Dag des Heeren in de profetie, I, 261v.; IV, 427, 481;
in de Joodsche Theol. en het N. T., IV, 481v.
Δαιμων, als naam Gods, II, 103.
Darwinisme, II, 492v., 513v.;
als polygenisme, II, 502, 506v.;
beteekenis voor de handhaving van de eenheid van het menschelijk
geslacht, II, 503.
David als theocratisch koning, III, 230.
Decretum horribile, van Calvijn, II, 371.
Deisme, Alg. karakter, I, 17; II, 308; III, 13v.;
over de religie I, 194;
over de eeuwigh. Gods, II, 128;
over de alomtegenwoordigh. Gods, II, 134, 137v.;
over de voorzienigh. Gods, III, 11v.;
over de causae secundae, III, 26;
over den oorsprong der zonde, III, 43v.
Deisme in Engeland, I, 124v.;
betreffende het histor. karakter der openb., I, 297;
over de genoegzaamh. der alg. openb., I, 232.
Determinisme, in zijn onderscheiding van de praedestinatie,
II, 341v.; III, 9v.
Deugden Gods, II, 78v.;
als hypostasen opgevat, II, 85v.;
in verh. tot het wezen Gods, II, 86v.;
subjectieve opvatting, II, 91v.;
indeelingen, II, 95v.
Deugden der Heidenen en ongeloovigen, I, 238v.; III, 149, 152, 210v.
Διαθηκή in LXX en N. T. III, 195.
Diakonaat, IV, 78v., 165, 177v.;
bij Rome, IV, 128.
Διακονία, in het N. T. IV, 80.
Dicta duriora bij Augustinus en de Geref., II, 372v.; III, 57v.
Δικαιοσυνή θεοῦ bij Paulus, III, 533v.
Diocese bij Rome, IV, 85.
Doctorenambt, IV, 130.
Dogma, I, 3v.;
ontstaan v. h., I, 514v.;
volg. Harnack en Hatch, I, 511v.
Dogmatiek, Naam I, 1v.;
formeel begrip, I, 6;
materieel begrip, I, 6v.; II, 1;
plaats in de Encyclopedie, I, 9v.;
methode, I, 14v.;
indeeling, I, 31v.;
geschiedenis, I, 51v.;
kerkelijk karakter, I, 14, 23;
persoonl. karakter, I, 28v.;
kritische richting in de I, 16v.
Dogmatische terminologie, I, 528; II, 268; IV, 225.
Δόξα, II, 191.
Donatisme, over de lapsi IV, 139.
Donum superadditum bij Rome;
in de engelenwereld, II, 441;
bij de menschen, II, 517v., 555.
Dood als straf der zonde, III, 176v.; IV, 367, 372, 383, 505;
voor de geloovigen, IV, 411v.
Dood van Christus. Zie Kruis, werk van Christus.
Doodenvereering in de versch. godsdiensten, IV, 392;
in Israel, IV, 363v.
Doodenvragen in de H. S., IV, 395v.
Doop, IV, 252v.;
in verband tot de wedergeboorte, IV, 197v., 266, 290v.;
tot het Avondmaal, IV, 344v., 350;
van Joh. den Dooper, IV, 254v., 447;
bedienaren, IV, 293v.;
plaats v. bediening, IV, 295v.;
tijd van bediening, IV, 296v.;
wettigh., IV, 299;
objecten, IV, 299;
bij Rome, III, 442; IV, 248, 262v., 270, 275, 277.
Doop van Christus, III, 375.
Doopgetuigen, IV, 297v.
Δουλεια en λατρεια, II, 452v.; IV, 393v., 400v.
Drie. Getal in natuur en Schrift, II, 298v., 311.
Drieëenheid, II, 227v.;
in verband met de eenvoudigheid Gods, II, 144v.;
met de leer v. d. mensch, II, 539;
als onderstelling van de vleeschwording, III, 254v.;
belang voor de heilsorde, III, 469v.
Droomen als openbaringsmiddel, I, 253v.
Dualisme op metaphys. gebied in betr. tot den persoon van Christus,
III, 278v.;
van gelooven en weten in de N. Theol., I, 463v., 482, 512;
II, 456.
Duidelijkheid der Schrift. Zie Schrift.
Duivelen, III, 90v.;
aard hunner zonde, III, 92v.;
macht over de wereld, III, 199v.
Duizendjarig rijk. Zie Chiliasme.