Raad des vredes. Zie Pactum Salutis.
Raad Gods, II, 313v.
Ratio ratiocinans et ratiocinata. Beteek. dezer onderscheiding,
II, 75, 93.
Rationalisme in de kenleer, I, 145v.
Rationalisme der 18e eeuw, I, 101, 427v.; III, 451;
verschillende vormen, I, 279v.;
over de openb. I, 280v.;
over de kenbaarh. Gods, II, 11v.;
over de heilsorde III, 451;
over de kerk, IV, 20;
over de Sacram., IV, 223;
over het Avondm., IV, 322.
Realisme in de Erkenntnistheorie, I, 157v.;
in de verklaring d. erfzonde, II, 569; III, 129v.;
in de beschouwing van het lijden van Chr., III, 371v.
Reatus culpae et poenae bij Rome, III, 162.
Reatus potentialis et actualis bij de Geref. III, 162, 549.
Recht en religie, II, 84v.; III, 345v.
Rechtsorde, II, 201; III, 157v., 346v.
Rechtvaardigmaking, III, 529v.; IV, 410;
in haar verhouding tot het geloof, III, 452v., 481v., 522v.,
535v., 544v.
Rede, Haar natuur, I, 169;
taak in de Theol., I, 525v.
Reformatie, De, over natuurl. en bovennat. openb., I, 221v.;
over het geloof, I, 477;
over de verhoud. van geloof en Theol., I, 520v.;
over de mysteriën des geloofs, I, 531;
over het werk van Christus, III, 319v.;
over de kerk, IV, 14v., 33v.;
haar oordeel over de Roomsche kerk, IV, 47;
over de genademidd., IV, 194v.;
over Wet en Evang, IV, 205v.;
over de Sacram. IV, 220v., 271;
over den tusschentoestand, IV, 379v.
Reformatie der kerk, IV, 118v.
Regeering Gods, III, 28v.
Regeering der kerk. Zie kerk.
Religie, Principia, I, 171v.;
wezen, I, 171v.; II, 552v.;
objectieve, I, 172v., 175v.;
subjectieve, I, 172v., 177v.;
zetel, I, 183v.; IV, 1;
intellectualist. opvatting, I, 186v.;
moralistische opvatting, I, 190v.;
aesthetische opvatting, I, 195v.;
en wetenschap, I, 189, 210, 376;
en zedelijkheid, I, 193v., 462; III, 553;
en kunst, I, 199v., 210;
oorsprong, I, 202v.;
in hare verhouding tot de openb., I, 175, 210. vgl. openbaring;
tot het verbond, II, 551v.;
tot de vleeschwording, III, 285;
tot het recht, II, 84; III, 346v.;
sociaal element in de IV, 1v.
Remonstrantisme, over de inspiratie, I, 318;
over de kenbaarh. Gods, II, 11;
over de eenvoudigh. Gods, II, 142;
over de praedest., II, 340v.;
over de voorzienigh., III, 12;
over het O. V., III, 199;
over de aanbidding van Christus, III, 298;
over het werk van Chr., III, 325, 401;
hun acceptilatie-theorie, III, 367;
over de heilsorde, III, 451;
over de kerk, IV, 20;
over de kerk. macht, IV, 155;
over de synoden, IV, 183;
over de genademidd., IV, 193;
over de confessie, IV, 167v.;
over de sacr., IV, 223, 267.
Restitutie-theorie tot verzoening van Schrift en natuurwetenschap,
II, 473, 478.
Reveil. Karakter, I, 131.
Rijk der zonde, III, 96, 167, 184.
Ritualisme in de Eng. kerk, IV, 23.
Roeping, III, 485v.;
object, III, 399, 488;
in verband tot de wedergeb., III, 480, 483v., 500v.;
niet universeel, II, 354; III, 488.
Roeping tot het ambt, IV, 121v.
Romantiek, I, 196, 431.
Rome. Grondgedachte, I, 221, 276, 277, 426v.; II, 517v., 526;
III, 243, 443v.; IV, 162, 186, 248;
over het principium der Dogm., I, 17v.;
over de inspiratie, I, 312v.;
over de verh. van Schrift en kerk, Zie kerk;
over de noodzakelijkh. der Schrift, I, 380v.;
over de duidelijkh. der Schrift, I, 392v.;
over de motiva credibilitatis, I, 36v., 424v., 485v.;
over het geloof, I, 476v.; III, 442, 521v.;
over den grond des geloofs, I, 485v.; IV, 40;
over de fides implicita, I, 518v.;
over de verhouding van geloof en Theol., I, 517v.;
over de mysteriën I, 531;
over de visio Dei per essentiam, I, 152v., 518;
over de praedestinatie, zonde en genade, II, 323v.; III, 394,
439v., 442v., 475v.; IV, 410;
over de kenbron v. d. leer der schepping, II, 387;
over λατρεια en δοίλεια, II, 452v.; IV, 393v., 400v.;
over het beeld Gods en het donum superadditum, II, 518v., 555,
570;
over de erfzonde, II, 525; III, 116v.;
over de concupiscentia, III, 86, 122;
over de onderscheiding van peccata venialia en mortalia,
III, 98v.;
over de onbevlekte ontvangenis van Maria, III, 145v., 262 v.;
over reatus culpae et poenae III, 162;
zijn bescherming van het bijgeloof, III, 181v.;
over het onderscheid van O. en N. Test., III, 198;
over de twee naturen van Chr., III, 243v., 291, 414;
over de aanbidding van Chr., III, 243v., 299v.;
over het werk van Chr., III, 318v., 333v.;
over de obed. activa, III, 349;
over de nederdaling ter helle, III, 378v.;
over de heilsorde, zie praedest., zonde en genade;
over de kerk, IV, 11v., 32v., 35;
over de kenteekenen der kerk, IV, 12v., 38v.;
over de eigenschappen der kerk, IV, 53v.;
over het „extra ecclesiam nulla salus”, IV, 42v.;
over de macht der kerk, IV, 138v., 162v.;
over de genademidd., IV, 193v.;
over Wet en Evangelie, IV, 204v.;
over het getal der sacr., IV, 218v.;
over de sacr. in ’t alg., IV, 218v., 226, 232, 236v., 239v.,
247v.;
over den Doop, IV, 248, 262v., 270, 275, 277, 281;
over het Avondmaal, IV, 315v., 331v.;
over het vagevuur, IV, 378v.;
over de aanroeping en vereering der heiligen, IV, 392v., 398v.;
over den toekomstigen staat der kinderen, IV, 523.
Roomsche Theologie, na Trente. I, 88v.
Ruimte, Begrip v. d. II, 135v.
Russische kerk, I, 68v.; IV, 22, 142. Zie voorts Grieksche kerk.
Ruste Gods op den 7{en} dag, II, 462; III, 1.