De heer Koenraad van Isenburg, keurvorst van Trier, was een zeer
hebzuchtig man. Toen de bisschop van Mainz, niettegenstaande het
machtwoord van den keizer, dat hij niet bevoegd was, den vrijen
doortocht op den Rijn te belemmeren en belasting van de reizigers te
heffen, de Rijnbelasting invoerde, deed hij hetzelfde. Bij den burcht
Stolzenfels, dien hij op een boschachtigen bergtop gebouwd had, liet
hij een sterk tolhuis bouwen. Het beheer hiervan gaf hij in handen
van zijn kamerheer Gerhard Frundsberg.
Deze slotvoogd was nog hebzuchtiger dan zijn heer. De drukkende
tolgelden, die hij op Stolzenfels hief, waren haast ondragelijk,
zoo gebruikte hij b.v. speciaal daarvoor afgerichte honden, die de
rondtrekkende joden moesten opspeuren en wanneer die hun smokkelarij
ontdekt hadden, moesten ze dubbel tol betalen.
De beheerder Frundsberg beging hierbij het groote schelmstuk het
aartsbisdom voor een gedeelte van de belastinginkomsten te berooven,
en door zijn steeds grooter wordende rijkdom werd zijn hebzucht
nog meer aangewakkerd. Een rondtrekkend Italiaan, Lionarde genaamd,
die door zijn geheimzinnige kennis van de planeten bij ridders en
geestelijken voordeel zocht te behalen, hoorde van de schraapzucht
van den Stolzenfelser slotvoogd. Hij verzocht den heer Frundsberg
om een vertrouwelijk onderhoud en beroemde zich er toen op, dat hij
in de raadselachtige kunst der alchimie het onmogelijke tot stand
kon brengen. Volgens zijn zeggen was hij een adept, dat is iemand,
die de wonderbaarlijke kunst verstaat met de beide geheime middelen,
zooals de steen der wijzen en elixir alle onedele metalen in zilver
en goud te veranderen, ook kon hij met den eersten, Grootelixir of
Panacée des Levens genaamd maken, dat verdund als vloeibaar goud alle
gebreken genas, den ouderdom verjeugdigde en het leven verlengde.
Met lichaam en ziel gaf de hebzuchtige administrateur zich aan den
Italiaanschen adept over. Hem ontging in zijn eerzuchtige verblindheid,
dat het den valschen man alleen om zijn vermogen te doen was, en in
afwachting van de hem Voorgespiegelde schatten, liet hij zich meer
dan ooit tot lage verduistering van hetgeen aan het Keurvorstendom
behoorde, verleiden. Handenwringend smeekte Gertraud, zijn lieftallig
dochtertje, hem, zich niet in het verderf te storten. Maar haar
smeeken vond bij den verstokten vader geen gehoor.
Daar verscheen op een dag de heer Koenraad van Isenburg op Stolzenfels,
om van zijn kamerheer Gerhard Frundsberg rekening en verantwoording
omtrent de Rijnbelasting te ontvangen. En met angst zag de ontrouwe
rentmeester het uur van de afrekening tegemoet.
In haar doodsangst smeekte Gertraud den alchimist om redding in den
nood. En terwijl zijn oogen begeerig schitterden, deelde Lionardo haar
mede, dat alleen de zelfopoffering van een jonkvrouw in staat zou zijn
den vader te redden. Door zulk een offer zou hij ontelbare koninklijke
schatten en eer verwerven, later een gelukkigen ouderdom, kortom al het
aardsche geluk zou hem beschoren zijn. Zwijgend hoorde het meisje deze
woorden aan en verklaarde zich toen bereid, haar jong leven terwille
van den innig geliefden vader te geven, hetgeen, volgens zeggen van den
Italiaanschen toovenaar de geheimzinnige machten der alchimie eischten.
Tegen het aanbreken van den volgenden nacht begaf zij zich naar de
afgelegen torenkamer, die Lionardo als meest afgezonderd vertrek
voor zijn goudmakerskunsten gebruikte. Over een groote tafel in het
midden van de kamer was een purperen kleed gespreid; een schaal stond
daarop, en daarnaast lag een dolk. Op een drievoet, die daarbij stond,
kronkelden blauwachtige vlammetjes omhoog en hulden het lage vertrek
in een benauwend schemerlicht.
De goudmaker reikte het doodsbleeke meisje een blinkend wit linnen
laken over en beval haar vervolgens haar kleeren af te leggen, zich op
het purperen kleed op de tafel uit te strekken en haar jonkvrouwelijk
lichaam met het laken te bedekken.
Terwijl het opofferende meisje in droefgeestige stemming aan haar
onzaligen vader dacht en deed wat haar bevolen was, boog Lionardo zich
over de offervlam, verbrandde daarin een stukje hout, afkomstig van
het gebergte Libanon, en mompelde in zijn puntbaart onverstaanbare
woorden. Vervolgens trok hij, terwijl de jonkvrouw de oogen van
schaamte gesloten hield en haar reine ziel den Heer aanbeval, snel
het omhulsel van haar af en zwaaide, terwijl hij met fonkelende oogen
zijn tooverformulier ten einde prevelde, den dolk in de opgeheven
rechterhand in de richting van het hart van het meisje.
Op hetzelfde oogenblik werd de deur geopend. Met een ijzeren greep
omklemde een hand den opgeheven arm, en een slag deed den toovenaar
als een slachtdier ter aarde storten. Over Gertraud, die blozend
het laken om haar kuische leden hulde, boog jonkheer Reinhard van
Westerburg, de jeugdige hoofdman van de keurvorstelijke bezetting
op Stolzenfels zich met gepasten eerbied. Het opofferende meisje
beleed hem alles, wat er gebeurd was. Hij echter deelde haar mede,
hoe hij, door haar zonderling gedrag van dien avond verschrikt,
angstige voorgevoelens had gekregen en het sedert langen tijd in
stilte beminde meisje totaan het uur, waarop zij den drempel van deze
kamer overschreed, gade geslagen had. Hoe dan een hoogere macht hem op
het laatste oogenblik ingegeven had, hier binnen te dringen, en een
gruwelijke euveldaad te verhinderen, waarvoor hij den Italiaanschen
goochelaar morgen aan den beul van den keurvorst zou overleveren. Bij
deze laatste woorden sprong de goudmaker, die op den grond lag, alsof
hij dood was, als een sissende slang overeind, stiet een gruwelijken
vloek uit en ontvluchtte.
Den volgenden morgen is jonkheer Reinhard van Westerburg tot den heer
van Frundsberg gegaan en heeft dezen verzocht hem zijn lieftallige
dochter Gertraud tot gemalin te geven. Toen de kamerheer van den
keurvorst den hooghartigen ridder verward meedeelde, dat zijn
dochtertje, hoewel rijk aan lieftalligheid en deugden, zulk een
met goederen gezegenden heer onwaardig was, verklaarde de heer van
Westerburg, dat hij aan zijn aanzoek slechts een voorwaarde verbond:
De vader van zijn bruid moest van hem zonder dralen de som aannemen,
welke de vreemde bedrieger, die dezen nacht door den duivel gepakt was,
hem afgeperst had.
Terwijl de heer Gerhard Frundsberg bij het hooren van deze
dubbelzinnige woorden verbleekte, kwam er een stalknecht naar binnen
gestormd, die mededeelde, dat ze beneden bij een uitstekende rots den
Italiaanschen toovenaar met gespleten schedel gevonden hadden; hij had
waarschijnlijk bij nacht en nevel den weg gemist en een doodelijken
val gedaan. Toen heeft de slotvoogd een kruis gemaakt. Jonkheer van
Westerburg hield steeds de handen van den sidderenden oude in de
zijne en drong er nogmaals op aan hun schatten met elkaar te ruilen.
Tegen den middag kwamen de Trierers in gala op Stolzenfels aan. De
heer Koenraad van Isenburg heeft nauwkeurig afgerekend en alles in
de beste orde bevonden. Na verloop van eenige dagen heeft hij het
deugdzame dochtertje van zijn trouwen kamerheer aan den hoofdman van
zijn Stolzenfelsche bezetting toevertrouwd, en de hoogeerwaarde heer
verheugde zich zeer, zijn vesting Stolzenfels nu in dubbel goede
handen te weten.