OERDIEREN.

Zij vormen het allereenvoudigste van hetgeen er op het gebied van het

dierlijk leven bestaat, hun lichaam is mikroskopisch klein en is niets

anders dan één enkele cel, zonder organen, bij velen zelfs zonder

bepaalden vorm en zij planten zich eenvoudig voort door verdeeling in

tweeën, waarna elk stuk weer een zelfstandig leven begint en tot een

volledig dier uitgroeit. Zoo eenvoudig zijn nu trouwens de diertjes van

fig. 12 op Plaat III niet, zij zijn, in zekeren zin, de corypheeën van

hun geslacht, daar zij nog enkele bijzondere lichaamsaanhangsels

vertoonen. Zij behooren tot de ~afgietsel~- of ~infusiediertjes~

(_Infusoriën_), een klasse der oerdieren, die, voor het eerst in 1675,

door onzen landgenoot Antonie van Leeuwenhoek te Delft in slootwater en

in aftreksels (_Infusies_) van planten ontdekt werden, door middel van

het uiterst primitieve mikroskoop, waarmede hij zijn onderzoekingen

deed en waardoor hij zich beroemd heeft gemaakt, als de ontdekker van

deze „wereld van het oneindig kleine”.

Het infusiediertje van fig. 12 is het zoogenaamde „~klokdiertje~”

(_Vorticella_). Het doet zich voor het bloote oog voor als een klein wit

wolkje aan een steel en komt in onze stilstaande wateren dikwijls in

zulke groote menigten op plantenstengels en steenen voor, dat deze--en

menigmaal zelfs ook vele waterinsekten, waarop zij zich vestigen--er als

beschimmeld uitzien. Bekijkt men echter een weinig van die massa onder

den mikroskoop, dan ziet men diertjes in den vorm van een wijnglas, dat

op waterplanten bevestigd is door middel van een dunnen spiraalvormigen

steel. De rand van het wijnglas is bezet met fijne wimpers of franjes,

die voortdurend in beweging zijn en een strooming in het water

teweegbrengen, waardoor voedsel met het versche water aangevoerd wordt.

De diertjes planten zich door knopvorming voort, dat is: er vormt zich,

ergens aan het lichaam, een knopvormige uitwas, die later loslaat, doch

zich weer vastzet en dan tot een nieuw dier uitgroeit. Daardoor, en

dikwijls ook door het vertakken van den steel, vormen zich geheele

kolonies dezer klokdiertjes bij elkaar.

Het tafreel, dat zich onder den mikroskoop aan ons gewapend oog

vertoont, is werkelijk ongemeen schoon; men zou zich in een fabelachtig

bosch wanen, uitsluitend bestaande uit sierlijke, aardige bloemkelkjes,

maar hier is het een ~dierlijk~ woud van teedere, glasheldere klokjes,

die, als bloemen uit een sprookje, vreedzaam en droomerig aan hun slanke

stelen in het water op en neer schommelen en die, om uit te rusten of om

zich voor gevaren te beveiligen, den steel spiraalvormig samentrekken,

om bliksemsnel in de diepte te verdwijnen.

Maar nu komt er een oogenblik, waarop wij plotseling de ware natuur van

deze liefelijke wezentjes boven zien komen en ons blijkt, dat ook hier

beneden, in de diepte der wateren, niet alles zoete poëzie is, doch dat

het bittere proza insgelijks een woordje heeft mee te spreken. Daar

schiet opeens één dier sierlijke, schijnbaar zoo onschuldige bloempjes

op zijn spiraalsteel omhoog, want het heeft--hoe is een raadsel, bij het

volkomen gemis aan zintuigen--daar beneden in zijn schuilhoek een

levenden buit, een wezentje van nog nietiger afmetingen, ontdekt, dat

argeloos en vroolijk kwam voorbij zwemmen. De roeiriemen, aan den rand

van den champagnekelk, worden in werking gesteld, en het slachtoffer

wordt door den mond van de sprookjesbloem levend opgeslokt en verteerd.

Dus ook hier, onder den mikroskoop, zoo goed als bij ons in het groot:

dezelfde wereld vol listen en lagen, concurrentie, en strijd op leven en

dood.

* * * * *

Thans tot een minder romantisch en meer prozaïsch onderwerp overgaande,

waarbij echter ook de bloeddorstige ader niet ontbreekt, vragen wij,

voor een oogenblik, de aandacht voor een paar =ringwormen=, wier

kenmerken, in ’t algemeen, reeds vroeger door ons geschetst werden (zie

bladz. 8). Twee van deze dieren zien wij ter linkerzijde van ons

wijnglazen-woud rondspartelen. Fig. 10 stelt den ~zwarten bloedzuiger~

of ~onechten paardenbloedzuiger~ (_Aulacostomum gulo_) voor. Den tweeden

naam draagt het dier ter onderscheiding van den eigenlijken

~paardenbloedzuiger~, die bij ons zeldzaam is, doch in Zuid-Europa en

Noord-Afrika zeer lastig voor de paarden en het vee kan worden, daar hij

bij drinkend vee in de neusgaten kruipt, zich daar vastzuigt en de

ademhaling belemmert. Deze behoort tot de naaste familie van onzen

bekenden medicinalen bloedzuiger, waarover wij bij de volgende plaat

zullen spreken.

Toch komt ook de zwarte bloedzuiger van fig. 10 met beiden overeen door

het bezit van 5 paar oogen en van 3 kaakplaten in den mond, die in de

voorste zuignap gelegen is (zie bladz. 8), doch de tandjes der platen

zijn hier stomp. De kleur van het dier is van boven zwartbruin of

groenachtig zwartbruin, met donkere vlekken, en aan de onderzijde licht

olijfkleurig. Hij zwemt tamelijk behendig, door middel van slangvormige

kronkelingen en voedt zich met wormen, slakken, larven en kleine

vischjes. De hechtschijf of achterste zuignap is kleiner dan bij den

medicinalen bloedzuiger. Zooals alle bloedzuigers legt hij zijn eitjes

in de vochtige aarde, boven den waterspiegel, en hij verlaat ook

overigens, menigmaal voor geruimen tijd, het water, om in den vochtigen

grond onder steenen weg te kruipen. Hij komt in bijna alle stilstaande

of kalm vlietende wateren voor.

De dunne, rolronde worm, die zich, rechts op de Plaat (fig. 11),

tusschen waterplanten voortkronkelt en dien men voor een kleinen

regenworm zou kunnen houden, blijkt, bij nader inzien, daarmede niets te

hebben uit te staan, behalve dat hij, evenals de laatste en de

bloedzuiger, ook weer tot de ringwormen behoort, hetgeen trouwens reeds

uit het duidelijk geringde lichaam te zien is. Het is de ~broze

slibworm~ (_Lumbriculus variegatus_), „broos” genoemd, wegens zijn

buitengewoon ver gedreven herstellingsvermogen, dat zelfs als een

herkenningsteeken, een signalement, voor dit dier kan gelden. Hoewel

deze eigenschap, gelijk wij vroeger zagen (bladz. 33), algemeen is bij

de wormen, zoo hebben wij daarvan hier toch een merkwaardig en hoogst

zonderling geval.

Men kan namelijk niet zelden opmerken, dat het lichaam van dezen

ringworm tweeërlei kleuren vertoont: één gedeelte van het lichaam is

veel lichter gekleurd dan het andere. De oorzaak daarvan is een zeer

ongewone wijze van voortplanting van dit dier, namelijk zoodanig, dat er

eenvoudig een stuk van afbreekt en tot een nieuwen worm uitgroeit,

terwijl het verminkte gedeelte zich insgelijks weer tot een volledig

dier ontwikkelt, welk nieuw uitgroeisel dan tijdelijk een andere kleur

vertoont. Snijdt men den worm in verscheidene stukken, dan is elk stuk

ook weer in staat, om een nieuw individu te vormen. Toch heeft de

voortplanting tevens ook door eieren, langs geslachtelijken weg, plaats.

De talrijke ringen, die men uitwendig aan het lichaam ziet, komen

overeen met de inwendige afdeelingen of „segmenten”, waarin de

lichaamsholte verdeeld is. Aan die segmenten zijn van buiten, tot

bundels vereenigde, ~borstels~, die tot steun bij de voortbeweging

dienen, in twee rijen bevestigd. Daarom noemt men deze orde der

ringwormen, waartoe ook de gewone aard- of regenworm behoort,

„~borstelwormen~” (zie ook bladz. 8). De broze slibworm, die zich in het

slib of tusschen waterplanten ophoudt, is 4 tot 8 centim. lang,

geelachtig bruin van kleur en heeft een dunne huid, die zoo

doorschijnend is, dat de inwendige organen, vooral het zwarte darmkanaal

en de hoogroode bloedvaten, er duidelijk doorheen te zien zijn.

Nog een geheel andere worm, van veel lageren rang, ligt, onderaan in het

midden, op den bodem van het water (fig. 9). Het is de ~zwarte veeloog~

(_Polycelis nigra_), een zonderling teer schepseltje, aldus genoemd naar

het groot aantal oogen, 30 tot 50 stuks, die langs den geheelen

breederen, afgeronden voorrand van het diertje geplaatst zijn. Het is

zwart van kleur, 1 centim. lang, plat en langwerpig van vorm en het

behoort tot de groep der =platwormen=, afdeeling ~trilwormen~ (zie

bladz. 33). Het komt veel in zoet water voor onder steenen, of ook

tusschen bladeren van riet of aan de onderzijde der bladeren van de

waterlelie.

* * * * *

Verder zien wij tusschen de waterplanten, in het midden van onzen

waterplas, nog een hoogst merkwaardig diertje rondsluipen. Het is één

der kleinere kreeftachtige schaaldieren: de ~kieuwpoot~ (_Apus

productus_), fig. 2, een dier, dat 3-7 centim. lang is, tot de

„~bladpootigen~” behoort en bruin van kleur is. Van boven is het met een

breede, schildvormige schaal bedekt, waaronder een aanzienlijk getal:

30-60 paren bladvormige ledematen gelegen zijn, waaraan de kieuwen

vastzitten; daarom verkeeren zij aanhoudend in een trillende beweging,

om versch water voor de ademhaling aan te voeren. Bij het wijfje is het

11e paar pooten in twee borsttaschjes overgegaan, waarin de eitjes

bewaard worden. Mannetjes komen zelden voor en werden eerst later

ontdekt.

Deze dieren kunnen verbazend snel en onstuimig zwemmen en wel op den

rug. Men vindt ze in poelen en moerassen, wel is waar, tamelijk zelden,

doch dan ook in ongelooflijke menigte. Bij ons komen zij in sommige

jaren, vooral in Gelderland en Noord-Brabant, in aanzienlijke massa’s

voor; vooral na hevige regens vindt men ze dan zelfs op de rijwegen en

in de plassen op de straten. De oorzaak is, dat door het vocht de

schijndoode diertjes, die uit de eitjes ontstaan zijn, weer ontwaken.

Bij het uitdrogen der poelen verdwijnen de dieren weer plotseling en

laten alleen de eitjes achter, die zich juist alleen op het droge

ontwikkelen en daar jarenlang levensvatbaar blijven, totdat zij, door

nieuwen watertoevoer, weer tot het leven gewekt worden.

* * * * *

De overige bevolking van het watertooneeltje op Plaat III wordt verder

nog slechts uitsluitend gevormd door eenige soorten van slakken, die

zich hier blijkbaar volkomen op haar plaats en uiterst behaaglijk

gevoelen. Daaronder is slechts één ~longslak~ (zie bladz. 16) en wel: de

~barnsteenslak~ of ~amber-horenslak~ (_Succinea_), fig. 1, die dan ook,

zooals wij zien, terecht een plaatsje op het droge, op de bladeren van

een plant boven de oppervlakte van het water, heeft uitgekozen. Zij is

dan ook geen eigenlijke waterslak, behoort zelfs, als longslak, in de

lucht tehuis, doch houdt zich toch bij voorkeur in de nabijheid van het

water op, maakt daarin zelfs dikwijls een uitstapje, om zich op

waterplanten, vooral op de bladeren van het pijlkruid, neer te zetten.

De naam is afgeleid van het doorschijnende, barnsteen- of ambergele

huisje. Er is een soort van dit geslacht (_Succinea oblonga_) die ook

wel in ons land voorkomt en tot de echte aardslakken behoort, elders

zelfs tot hoog in het gebergte trekt, in de buurt van bergbeekjes.

Overigens vinden wij op de Plaat nog slechts ~tweeslachtige slakken~

(zie bladz. 16). Op den voorgrond liggen, op den modderigen bodem, drie

fraaie exemplaren van de ~gewone schijfhoren~ (_Planorbis corneum_),

fig. 8, waarvan wij een familielid reeds vroeger op Plaat II ontmoet

hebben. De hier afgebeelde is de grootste en fraaiste--en tevens de

meest voorkomende--van onze schijfhorens of „~posthorentjes~” en zij

bereikt niet zelden een middellijn van 3 centim. Zij houdt zich bijna in

alle stilstaande wateren in groote menigte op en klimt ook gaarne tegen

waterplanten omhoog. De horen bestaat uit 5 of 6 zeer gezwollen

windingen, waarvan de laatste een weinig wijder uitloopt en in een vrij

grooten schelpmond eindigt. Het huisje is tamelijk dik en stevig, met

duidelijke dwarsstrepen; de kleur is olijfgroenachtig bruin van boven en

van onderen geel of rossig, soms bijna wit.

Nog grooter, ja zelfs de grootste van al onze, in het water levende,

slakken en een reus onder zijn familieleden, is de algemeen in onze

slooten voorkomende en zeker aan weinigen onzer lezers onbekende,

~gewone poelslak~ (_Limnaea stagnalis_), waarvan in fig. 4 en 6 een paar

exemplaren afgebeeld zijn. De voelers, slechts twee in getal, zijn hier

zeer dik, niet rond en voor intrekking vatbaar, doch driehoekig van

vorm; aan hun basis liggen, boven op den kop, dicht bij elkaar, twee

groote oogen. De horen is rechts gewonden, langwerpig eivormig, met 5

tot 8 omgangen of windingen, waarvan de laatste zeer groot is en wel ²⁄₃

van den geheelen horen beslaat; deze is 6-7 centim. lang, loopt puntig

uit en heeft een grooten mond. De wand van het huisje is dun, eenigszins

doorschijnend, hoornkleurig of vaalbruin, met duidelijke strepen.

De dieren kruipen zoowel over den bodem, als tegen waterplanten naar

boven en dikwijls hangen zij ook, op een eigenaardige wijze, met de

kruipzool van den voet, onmiddellijk aan de oppervlakte van het water,

terwijl het huisje naar beneden hangt en zoo ziet men ze ook wel langs

den waterspiegel voortglijden. Waarschijnlijk kan de slak lucht van hare

ademholte uitpersen, waardoor zij specifiek zwaarder wordt en naar

beneden zinkt, en omgekeerd door de lucht in de ademholte te doen

uitzetten, deze opblazen en daardoor omhoog stijgen. Daar zij ook in de

lucht kan ademen, verlaat zij gaarne van tijd tot tijd het water, om op

vochtige weilanden een poos rond te dolen en te zien, wat daar van haar

gading is. De eitjes worden, als een soort van kuit, in samenhangende,

wormvormige snoeren op de bladeren van planten of andere voorwerpen in

het water gelegd (zie fig. 5). Uit de eitjes ontsnappen larven, die

zich, met behulp van trilharen, vrij snel in het water ronddraaien.

De twee kleine slakjes, die wij, in de buurt van de groote poelslakken,

op waterplanten zien zitten, zijn een paar ~blaashorenslakken~ (_Physa

fontinalis_), fig. 3 en 7, die een dun, eirond, glad en gezwollen huisje

hebben, met slechts vier windingen, waarvan de laatste zeer groot is en

wel ³⁄₄ van de geheele hoogte van den horen inneemt. De kleur is licht

hoorngeel en het huisje is links gewonden. De rand van den mantel is

hier franje-achtig uitgetakt en kan over den rand van den horen

omgeslagen worden. Deze soort van blaasslak leeft ook wel in bronnen of

beekjes en wordt daarom ook wel ~bron-blaashoren~ genoemd.

Ten slotte ligt onderaan, rechts in den hoek van de plaat, nog een leeg

huisje van een ~moerashoren~ (_Paludina_), fig. 13, waarover wij reeds

op bladz. 18 gesproken hebben.

[Afbeelding: IV.]

Uit de dierenwereld van het water Schetsen in woord en beeld van het lever der lagere diersoorten · 第 47 / 92 题