IV.

Dit gebeurde in het begin van Juni. Gedurende een paar weken was

Bensington verhinderd de Proef-Hoeve te bezoeken door een ernstige,

doch zuiver denkbeeldige catarrh, en Redwood bracht er slechts een

noodzakelijk overhaast bezoek aan. Hij kwam terug, als vader nog

bezorgder kijkend dan vóór hij ging. Alles bij elkaar genomen, was

het nu zeven weken dat de groei staag en ononderbroken voortging...

En toen begonnen de wespen hun loopbaan.

Het was achter in Juni, en bijna een week vóór de kippen uit

Hickleybrow ontsnapten, dat de eerste der groote wespen gedood

werd. Het bericht ervan verscheen in verscheidene bladen, maar ik

weet niet of het nieuws den heer Bensington bereikte, en nog veel

minder of hij het in verband bracht met het gebrek aan orde dat in

alles op de Proef-Hoeve heerschte.

Er bestaat nu niet meer den geringsten twijfel aan, dat, terwijl

de heer Skinner de kuikens van den heer Bensington opfokte met

Herakleophorbia IV, een aantal wespen èven werkzaam--en misschien nòg

werkzamer--bezig waren hoeveelheden van hetzelfde deeg te vervoeren

naar hun vroege zomer-broedsels op de heuvelen achter de naburige

pijnbosschen. En het is boven allen twijfel verheven, dat deze vroege

broedsels precies evenveel baat vonden bij deze substantie als de

kippen van den heer Bensington. Een wesp bereikt uitteraard vroeger

den rijpen leeftijd dan een kip--en inderdaad waren van al de wezens

die--door de gulle achteloosheid der Skinners--deelden in de geneugten

waarmede de heer Bensington zijne kippen overlaadde--de wespen de

eersten, die in de wereld op den voorgrond begonnen te treden.

Het was een boschwachter, Godfrey genaamd, op het buiten van

luitenant-kolonel Rupert Hick, bij Maidstone, die het eerste dezer

monsters ontmoette en het geluk had het te dooden. Hij liep tot aan

zijne knieën in de brem, dwars over een open veld in de beukenbosschen,

die verscheidenheid brengen in het park van luitenant-kolonel Hick,

en hij droeg zijn geweer--gelukkig voor hem een dubbelloops--over

zijn schouder, toen hij het ding het eerst in het oog kreeg. Het kwam,

zegt hij, met het licht mee, zoodat hij het niet duidelijk kon zien,

en terwijl het op hem afkwam, liet het een gesnor hooren "als een

automobiel." Hij geeft toe dat hij bang werd. Het was blijkbaar zoo

groot als, of nog grooter dan een kerkuil, en voor zijn geoefend oog

moet de vlucht en in het bijzonder het nevelige gedwarrel der vleugels

iets onheilspellend on-vogelachtigs geleken hebben. Bij het instinct

van zelfverdediging, stel ik mij voor, kwam langdurige gewoonte,

toen, zooals hij zegt, hij "het schot er aftrok."

Het vreemde van het geval had waarschijnlijk invloed op zijn mikken;

het grootste gedeelte van zijn schot hagel miste tenminste, en het

ding viel slechts een oogenblik neer met een nijdig "Wzzzz," dat

het onmiddellijk kenmerkte als een wesp. Toen vloog het weder op,

terwijl alle strepen tegen het licht glansden. Hij zegt dat het op

hem af kwam. Hoe dan ook, hij ledigde zijn tweeden loop op nog geen

twintig pas, en wierp zijn geweer weg, liep een paar pas ver weg,

en bukte zich toen om het uit den weg te gaan.

Hij is er zeker van dat het hem op nog geen meter afstands

voorbijsnorde, tegen den grond sloeg, weder opvloog, nogmaals neerviel,

op misschien dertig meter afstand, en toen op zij rolde, met een zich

krommend lichaam, terwijl de angel om zich heen stiet, in en uit, in

zijn laatsten doodstrijd. Hij schoot er beide loopen nogmaals op af,

vóor hij er zich dichtbij waagde.

Toen hij aan het meten ging, bevond hij dat het een vlucht van

zevenentwintig en een halven duim had, en de angel was drie duim

lang. De buik was hem schoon van het lijf weggeschoten, maar hij

schatte de lengte van het ding van kop tot angel op achttien duim--wat

ongeveer uitkomt. Zijn facetten-oogen waren zoo groot als guldens.

Dat is de eerste authentieke verschijning van deze reuzen-wespen. Den

dag daarna scheelde het heel weinig of een fietsrijder, die met

opgetrokken beenen den heuvel tusschen Sevenoaks en Tonbridge kwam

afdalen, reed over een tweede dezer reuzen, die dwars over den weg

kroop. Zijn voorbijkomen scheen het dier te verschrikken, en het vloog

òp met een gedruisch als een zaagmolen. Zijn fiets hotste over den

weg in de ontroering van het oogenblik, en toen hij in staat was òm

te kijken, zweefde de wesp heen, hoog over de bosschen, in de richting

van Westerham.

Na een tijdje onvast voortgereden te hebben, remde hij, stapte af--hij

beefde zoo hevig, dat hij over zijn fiets viel terwijl hij het deed--en

ging aan den kant van den weg zitten om bij te komen. Hij was van plan

geweest naar Ashford te trappen, doch kwam niet verder dan Tonbridge

dien dag...

Merkwaardig genoeg zijn er de eerstvolgende drie dagen geen berichten

van groote wespen, die gezien werden. De weerberichten van die

dagen raadplegend, bevind ik dat de lucht bedekt was, en het door

plaatselijke buien te koud was om veel uit te vliegen, wat misschien

deze tusschenruimte verklaart. Op den vierden dag was de hemel weder

blauw, en scheen de zon prachtig en braken er zooveel wespen los,

als de wereld voorzeker te voren nooit gezien had.

Het is onmogelijk te raden hoeveel groote wespen er dien dag te

voorschijn kwamen. Er zijn minstens vijftig gevallen van hunne

verschijning vermeld. Er viel één slachtoffer, een kruidenier, die

een van deze monsters in een suikervat ontdekte en het onbezonnen

aanviel met een spa, toen het opvloog. Hij sloeg het neêr voor een

oogenblik, en het stak hem door zijn laars toen hij het een tweeden

slag toebracht, en het lichaam van het dier in tweeën sneed. Hij was

het eerste van hun tweeën dood...

De meest dramatische van die vijftig verschijningen was wel die van de

wesp die het Britsch Museum bezocht, tegen den middag, en die uit het

blauwe luchtruim neerschoot op een der tallooze duiven die op het plein

vóór dat gebouw gevoederd worden, en ermee naar de kroonlijst vloog

om zijn slachtoffer op zijn gemak te verslinden. Daarna kroop zij een

tijdlang over het dak van het museum, kwam door een vallicht den koepel

der leeszaal binnen, gonsde hier eenigen tijd in rond--er ontstond een

paniek onder de lezers--vond eindelijk een raam en verdween plotseling

in stilte weder uit de menschelijke waarnemingssfeer.

Het meerendeel der andere berichten behelsde niets anders dan dat

ze langs, of neergekomen waren. Een picnic werd te Aldington Heuvel

uiteengejaagd en alle lekkernijen en de jam verorberd, en een jonge

hond werd gedood en aan stukken gescheurd dicht bij Whitstable,

voor de oogen van zijn meesteres...

De straten weerklonken dien avond van den roep over de wespen,

de plakkaten der nieuwsbladen wijdden zich in de vetste letters

uitsluitend aan de "Reusachtige Wespen in Kent!" Opgewonden

hoofdredacteurs en redacteuren holden wenteltrappen op en af en

brulden allerlei over "wespen." En Professor Redwood, die uit zijn

college in Bondstreet kwam, opgewonden door een warm dispuut met

zijn comité over den prijs van jonge stieren, kocht een avondblad,

opende het, verschoot van kleur, dacht geen oogenblik langer aan zijn

jonge stieren en zijn comité, en reed zoo hard het paard maar loopen

wilde in een bakje naar Bensington's kamers.

Het voedsel der Goden en hoe het op Aarde kwam · 第 16 / 103 题