Twee nachten na het verdwijnen van den heer Skinner, reed de dokter
van Podbourne nog laat in zijn tilbury in de buurt van Hankey. Hij was
den geheelen nacht bezig geweest een onaanzienlijken jongen burger
onze vreemde wereld in te helpen, en nadat zijn taak volbracht was,
reed hij slaperig naar huis.
Het was ongeveer twee uur in den morgen en de afgaande maan kwam op. De
zomernacht was kil geworden, en er hing een lage bleeke mist, die
de dingen onduidelijk zichtbaar maakte. Hij was geheel alleen--want
zijn koetsier lag ziek te bed--en er was aan weerszijden van den
weg niets te zien dan een erg-mysterieus-uitziende heg, die voor het
gele licht zijner lantarens heentrok, en er was niets te hooren dan
het getrappel van zijn paard en de scherpe echo's die door de heg
weerkaatst werden. Zijn paard was even betrouwenswaardig als hijzelf
en het is dan ook niet te verwonderen dat hij dommelde...
Gij kent dat afwisselende indutten en met schrik wakker worden wel,
dat knikkebollen van het hoofd, het knikken op het rhytmisch geluid
der wielen, nu eens met de kin op de borst en dan het plotseling
weder opschrikken.
"Klep, klep, klep."
"Wat was dat?"
Het leek den dokter toe alsof hij een zacht, schril gejank vlak
bij zich hoorde. Een oogenblik lang was hij klaar wakker. Hij zeide
een paar onverdiende verwijtingen tegen zijn paard en keek om zich
heen. Hij trachtte zichzelven gerust te stellen. 't Zou 't verwijderde
geblaf van een vos wel zijn,--of misschien een jong konijn dat door
een fret gepakt was.
"Rikke-tikke-e-tik-tik-tik...."
"Wat was dat dan toch?"
Hij voelde dat zijn verbeelding hem parten begon te spelen. Hij
schurkte es met de schouders en jeude zijn paard aan. Hij luisterde,
doch hoorde niets meer.
"Of zou het niets geweest zijn?"
Hij had een vaag idee dat er even iets naar hem gegluurd had over de
heg, een rare, groote kop. Met ronde ooren! Hij tuurde ingespannen,
maar zag niets.
"Onzin," zei hij.
Hij ging rechtop zitten met de overtuiging dat hij de nachtmerrie
gehad had, gaf zijn paard een heel zacht tikje met de zweep,
sprak het toe en tuurde weer over de heg. Het helle licht van zijn
lantaarn, samen met den mist, maakte de dingen schimmig, en hij kon
niets onderscheiden. Het kwam toen plotseling in hem op, zegt hij,
dat daar niets kòn zijn, want als er iets geweest was, zou zijn paard
wel schichtig geworden zijn. Doch hoe hij zichzelf ook trachtte gerust
te stellen, bleven zijn zinnen toch zenuwachtig waakzaam.
Toen hoorde hij heel duidelijk een zacht gepetter van voeten achter
zich aan, op den weg.
Hij wilde zijn ooren niet gelooven. Hij kon niet omkijken, want de
weg nam daar juist een scherpen draai. Hij legde de zweep over zijn
paard en keek nogmaals op zijde. En toen zag hij heel duidelijk,
waar een straal van zijn lantaarn over een laag eindje heg heengleed,
den gekromden rug van--het een of ander groot dier, hij kon niet
bepalen wat het was, dat met snelle, schokkende sprongen voortliep.
Hij zegt dat hij dacht aan de oude heksen-verhalen--het beest leek
zoo absoluut niet op eenig ander dier dat hij kende, en hij vatte
de teugels steviger beet uit vrees voor den angst van zijn paard. En
man van opvoeding als hij was, geeft hij toch toe, dat hij zichzelven
afvroeg of dit iets was dat zijn paard niet kon zien.
Voor hem uit, en steeds dichterbij komend zag hij tegen de
opkomende maan, de silhouet van het kleine gehucht Hankey. Dit was
geruststellend, al zag hij ook geen enkel licht en hij klapte met de
zweep en zei nog eens wat tegen zijn paard, en toen schoten plotseling
als een bliksemstraal de ratten op hem toe!
Hij kwam een hek voorbij, en terwijl hij dit deed, sprong de voorste
rat erover op den weg. Het ding besprong hem van uit het duister,
en was nu zeer duidelijk te zien, het scherpe, felle, rond-oorige
gezicht, het lange lichaam dat nòg langer leek door de bewegingen
die het maakte; en wat hem vooral trof waren de roode, van vliezen
voorziene voorpooten van het dier. Wat het nog vreeselijker moet
gemaakt hebben, was, dat hij geen vaag idee had of het beest, hetwelk
hem aanviel, wel een áárdsch beest was. Hij herkende het niet als een
rat, doordat het zoo groot was. Zijn paard sprong opzij toen het wezen
naast hem op den weg neerkwam. Het smalle laantje was plotseling vol
gerucht door het klappen van de zweep en den schreeuw dien de dokter
gaf. Alles ging plotseling snel.
"Rrr-klr-pats--."
Het schijnt dat de dokter opstond en zijn paard aanvuurde, en er uit
alle macht op los sloeg. De rat deinsde terug en sprong opzij onder
zijn slag--wat den dokter geruststelde omtrent het aardsche van het
dier--bij het schijnsel der lantaarn was de voor, die de zweep in het
haar gehaald had, duidelijk zichtbaar--en hij sloeg telkens weder,
onbewust dat er aan de andere zijde een tweede vervolger staag
veld won.
Hij vierde de teugels, keek om, en zag de derde rat, hem
achtervolgend...
Het paard sprong vooruit. De tilbury sprong hoogop bij een
kruisspoor. Een krankzinnig oogenblik lang leek alles hem met rukken
en sprongen te gaan...
Het was puur geluk dat het paard nog in Hankey kwam te vallen, en
niet vóór zij aan de huizen kwamen of ze achter zich gelaten hadden.
Niemand weet hoè het paard kwam te vallen, of het struikelde, of dat de
rat van de andere zijde het werkelijk een van die kervende beten van
boven naar beneden gaf met haar tanden (die zij aanbrengen en kracht
bijzetten met hun volle zwaarte); en de dokter werd niet gewaar dat hij
zelf gebeten was, vóór hij in het huis van den metselaar was, en nog
veel minder had hij gemerkt wannéér de beet was toegebracht--hoewel
hij gebeten was en erg ook--een lange snede, als de snee van een
dubbelen tomahawk, die twee evenwijdigloopende reepen vleesch van
zijn linker schouder gerukt had.
Hij stond op een gegeven oogenblik rechtop in zijn tilbury en het
volgende was hij op den grond gesprongen, met een erg verstuikten
enkel, hoewel hij dit toen niet bemerkte, en sloeg woest naar een derde
rat, die direct op hem kwam aanvliegen. Hij kan zich den sprong dien
hij gedaan moet hebben boven over het rad, toen de tilbury kantelde,
haast niet meer herinneren, zoo snel en verward werd hij bestormd
door indrukken.
Ik voor mij geloof dat het paard steigerde toen de rat het in den
strot beet, opzij viel en de heele geschiedenis meesleepte; en dat
de dokter als het ware instinctmatig er uit sprong. Toen de tilbury
viel, sprong het oliereservoir van de lantaarn, en smakte plotseling
een hellen gloed van brandende olie en witten vlammengloed temidden
van den strijd.
Dit was het eerste wat de metselaar zag.
Hij had het geratel van de naderende tilbury gehoord en--hoewel de
dokter zich hier niets van herinnert --het wilde geschreeuw dat de
dokter deed hooren. Hij was haastig uit bed gekomen, en terwijl hij
dit deed, hoorde hij den vreeselijken smak, en zag dien gloed buiten
opschieten door het half-opgehaalde gordijn. "'t Was nog helderder dan
de dag," zegt hij. Hij bleef met het gordijnkoord in de hand staan
en staarde met open mond het venster uit naar den welbekenden weg,
die een verandering had ondergaan als in een nachtmerrie. De donkere
gestalte van den dokter met zijn om zich heen slaande zweep rees en
daalde tegen de vlam. Hij zag het paard staan, half verborgen door
den gloed, met een rat aan zijn keel. In de duisternis, die tegen
den kerkhofmuur opstond, schitterden de oogen van een tweede monster
kwaadaardig. Een derde--niets meer dan één brok vreeselijke duisternis
met rood-gloeiende oogen en vleeschkleurige handen--klemde zich onvast
aan den rand van den muur, waar het tegen opgesprongen was bij het
oplaaien van den uit-elkaar-springende lantaarn.
Ge kent wel den scherpen snuit van een rat, met die twee scherpe
tanden en de meedoogenlooze oogen. Ongeveer zes maal vergroot en
nog meer vergroot door duisternis en verbazing en de plotseling
opschietende schimmen van een grilligen gloed, moet dit alles iets
vreeselijks geweest zijn om aan te zien voor den metselaar--die nog
meer dan half sliep.
Toen had de dokter de gelegenheid, die het oplaaien der vlam hem een
oogenblik aanbood, te baat genomen, en verdween uit het gezicht van
den metselaar, en stond beneden op de deur te rameien met den knop
van zijn zweep....
De metselaar wilde hem niet binnenlaten vóór hij licht aangestoken had.
Er zijn lieden die dat in den man gelaakt hebben, maar ik aarzel
om mij aan hun zijde te scharen, tot ik mijn eigen moed beter heb
leeren kennen.
De dokter gilde en hamerde op de deur...
De metselaar zegt dat hij huilde van angst toen de deur eindelijk
openging.
"Grendel," zei de dokter, "grendel"--hij kon niet zeggen "grendel de
deur." Hij probeerde te helpen maar kon niet. De metselaar grendelde
de deur en de dokter moest eerst een poosje op den stoel naast de
klok zitten voor hij den trap kon opkomen...
"Ik weet niet wàt 't zijn!" herhaalde hij verscheidene malen. "Ik
weet niet wat het zijn,"--en zijn stem ging de hoogte in, telkens
als hij aan "zijn" kwam.
De metselaar wilde hem whiskey geven, doch de dokter wilde niet alleen
gelaten worden met niets dan een flakkerend licht.
Het duurde geruimen tijd voor de metselaar hem ertoe kon bewegen naar
boven te gaan...
En toen het vuur uit was, kwamen de reuzenratten terug, sleepten
het doode paard dwars het kerkhof over naar het veld waar het puin
neergeworpen werd en aten ervan tot de dageraad aanbrak, en zelfs
toèn durfde nog niemand hen storen.