LEVEN EN BEDRIJF IN VIJVERS EN ZACHT VLIETENDE WATEREN.

Hier worden wij nogmaals verplaatst in het gebied van het zoete water,

in vijvers of zachtvlietende beekjes, waar zich het leven en bedrijf van

zeer uiteenloopende diervormen weer op interessante wijze afspelen.

Reeds dadelijk valt ons oog op een hoogst zonderling gebouwd wezentje,

dat, in den linker bovenhoek van onze waterpartij, tusschen waterplanten

rondzwemt (fig. 1). Dit is weer een vertegenwoordiger van de

kreeftachtigen of schaaldieren en wel: een lid van de familie der

=kieuwpootigen=, waarvan wij, op bladz. 3 reeds een nabestaande ontmoet

hebben. De ~kieuwpoot~ van fig. 1 behoort tot het geslacht _Branchipus_,

en heeft een zachte huid, zonder schaal of schild, is zeer langwerpig

van vorm, melkwit van kleur en bezit een duidelijken kop, met twee

samengestelde, gesteelde oogen en twee paar sprieten. Het achterlijf

draagt geen ledematen en eindigt in twee vertakte, beweegbare

aanhangsels. Aan het kopborststuk daarentegen bezit het dier, in

volwassen staat, niet minder dan 11 paar roeipooten, waaraan van boven

de kieuwzakjes bevestigd zijn.

Het is een zeer curieus gezicht, als men het diertje zich door het water

ziet voortroeien; het licht dan achtereenvolgens al de paren kieuwpooten

op en doet daarbij onmiddellijk aan een miniatuur raderstoombootje

denken. Aan de buitenzijde van de beide voorste borstringen bevindt zich

een zakvormige broedruimte voor de eitjes en uit deze ontwikkelt zich

eerst een larve met slechts 3 paren pooten. Bij elke volgende vervelling

ziet deze echter het aantal harer pooten toenemen. Het diertje leeft in

stilstaande zoete wateren en komt dikwijls zelfs in menigte voor in

waterplassen, die door de zomerregens op kleiwegen gevormd worden.

In fig. 5 zien wij nog een ander schaaldier, welks aanwezigheid men hier

in den waterplas zeker allerminst zou verwachten en dat men misschien

tusschen dit gezelschap van echte waterdieren als toevallig verdwaald

zal beschouwen. Het is namelijk, gelijk wij dadelijk op het oog reeds

zien, één van die diertjes, welke antwoorden op den onkieschen naam van

„pissebedden”, en wel: de ~zoetwater-pissebed~ (_Asellus aquaticus_).

Zij komt in al onze slooten en vijvers algemeen voor en is dus de naaste

verwante van onze oude, getrouwe kelderpissebed of steenmot. En als men

de levensgeschiedenis van deze laatste kent, dan heeft ook de

aanwezigheid van haar nabestaande in het water niets onbegrijpelijks

meer.

Men wete namelijk--hoewel velen het nauwelijks zullen kunnen

gelooven--dat onze gewone pissebed eigenlijk niets anders is dan een

kreeftachtig schaaldier. Als zoodanig herkent men haar, bij nadere

beschouwing, dan ook werkelijk door haar vrij harde huid, de twee paren

sprieten, het groot aantal ledematen en .... door hare ademhaling door

~kieuwen~, bestaande uit vliezige plaatjes, waarin de ledematen van het

achterlijf vervormd zijn. Zoo hebben wij hier dus te doen met een

landdier, dat door kieuwen ademt, als ’t ware een kreeft op het droge,

een zeer curieus geval dus, maar dat volkomen begrijpelijk wordt, als

wij weten, dat ook de keldermot oorspronkelijk--lang en lang geleden, in

vóór-wereldlijke tijden--insgelijks een echte bewoner van het water was,

die eerst later, uit nood gedrongen, zijn eigenlijk element verliet en,

om zijn bestaan te redden, tegen wil en dank het land voor lief heeft

genomen, maar daar dan nu ook wel eenigszins zit als een visch op het

droge. Vandaar juist, dat hij elke omgeving, die maar eenigszins droog

is, angstvallig vermijdt en het liefst vertoeft in vochtige, met

waterdamp bezwangerde ruimten, waar zijn kieuwen vochtig blijven, dus in

kelders, onder vochtige steenen, in bloempotten enz. En brengt hij eens,

bij hooge uitzondering, een vluchtig bezoek aan onze gangen of kamers,

dan geldt dit ook als een zeldzaamheid, als een bewijs van vochtigheid

der lucht, hetgeen hem een plaats heeft verleend onder de tallooze

voorspellers van nat weer.

Doch nu zal men er zich niet langer over verwonderen, dat de pissebed

van fig. 5, die haar familielid, bij den gewichtigen stap van het water

naar het land, niet is gevolgd, zich in onzen vijver volkomen op haar

gemak gevoelt. Daar is zij juist in haar element en, daar zij de edele

zwemsport niet beoefent, doch op haar beenen door de wereld moet gaan,

maakt zij daar zelfs groote wandelingen over den bodem en tusschen de

waterplanten, want zij beweegt zich zeer gemakkelijk en snel.

Het diertje is groenachtig bruin van kleur en hoogstens 1,5 centim.

lang; de binnenste sprieten zijn zeer groot en de pooten aan de

achterste leden zijn grooter dan die aan de voorste. Van de keldermot

onderscheidt zich de zoetwater-pissebed verder nog door een langwerpiger

lichaam en door de kortere ringen van het achterlijf, waarvan alleen de

laatste zeer groot en schildvormig is. Doch ook zij heeft--zelfs nog

meer dan haar familielid in den kelder--een heiligen afkeer van alles,

wat naar droogte zweemt. Als dus in den zomer de slooten uitdrogen,

graaft zij zich zoo spoedig en zoo diep mogelijk in het slijk, om

gunstiger tijden af te wachten en bij den terugkeer van het water tot

een nieuw en beter leven te ontwaken. Hetzelfde doet zij in den winter

tot het houden van een winterslaap. Ten slotte nog iets bijzonders van

dit dier; het draagt zijn hart, althans volgens onze begrippen,

volstrekt niet op de rechte plaats of ten minste in een minder

gebruikelijk lichaamsdeel, namelijk: in het achterlijf.

* * * * *

Evenmin als pissebedden, zou men, hier in den waterplas, spinnen

verwachten en toch zien wij in fig. 3 een lid van deze klasse der gelede

dieren druk in de weer, namelijk: de ~waterspin~ (_Argyroneta

aquatica_), die algemeen in stilstaande of zwak stroomende wateren in

ons land voorkomt. Zij verraadt, in alle opzichten, door haar uiterlijk,

de familietrekken der spinnen en wel: ~vier~ paren pooten, bevestigd aan

het, uit kop en borst vergroeide ~kopborststuk~, het dikke achterlijf,

dat van achteren van ~spinklieren~ voorzien is, waaruit een vocht

afgescheiden wordt, dat in het water tot „spindraden” verhardt, en

verder nog door het gemis van sprieten, doch het bezit van twee paren,

tot monddeelen of kaken vervormde pooten: de ~kaaksprieten~, waarin een

giftklier uitmondt. Dan bezit het dier, zooals alle spinnen, vier paren

enkelvoudige oogen, die aan den voorrand van het kopborststuk geplaatst

zijn en wel: 6 vooraan in een boog en het vierde paar binnen dien boog.

De waterspin is 14 millim. lang, roodbruin van kleur, heeft een

langwerpig, gesteeld achterlijf en donkerbruine, sterk behaarde pooten.

Zij zwemt met den buik naar boven, die onder water, evenals het onderste

gedeelte van het borststuk, kwikzilverachtig glinstert, tengevolge van

de luchtlaag, die aan de talrijke haren van het achterlijf blijft

vasthechten.

De spinnen ademen echter door ~longen~ en het zijn dus feitelijk

~luchtdieren~. Het zijn dan ook alleen bijzondere bezigheden, die deze

spin in het water doen vertoeven; in weerwil daarvan is en blijft het

echter een echt luchtdier, dat, voor de ademhaling, steeds met de

buitenlucht voeling moet houden en telkens naar de oppervlakte moet

terugkeeren. Vooreerst zoekt zij haar voedsel hoofdzakelijk in het water

en overmeestert daar haren buit, uit allerlei waterinsekten en

zoetwaterkreeftjes bestaande, door flink te zwemmen en behendig tegen

waterplanten op te klimmen. Daarbij beschikt zij steeds over een

voldoenden voorraad aan lucht, die zij van de oppervlakte, tusschen de

haren van haar lichaam, ook in de buurt van de longen, heeft meegevoerd.

Maar bovendien heeft deze spin in het water nog een ander interessant

werkje te verrichten, dat in verband staat met de zorg voor de

nakomelingschap. Waterspinnen zijn niets meer of minder dan fabrikanten

van duikerklokken. Van haar spindraden vervaardigt het dier, onder

water, een nest van dicht weefsel, zoo groot als een half duivenei, dat

een ronden vorm heeft en van onderen open is; het wordt aan waterplanten

vastgesponnen (zie fig. 3_a_). Van onderen kan er echter geen water

indringen, want het wordt, evenals een duikerklok, geheel met lucht

gevuld, waartoe het dier telkens naar boven klimt en van boven de

wateroppervlakte lucht meevoert, die in de klok van de haren, door

middel van de achterpooten, afgestreken wordt.

In het bovenste verwulf van deze duikerklok wordt dan een warm nestje of

cocon gemaakt, dat helder wit is als sneeuw en er uitziet als watten.

Daarin worden de eitjes gelegd, welke door de moeder met veel zorg

bewaakt worden, want zij verjaagt nadrukkelijk allerlei kleine

waterroovers, die hun zinnen op een paar van de verleidelijke eitjes

gezet hebben. Daar de lucht in de klok dikwijls ververscht moet worden,

spint zij, ten einde dit snel en gemakkelijk te kunnen doen, van stengel

tot stengel draden naar de oppervlakte, die zij als ladder gebruikt en

waarover zij zeer snel voortglijdt.

Welk een rijk vernuft en hoeveel verstandig overleg zetelt er in het

kleine zenuwknoopje, dat in den kop van de spin de rol van onze hersenen

vervult! Op alle omstandigheden, die aan haar kleinen schade zouden

kunnen toebrengen, wordt zorgvuldig acht geslagen, in alle noodige

reparaties van het kunstwerk weet zij op voorbeeldige wijze te voorzien.

En wat ons hier vooral aangenaam aandoet, dat is de goede harmonie, die

bij dit alles tusschen de beide echtelieden: spinneman en spinnevrouw,

blijft bestaan. En dit is een zaak, die anders in de spinnenwereld veel

te wenschen overlaat; de verhouding is daar dikwijls zeer gespannen en,

tot schande van den man, moeten wij erkennen, dat hier de vrouw het heft

in handen heeft. Wat meer zegt: bij onze gewone kruisspin, die in haar

web aan de tuinschutting zit, gebeurt het niet zelden, dat het veel

kleinere mannetje--en dat nog wel in den bruidstijd, als hij zijn

huwelijksaanzoek komt wagen--eenvoudig door het groote en steeds

hongerige wijfje wordt opgeslokt.

Bij de waterspin zijn de verhoudingen van den echt vrij wat

vriendschappelijker, waarschijnlijk ook daardoor, dat hier, tegen den

regel in, het mannetje wat meer „mans” en grooter is, en zich dus niet

alles van zijn wederhelft laat welgevallen, hetgeen in elk geval meer

respekt afdwingt. En zoo zien wij dan ook, dat, hoewel het voornamelijk

het wijfje is, dat de werkzaamheden aan het nest verricht, zij daarbij

toch door haren echtvriend trouw wordt bijgestaan. Toch schijnt ook hier

moeder de vrouw in geestelijk opzicht veel hooger te staan: manlief is

met den besten wil bezield, maar hij is minder bedeeld met vernuft en

overleg, waardoor hij meestal in den weg loopt en de vrouw hem het werk

uit handen neemt.

Ter linkerzijde van de waterspin kronkelt zich weer één dier

bloeddorstige ringwormen, die in den vijver zijn spel drijft met het

vervolgen van zijn buit: slakken, kikkerlarven enz., van wier bloed hij

leeft (fig. 2). Ditmaal hebben wij nu te doen met den echten,

~medicinalen bloedzuiger~ (_Hirudo medicinalis_), die, zooals reeds op

bladz. 8 vermeld werd, gekenmerkt is door het geringde lichaam, de drie

halfcirkelvormige, scherp getande ~kaakplaten~ in den mond, die in den

voorsten zuignap ligt, en door het bezit van 5 paar oogen. Met de

kaakplaten zaagt het dier bij zijn slachtoffer de huid open, waardoor

ook de bloedvaten geopend worden en door den zuignap het bloed uit de

wond wordt gezogen. Daarbij zwelt het lichaam, dat zich sterk kan

uitzetten, verbazend sterk op, zoodat het somtijds driemaal de normale

dikte bereikt. Want de slokdarm eindigt in een kolossale maag, die

bovendien nog van talrijke zijdelingsche, zakvormige blinde aanhangsels

voorzien is. Voor die buitengewone gulzigheid kunnen echter verzachtende

omstandigheden gepleit worden; het dier moet namelijk groote

hoeveelheden bloed verzamelen voor de tijden van nooddruft, daar het

soms maandenlang moet vasten, als de gelegenheid tot bloeduitzuigen zich

niet voordoet.

De kleur van den medicinalen bloedzuiger is groen, min of meer naar het

bruine overhellend, en over beide zijden van den rug loopen drie smalle,

overlangsche gele banden. De buikzijde is afgeplat en het lichaam loopt

naar voren en naar achteren smaller toe. Het dier komt, vooral in

Frankrijk en Hongarijë, in zoet water voor en wordt bij ons wel in

vijvers of bakken gekweekt voor het gebruik in de geneeskunde, om

overvloedig bloed bij de patiënten weg te zuigen. Daar echter de

tegenwoordige menschheid niet veel over een overmaat van bloed te klagen

heeft, doch integendeel een groot percentage juist aan bloedarmoede

lijdt, zoodat men er meer op uit is, om haar meer bloed te verschaffen,

is die toepassing van de bloedzuigers, en dus ook het kweeken van die

dieren, sterk verminderd. Voor het vangen gaan mannen met bloote beenen

in de kweekvijvers en men grijpt de dieren dan, zoodra als zij zich op

de huid zetten, of men brengt ook wel doode dieren in het water, waarop

zij zich vastzetten. In den zomer boren de wijfjes zich in de aarde aan

den oever en leggen daar eieren.

* * * * *

Op den bodem van onzen vijver ligt, op den voorgrond, nog een worm, die

tot een geheel andere klasse behoort, namelijk tot de, reeds op bladz. 8

genoemde, =draadwormen=. Het is de ~koordworm~ (_Gordius aquaticus_),

fig. 7, die zoowel in ondiepe stilstaande, als in zwakvlietende wateren

gevonden wordt. Dit dier heeft inderdaad veel van een dun koord, vooral

het mannetje is zeer lang (dikwijls tot 1 meter) en dun (1 millim.), het

wijfje is kleiner. Het lichaam is bruin of geelachtig van kleur, loopt

naar voren langzaam dunner uit en het dier ligt gewoonlijk, zooals wij

in de figuur zien, op den bodem tot een kluwen opgerold. Het zijn

vreemdsoortige wezens, die noch darmkanaal, noch aarsopening bezitten,

zoodat de mond dadelijk in de lichaamsholte uitkomt.

Niet minder merkwaardig is de levensgeschiedenis van den koordworm.

Alleen het volwassen dier leeft vrij in het water; in zijn jeugd leeft

het parasietisch in andere waterdieren. Uit de eitjes, die in snoeren

in het water gelegd worden, komen zeer kleine jongen van zonderlingen

vorm; het voorste gedeelte van hun lichaam is cylindervormig, met een

dubbelen krans, ieder van 6 haakjes, op de plaats van den mond en

tusschen deze bevindt zich een hoornachtige slurf; het achterlijf

eindigt in een dunnen staart. Deze larven boren zich, met hun slurf en

haakjes, in het lichaam van waterinsekten, spinnen en schaaldieren, waar

zij zich in de spieren vastzetten en inkapselen--op de wijze van de

trichinen bij het varken--en daar een toestand van rust doorleven.

Worden nu deze waterdieren, met de ingekapselde larven, door een visch

of roofkever verslonden, dan ontwikkelt zich, eerst in het darmkanaal

van deze „gastheeren” tegen wil en dank, het geslachtsrijpe dier, dat

daarna dit gastvrije oord verlaat, in het water volwassen wordt en weer

eieren legt.

* * * * *

Van de afdeeling der =weekdieren= treffen wij in onzen vijver nog een

=schelpdier= en eenige =slakken= aan.

Van het eerstgenoemde zien wij, in het midden, twee prachtige exemplaren

van de ~rivier~- of ~stroommossel~ (_Unio pictorum_), fig. 8, meestal

„~verfmossel~” genoemd, omdat de groote schelpkleppen vroeger wel door

de schilders gebruikt werden. Deze schelpen komen bij ons overal in

zacht stroomend water, beken en rivieren voor; zij hebben dikwijls een

lengte van 8 tot 10 centimeters en de schaal is langwerpig ovaal,

tamelijk stevig en dik, en van achteren voorzien van een sterken, langen

en rechten slotband. De kleur der schelp is licht geelachtig groen, met

ongelijke bruinachtige dwarsbanden. De binnenzijde van de schelp is

bedekt met een fraaie, glinsterende paarlemoerlaag en daaraan zijn twee

sterke sluitspieren bevestigd, waarvan de spierindruksels, evenals de

indruk van den mantel, op de binnenzijde duidelijk te zien zijn en

waarmede het dier de beide kleppen met geweld op elkaar kan doen

sluiten. Eigenlijke sipho’s (zie bladz. 14) zijn niet voorhanden, maar

de mantel is, in de buurt van de kieuwstreek, dicht bij de

uitstroomingsopening, van talrijke franje-achtige aanhangsels voorzien,

die aldaar een soort van adembuis vormen.

Als de eitjes gelegd zijn, gaan deze niet dadelijk naar buiten, doch

verschuilen zich eenigen tijd tusschen de plooien van de kieuwen, waar

zij zich ontwikkelen. Na een zekeren tijd worden de, nog weinig

ontwikkelde, larven naar buiten verwijderd, doch ook dan kiezen zij nog

niet op eigen hand het vrije sop, doch hangen zich, door middel van de

byssusdraden (zie bladz. 15), aan visschen op, waarmede zij gratis uit

spelevaren gaan, tot zij een verdere gedaanteverwisseling hebben

ondergaan en zich, na eenige maanden, naar beneden laten vallen, om daar

verder tot volwassen mossels uit te groeien.

* * * * *

Eindelijk zien wij, onder de bevolking van den vijver, nog eenige

=slakken=, allen, behalve die van fig. 6, tweeslachtigen, die dus ook

boven de oppervlakte van het water kunnen ademen (zie bladz. 16). Het

zijn drie soorten van ~poelslakken~, waarvan wij reeds op plaat III

(bladz. 41) een bekende soort ontmoet hebben.

Hier hebben wij vooreerst, op een kluwen van dooreen gegroeide planten,

de ~moeras-poelslak~ (_Limnaea palustris_), fig. 4, die een langwerpig

eirond huisje, met 6-7 omgangen heeft, waarvan de laatste zeer groot is,

terwijl de top zeer puntig uitloopt. Het horentje is dun, doch stevig,

half doorschijnend, van een bruine of vaal hoornachtige kleur en is

bedekt met afgebroken ingedrukte dwarsstrepen. Deze slak verlaat het

water slechts zelden, terwijl de verwante familieleden der poelslakken,

zooals wij op bladz. 42 zagen, gaarne van tijd tot tijd op het land

vertoeven. Fig. 10 stelt een ander familielid voor: de ~oorvormige

poelslak~ (_Limnaea auricularia_), aldus genoemd naar den grooten,

oorvormigen mond van het zeer gezwollen en bolle huisje, dat echter een

spitse punt heeft en licht hoornkleurig is, met fijne, tralievormige

strepen. Ook deze soort verlaat het water nooit en vertoeft het liefst

in stilstaand water, met modderigen bodem. Hetzelfde is het geval met de

~begroeide poelslak~ (_Limnaea peragra_), van fig. 9, die vaal

hoornkleurig of bruingrijs van kleur is, doch overigens, in de meeste

opzichten, met de beide vorige soorten overeenkomt.

Dan is er, ten slotte, ook nog een echte ~kieuwslak~ in den vijver, dus

een soort, die ~uitsluitend~ in het water kan ademhalen (zie bladz. 17),

namelijk: de ~diepslak~ (_Bythinia tentaculata_), fig. 6, een klein

waterslakje, van 8 millim lang, met een verlengd eivormig, buikig

huisje, van barnsteengele, hoornachtige of rossige kleur. Zij komt in

bijna al onze stilstaande wateren voor.

[Afbeelding: V.]

Uit de dierenwereld van het water Schetsen in woord en beeld van het lever der lagere diersoorten · 第 49 / 92 题