onze zeekreeft noodig heeft voor zijn geweldigen strijd om
het bestaan, ontbreken hier volkomen; aan geen der 5 borstpooten
bevinden zich scharen, doch alleen een klauwvormig eindlid. Destemeer
deed zich dus de behoefte gevoelen aan een doeltreffend beschermend
pantser, ter verdediging en verweer. En dit laat dan ook niets te
wenschen over, want het geheele kopborststuk is met scherpe stekels
bezet, zoodat een vijand zich wel tweemaal zal bedenken, eer hij hem te
lijf gaat. Bovendien heeft het kopborststuk aan den voorrand twee groote
stekelige en harde uitsteeksels, die als basis dienen voor de
bevestiging van het buitenste paar sprieten, welke naar achteren
omgebogen en langer dan het lichaam zijn. Deze sprieten zijn tevens
uitstekende en stevige stangen, bij het pareeren van aanvallen. De
binnenste sprieten zijn veel dunner. Door het wrijven van het onderste
lid der sprieten tegen de groote stekelige basis kunnen deze dieren een
knarsend geluid voortbrengen, wellicht als middel tot afschrikken van
den aanvaller.
De larven van de langoeste zijn dieren van wonderlijken vorm, wel
eenigszins gelijkend op een zeespin (fig. 4). Zij wijken zoozeer van het
volwassen dier af, dat men ze vroeger voor geheel andere dieren hield en
zij tot een eigen familie: de ~bladkreeften~ (_Phyllosomae_) gebracht
werden. Ook hier heeft de studie der ontwikkelingsgeschiedenis, evenals
bij de rankpootige kreeften (zie bladz. 54) ons de ware natuur van dit
raadselachtig wezen geopenbaard. Het is bladachtig dun (vandaar de
vroegere naam), volkomen doorschijnend en uiterst teer; het platte
lichaam is in twee hoofdafdeelingen verdeeld en daar de pooten zeer lang
en dun zijn, gelijkt het dier, bij oppervlakkige beschouwing, zeer veel
op een reusachtige, griezelige kruisspin. Toch bezit ook zelfs dit
afzichtelijke wezen een schoonheidsmerk: zijn prachtige, hemelsblauwe
oogen, die op zeer lange stelen bevestigd zijn. Deze bladkreeften leven
in de diepe zee, waar de stroom sterk is en zij vertoonen zich vooral ’s
avonds.
* * * * *
En nu iets over het meest bekende en populaire kreeftje voor het groote
publiek, onze oude, trouwe ~zeegarnaal~ of ~zandgarnaal~ (_Crangon
vulgaris_), fig. 3, een diertje, dat in sommige gedeelten van ons land
„ontwoekerd aan de baren” zoo algemeen is en in zulke massa’s gevangen
wordt, dat het, in zekere tijden van het jaar, bijna een volksvoedsel
geworden is. En het wordt zooveel verzonden, dat men, om dit dier te
kennen, zelfs nooit de zee behoeft gezien te hebben, terwijl het ook in
elk zee-aquarium in menigte te zien is.
In vorm en uiterlijk gelijkt de garnaal veel op een kreeft in ’t klein,
maar het is een veel opgewekter en gemoedelijker diertje. Het geheele
lichaam is glad, alleen op het kopborststuk bevinden zich drie stekels;
overigens heeft de garnaal ook 5 paren lange pooten, met zeer onvolkomen
scharen aan het voorste paar, een krachtig achterlijf met leden, waarin
zich een zeer smakelijke spiermassa bevindt en dit achterlijf is
eigenlijk het eenige, wat wij van de garnaal eten, waartoe wij het
achterlijfspantser er bij de staartvin aftrekken. De sprieten zijn
buitengewoon lang en de buitenste bestaan wel uit 130 geledingen; de
oogen zijn zeer duidelijk zichtbaar, op steeltjes bevestigd. Aan de
leden van het achterlijf bevinden zich talrijke aanhangsels voor het
zwemmen en voor het bevestigen van de kuit, terwijl het laatste lid in
een soort staart, met vier platte, vinvormige aanhangsels, eindigt, die
krachtdadig meewerken bij het zwemmen. De lichaamsbekleeding is dun,
hoornachtig doorschijnend, licht grijsachtig bruin of eenigszins
groenachtig van kleur. Deze wisselt echter zeer af, in verband met den
bodem, want de kleur dient dezen dieren als een uitstekend beschermend
middel, daar zij bijna niet te onderscheiden is van den zandigen bodem
der vlakke kusten, waarin het dier zich bovendien behendig in onder weet
te graven en bijna volkomen te verbergen. De kleur wordt, bij het koken,
niet zoo rood als die van de kreeften; die van de Noordzee-garnaal
blijft bleekrood, de Zuiderzee-garnaal wordt fraai zalmrood.
Overigens zijn de garnalen geheel andere diertjes dan de stugge,
éénzelvige kreeften. Het is een monter en opgewekt volkje, vol leven en
beweging, waarbij zij elkaar meestal in dichte drommen gezelschap
houden. Nu eens is het, alsof zij, met eleganten pas, op haar dunne
pooten steltloopen, dan weer glijden zij, als ’t ware, zwevend door het
water en, bij het opschrikken, doen zij plotseling een geweldigen slag
met het gespierde achterlijf en vliegen pijlsnel weg naar de diepte. Bij
dat ontvluchten is de doorschijnendheid van het lichaam een groote
beschermende factor, want men ziet de diertjes nauwelijks onder het
zwemmen en zelfs in de zon werpen zij geen schaduw. Verder hebben zij
zeer scherpe zintuigen, zijn steeds waakzaam, oplettend, ja zelfs
nieuwsgierig, ook om dierlijk voedsel van allerlei aard te bemachtigen.
Klein, maar dapper, als zij zijn, weten zij dat zelfs aan haar loggen,
reusachtigen achterneef, den zeekreeft, afhandig te maken en zijn
gevreesde slagen weten zij allerbehendigst te ontwijken. Dit neemt
echter niet weg, dat zij, bij duizenden en duizenden, aan allerlei
roofvisschen ten offer vallen en niet het minst aan de roofzucht van den
mensch, die ze, bij milliarden tegelijk, met zijn vernuftig ingerichte
netten, als ’t ware slechts uit den grooten waterplas heeft op te
scheppen.
Gelukkig bestaat er echter nog geen gevaar voor uitsterven van deze
geliefkoosde delicatesse, want de vruchtbaarheid dezer diertjes grenst
aan het ongelooflijke en de wijfjes zijn bijna gedurende den ganschen
zomer tusschen de buikpooten met ontelbare eitjes, de kuit, bezet. De
garnaal komt langs de meeste kusten van Europa algemeen voor, vooral op
zandigen of slibachtigen bodem, binnen het gebied van eb en vloed en
vooral aan onze kusten worden zij in onnoemelijke massa’s gevangen, ook
onder den naam „~gornaat~” of „~gernaat~” (Zeeland en Friesland).
* * * * *
Zeer na verwant aan de garnaal is de zoogenaamde ~steurkrab~ (_Palaemon
squilla_) van fig. 1, die ook uiterlijk veel op de garnaal gelijkt, doch
iets grooter is en er zich van onderscheidt door een scherpen,
beenachtigen, zaagvormig getanden kam op den kop, tusschen de oogen. Ook
deze soort heeft een zeer smakelijk vleesch, doch wordt bij het koken
rooder dan de garnaal. In de provincie Zeeland komen deze dieren in de
zee en in het brakke water van de Schelde in groote menigte voor en
verder worden zij in alle Europeesche zeeën, ook in de Oostzee,
aangetroffen.
* * * * *
In de warmere zeeën, vooral in de Middellandsche zee, komt nog een ander
soort van garnaal voor, die in fig. 5 afgebeeld is, namelijk: de
~zweepgarnaal~ (_Penaeus_), aldus genoemd naar de zweepvormige
aanhangsels aan den achterrand der vier voorste paren pooten, die nog
een overblijfsel zijn van de gespleten borstpooten der larve. De
achterste pooten zijn korte stompjes, het kop-borststuk heeft, ter
verdediging, een langen, zaagvormigen kam. Het dier wordt veel grooter
dan onze gewone garnaal, namelijk 25 centim.; het graaft zich aan de
kusten in het zand.
* * * * *
Ook de vreemde snuiter van fig. 6 is voornamelijk in de Middellandsche
zee te huis. Het is de ~berenkreeft~ (_Scyllarus latus_), een traag
dier, 30 centim. lang, met een verre van innemend uiterlijk, en een
lichaam, dat met vuil en kiezelwieren bedekt is. Het bewoont rotsachtige
plaatsen aan de kusten en verschuilt zich in de holten daarvan. Het
kopborststuk is plat en breed, bijna vierhoekig, de buitenste sprieten
hebben geen voeldraden, doch een bladachtig verbreed aanhangsel. De
oogen, die slechts kortgesteeld zijn, nemen al een zeer zonderlinge
plaats in, daar zij bijna uit den rug ontspringen. Een kleinere soort,
die levendiger van aard is, vindt men niet zelden in aquaria.
* * * * *
Dan ligt eindelijk onderaan, op den voorgrond, nog een grootere kreeft,
met een veel gedistingeerder uiterlijk dan de vorige, ja, die zelfs op
zekere schoonheid kan bogen, namelijk: de ~nephrops~ (_Nephrops
Norwegicus_), fig. 9, die hoofdzakelijk aan de kusten van Noorwegen
leeft en daar veel gevangen wordt, wegens zijn smakelijk vleesch. Het is
een zeer fraai dier, dat op een grooten rivierkreeft gelijkt, doch in
alle deelen veel slanker en sierlijker van bouw is, wat meer zegt: voor
een kreeft zelfs een zekere gratie ten toon spreidt. De kleur, ook van
het levende dier, vooral die van de scharen, is prachtig rood en de
laatsten zijn wel groot, doch sierlijk en slank. De oogen zijn bijzonder
groot en de buitenste sprieten dun en lang. Ook in de Adriatische zee
komt deze fraaie kreeft veel voor, vooral in de buurt van Triëst en
Fiume, waar hij ook aan de markt komt.