De Jonker van Klochterhof

Op den Klochterhof te Friesdorf bij Bonn moet eens een edel jonker

gewoond hebben, die in de omstreken van Bonn algemeen als een groot

drinker bekend stond. Eens was jonker Erich vol ijver in het bosch,

dat den Godesberg omringt, gaan jagen. Het was een warme dag, hij

maakte weinig buit, was zeer vermoeid en had een ontzettenden dorst. De

avondzon weerkaatste in den Rijn, toen de heer Erich mismoedig het

geweer omgespte en met zijn buit, een vet haasje, naar huis draafde.

Destijds stond er aan den zoom van het Godesberger bosch een herberg

(thans staan er zeer vele), daar trad de jonker van Klochterhof

binnen, gaf de waardin den haas en laafde de dorstige keel met

parelenden landwijn. Toenmaals moet het druivensap, dat de zon op de

Friesdorfer en Godesberger hoogte deed rijpen, veel beter geweest

zijn, dan tegenwoordig. Het sappige wild, door de bekwame hand der

waardin klaar gemaakt, behaagde den jonker zeer, maar nog meer het

edele nat, dat de bedrijvige hand van den waard hem inschonk. Menige

bokaal goot de dorstige jonker door de verdroogde keel en menige

krijtstreep maakte de waard aan den post van de deur.

De nacht drong den heer Erich tot vertrekken. Aangenaam was het zitten,

en moeilijk viel het opstaan; de waard, die als een ruwe klant bekend

stond, trok een ernstig gezicht: "Twaalf bokalen: Denk ook aan het

betalen, mijnheer de drinker!"

Toen zong de jonker met dubbelslaande tong een oud lied, dat in den

ouden tijd reeds de groote Pumpus van Perusia gezongen moet hebben.

"Betalen gaat heden niet, omdat ik het geweer niet met penningen laad."

De ruwe waard griefde het vroolijke antwoord van den drinkebroer. Hij

trok een boos gezicht. "Als gij geen geld meer hebt, dan houd ik

uw broek tot pand. Kom morgen terug, mijnheer de drinker, en los uw

broek en uw schande weer in."

Naar den Klochterhof bij Friesdorf wankelde met onvaste schreden een

man, die te veel gedronken had. Hij had het warm en tegelijkertijd

koud. Hij schreed als in den nevel voort, en de dennen van het woud

fluisterden elkaar een vreemde geschiedenis toe. Er waren er, die zeer

lustig suizelden, maar de bejaarde dennen schudden bedenkelijk hun

kruinen, evenals de maagdelijke berken, die blozend den nacht dankten,

dat hij de oogen van de kuische bloempjes in het woud gesloten....

Of de jonker van Klochterhof ingelost heeft, wat hij verpandde? De

sage zwijgt daarover. Bekwame kroniekschrijvers ontkennen het.

Aan den zoom van het Godesberger woud stond langen tijd een herberg

"Zum Junkerhof" genaamd, maar de ondeugende nakomelingen van de vrome

voorvaderen verdoopten haar "zur Junkerhose" en vertellen elkaar bij

den parelenden wijn, dien de zon op de Friesdorfer en Godesberger

hoogte laat rijpen, de geschiedenis van de broek van den heer Erich.

Sagen van den Rijn(#15163) · 第 102 / 114 题