EEN MERKWAARDIG DRIEMANSCHAP VAN DEN ZEEBODEM.

Een klein, doch uitgezocht gezelschap hebben wij het genoegen, hier aan

den lezer voor te stellen, slechts drie leden sterk en die allen tot de

hoofdgroep der =gelede dieren= en wel tot de laagste klasse van dezen:

de =schaaldieren=, behooren. Zij zijn dus naaste familie van de vroeger

behandelde ~kreeftachtigen~ (zie bladz. 5 en 32). De kennismaking met

deze drie zonderlinge wezens zal ons, voor ditmaal, naar den bodem der

zee voeren, want zij zijn allen echte liefhebbers van het zilte nat. Wel

is het echter een bijzonder soort van schaaldieren, waartoe dit

driemanschap behoort en zij munten niet zoozeer uit door schoonheid, als

door de hoogst eigenaardige, men zou bijna zeggen, „excentrieke”,

levensgewoonten, die zij allen hebben.

Beschouwen wij dan vooreerst het gezellig groepje bovenaan op de plaat,

die tegelijk ook bovenaan staan, wat de zonderlinge hebbelijkheden in

hun levenswijze betreft, want deze dieren vatten hun bestaan in die mate

van den humoristischen kant op, dat zij, hun geheele leven lang, aan een

langen steel bevestigd, op hun hoofd staan en, het ondersteboven

gekeerd, naar beneden hangen. Dit dier is de ~eendenmossel~ (_Lepas

anatifera_), fig. 1, niet te verwarren met de echte mossel van dien

naam, die tot de schelpdieren behoort en verwant is aan de vijvermossel

van onze eerste plaat. Doch de dieren van fig. 1 zijn geen mossels,

zelfs in ’t geheel geen weekdieren, doch gelede dieren.

De onjuiste benaming is eigenlijk te danken aan een dubbele dwaling.

Vooreerst meende men vroeger ten onrechte, dat dit dier werkelijk tot de

mossels behoorde, omdat het, in volwassen staat, binnen een soort van

schelp besloten is. En in de tweede plaats werd het dier, reeds eeuwen

geleden, door visschers en matrozen zoo genoemd, daar zij in hun bekend,

fantastisch „matrozenlatijn”, het volgende verhaal aan de goedgeloovige

menschheid in het vaderland opdischten. Deze geheimzinnige knoppen, die

aan wrakhout van schepen of, zooals op de figuur, aan overhangende

rotsen met lange, roode stelen bevestigd en in een blauwachtig omhulsel

besloten, dikwijls in gansche bosjes in de zee afhangen, terwijl uit de

schelp lange, harige, voortdurend trillende pootjes naar buiten

uitsteken, zouden tot het ontstaan van een soort van eenden, de

rotganzen, aanleiding geven. Uit het rottende wrakhout zouden eerst

wormen ontstaan, met schelpen bedekt, die langzamerhand met veeren

bekleed werden en ten slotte in rotganzen overgingen. Vooral de

veervormige pootjes gaven tot dit bijgeloovige sprookje aanleiding.

Dit alles is natuurlijk onzin en het nuchtere onderzoek, vooral van de

interessante ontwikkelings-geschiedenis van dit dier, heeft geleerd, dat

men hier met niets anders te doen heeft dan een soort van lagere

kreeften, dus met ~gelede dieren~, en niet met mossels. De wriemelende,

schijnbaar beveerde pootjes stellen de rankvormig vertakte ledematen

voor, die insgelijks geleed zijn, zooals bij alle gelede dieren, en die

voortdurend in beweging zijn, om versch water, met zuurstof voor de

ademhaling en met voedsel, naar zich toe te roeien. Daarom worden deze

kreeftachtigen „~rankpootigen~” genoemd.

Wij willen nu eens even den merkwaardigen levensloop van dit zonderlinge

wezen nagaan. Uit het ei ontstaat niet dadelijk de gewone eendenmossel,

met hare gezeten levenswijze, doch een larve, die, frank en vrij, lustig

door het natte element rondzwemt en een ingrijpende gedaanteverwisseling

ondergaat. In den aanvang nu ziet deze er precies zoo uit als de larve

van een kreeft en als men het niet beter wist, zou men zweren, dat het

een in wording verkeerende, echte kreeft is. Het jeugdige dier heeft dan

2 paren sprieten, evenals alle kreeften, op het midden van het

voorhoofd een oog en drie paren gelede roeipooten. Doch het merkwaardige

van het geval is nu, dat deze beweeglijke, jeugdige spring-in-’t veld,

die schijnbaar bestemd was tot iets groots en edels, zooals de kreeft

is, op lateren leeftijd, als had hij zich bedacht, zich niet slechts

niet verder meer ontwikkelt, zooals elk behoorlijk dier betaamt, doch

zelfs in ontwikkeling ~achteruitgaat~, in verband met zijne, alsdan

zittende, levenswijze.

Op een goeden dag bekruipt der vroolijke zwemster de lust tot een

levenslange rustkuur, die noodzakelijk, zooals overal, tot teruggang,

tot degeneratie moet leiden. Daartoe gaat zij eerst op haar hoofd staan

en ontwikkelt, uit een klier bij de sprieten, een soort van lijm,

waarmede zij zich aan een stuk hout of een rots, soms wel aan de dikke

huid van een walvisch, in dien omgekeerden stand vastlijmt, waarna dat

vastgelijmde gedeelte tot een dikken steel uitgroeit. In de drukte van

een, daarop volgende, vervelling verliest het dier nu ook zijn eenige

oog en het, thans ongelede, lichaam scheidt aan de buitenzijde een

kalkachtige schaal af, die uit 5 stukken bestaat. Deze vormen een soort

van zak, met een spleet aan de voorzijde, waaruit de rankvormig vertakte

aanhangsels van de pooten, thans tot 6 paren vermeerderd, naar buiten

gestoken kunnen worden. Het laat zich dus wel verklaren, dat men de

eendenmossel, in dezen volwassen staat, vroeger voor een schelpdier

gehouden heeft.

De soort, die in fig. 1 op natuurlijke grootte afgebeeld is, komt in

alle Europeesche zeeën, behalve de Oostzee, voor. Andere soorten, die in

den oceaan leven, hebben soms stelen van 2 meters lang.

Een niet minder excentriek wezen neemt het middenterrein van onze plaat

in. Ook dit dier behoort tot de kreeftachtige familie, die men

„~rankpootigen~” noemt en is dus broertje en zusje met degenen, die

boven zijn hoofd hangen, hoewel men dit zeker, op het eerste gezicht,

niet zou denken. Het is de ~zeepok~ of ~zeetulp~ (_Balanus

tintinnabulum_), fig. 2, insgelijks een zeedier, met even romantischen

levensloop als de eendenmossel. Ook hier zwemt de larve vrij en frank

in het water rond en in dien tijd komt haar ware natuur, als geleed

dier, uit door het bezit van 3 paren ~gelede~ roeipooten en van oogen,

en door de verdere gelijkenis met een jeugdigen kreeft.

Doch dan komt ook hier de behoefte aan rust weer boven, en, in verband

daarmede, de teruggang der ontwikkeling. De volwassen larve hecht

zich--hier echter zonder steel--vast op schelpen, krabben, steenen,

drijfhout, aan schepen enz. en nu gaat, als gevolg van de zittende

levenswijze, het karakter als geleed dier weer geheel verloren. Het

omringt zich met een min of meer kegelvormige kalkschaal, uit 6 stukken

bestaande, die met getande randen in elkaar sluiten, benevens een

deksel, dat uit twee sluitstukken bestaat en waaruit men, bij één der

dieren van fig. 2, de rankvormige pooten naar buiten ziet komen. Wegens

het aaneensluiten dezer schelpstukken, die zich als de bekende

„pok”-vormige verhevenheden op oesters, mossels, enz. voordoen, kunnen

deze kreeftjes zich, ook zelfs bij de felste zonnehitte, in hun koele

woning terugtrekken en zich tegen uitdrogen beschutten. Men vindt ze

allerwegen aan de Europeesche kusten. Andere soorten: de

~walvischpokken~, leven op de huid van den walvisch.

En nu ten slotte het derde lid van ons driemanschap, en zeker niet het

minst avontuurlijke en fantastische van het geheele gezelschap. Op den

bodem der zee liggen twee exemplaren van één der zonderlingste wezens,

waarvan de natuurlijke historie gewaagt. Fig. 3 is een jeugdig en fig. 4

een volwassen exemplaar van den ~zwaardstaart~ of ~rogkreeft~ (_Limulus

polyphemus_), dus ook weer een kreeftachtig dier, doch dat in geheel

andere streken tehuis is dan de beide voorgaande, namelijk aan de vlakke

kusten van Noord-Amerika, Florida en de Antillen, terwijl een andere

soort van hetzelfde geslacht, de ~Moluksche krab~ (_Limulus

moluccensis_), die ook in het Aquarium van Artis te Amsterdam te zien

is, in onzen Oost-Indischen archipel en aan de oostkust van Azië

inheemsch is en aldaar, onder den naam van ~mimi’s~, evenals hare

eieren, wel gegeten wordt.

Deze dieren wekken bij elken bezoeker van een aquarium steeds de

levendigste belangstelling en de grootste verbazing. En daarvoor is alle

reden; als wij zulk een fantastisch wezen op den bodem van het aquarium

zien liggen, dan komt het ons voor als een verschijning uit de

vóórwereld, als een overblijfsel eener lang vervlogen periode der

aardgeschiedenis, dat men, bij de groote opruiming der vóórhistorische

wezens, over het hoofd heeft gezien en dat nu, te midden van ons, late

nakomers van dien oertijd, nog zijn bestaan voortsleept. Trouwens: het

dier is inderdaad nauw vermaagschapt aan een soort van kreeftachtigen,

die in den oudsten oertijd van het leven: de Cambrische formatie, in de

toenmalige zeeën een soort van wereldheerschappij uitoefenden, of

althans, wat menigvuldigheid betreft, aldaar den boventoon voerden,

namelijk: de _trilobieten_. Deze worden zoo genoemd naar het, in drie

overlangsche lobben verdeelde, gelede lichaam, waarvan, vooral in de

aardlagen van Bohemen, tallooze versteeningen bewaard zijn gebleven en

waarop het jeugdige dier van fig. 3 bijna sprekend gelijkt.

Overigens bestaat er ook een zekere verwantschap tusschen den

zwaardstaart en vele andere gelede dieren, want zijn organisatie vormt

een waar mengelmoes van kreeftachtigen, spinachtigen, schorpioenen enz.

Het dier heeft een lengte van 36 centim. tot 1 meter en zijn lichaam is

met twee groote schilden bedekt; het voorste en grootste ligt over het

kopborststuk, is halvemaansvormig en eindigt aan elk der beide hoeken

met een stekel; met dit borstschild is het kleinere, achterste,

zeshoekige schild door een rechtlijnig gewricht verbonden en ter zijde

is het van tanden en stekels voorzien. Met het achterste schild is de

„zwaardstaart”, een lange, beweegbare staartstekel, door een geleding

verbonden. Hij dient niet slechts als geducht wapen, doch ook als

hefboom, die in werking gesteld wordt, om zich om te keeren, als het

dier op den rug komt te liggen.

De mond ligt tamelijk ver naar achteren en onmiddellijk in de nabijheid

daarvan bevinden zich 6 paren spinachtige pooten, die met scherpe

stekels bezet en van scharen voorzien zijn, daar zij, behalve voor het

kruipen en het grijpen der prooi, tevens als kaken dienst doen. Sprieten

ontbreken, doch het voorste paar pooten komt feitelijk overeen met de

~kaakvoelers~ der spinnen (zie blz. 46). Het achterlijf draagt aan de

onderzijde 5 paren korte zwempooten, waaraan ook de groote bladvormige

kieuwen bevestigd zijn. Deze zwempooten, alsmede de staart, ontbreken

nog bij de jonge dieren.

Men verzuime vooral niet, om bij dezen hansworst van het aquarium eens

een bezoek af te leggen. De dieren, door hun pantser beschut, kruipen

daar langzaam over den bodem voort, waarbij zij--om zoo te

zeggen--onhoorbaar op de toppen van de teenen rondsluipen, want alleen

de uiterste puntjes van de pooten raken den grond aan. Zij zoeken dan op

den bodem naar allerlei dierlijken buit, dien zij met de scharen vangen

en in den mond steken. Dikwijls liggen zij ook, half in het zand

weggegraven, onbeweeglijk op den bodem; somtijds zwemmen zij wel eens

vrij rond of klauteren, met allerlei onbeholpen bewegingen, tegen de

rotsen op. Daarbij vallen zij dan echter meestal naar beneden en komen

dan gewoonlijk op den rug terecht. Het is grappig te zien, hoe zij dan,

dikwijls urenlang, de potsierlijkste bewegingen met den staartstekel en

de pooten maken, bij hun wanhopige pogingen, om de zaak weer „op haar

pooten” terecht te doen komen.

[Afbeelding: VI.]

Uit de dierenwereld van het water Schetsen in woord en beeld van het lever der lagere diersoorten · 第 51 / 92 题