De tempelier van Lahneck

Tegenover Koblenz boven Lahnstein verheft zich op den vijfhoekigen

Bergfried, Lahneck, een der weinige burchten, die uit ruïnen

tot goed bewoonbare kasteelen herschapen zijn. Aan Lahneck, dat

in hetzelfde jaar als het Heidelberger slot door de horden van

Lodewijk den Dertienden neergeschoten werd, is een treurige sage

verbonden. Door de tempeliers, wier ordehuis in Jerusalem stond,

moeten deze vestingen gebouwd zijn, waarvan de wachttoren dertig

meter boven de kamers uitstak.

De rijkdom der tempeliers bracht hun ongeluk te weeg. De lage

koning der Franschen Philipp, die den bijnaam van den Schoone had,

bewerkte bij den paus, op grond van gefungeerde zware beschuldigingen,

dat de veel gesmade orde opgeheven werd, en haar grootmeester met

vijftig volgelingen op den brandstapel gebracht werden. Overal

werden de veroordeelde ridders op gruwelijke wijze uitgeroeid,

waarbij verbeurdverklaring hunner aanzienlijke goederen meer dan de

geloofsijver tegen de vermeende ketters en zondaars de drijfveer was.

Op het trotsche Lahneck, dat twaalf tempeliers met dienstpersoneel

herbergde, richtten zich de begeerige blikken van Peter van Aspelt,

den aartsbisschop van Mainz. Tegen zijn bevel, dat hij op grond van

hun zoogenaamde afkeurenswaardige levenswijze uitvaardigde, om den

burcht te ontruimen en den witten wapenmantel met het roode kruis voor

de boetende monnikspij te verruilen, verzette het twaalftal zich als

ridders zonder vrees of blaam.

Dit hitste de hebzucht en toorn van den bisschop nog meer aan. Van

den Hoogepriester, dien hij, toen deze te Avignon zwaar ziek lag, met

goed gevolg verpleegd had, verkreeg Peter van Aspelt een bijzonderen

vrijbrief, die hem de macht over de bezittingen en het leven der

bannelingen te Lahneck gaf. Hij trok dus met vele vazallen en soldaten

den Rijn af en gaf den tempeliers het pauselijk geschrift over, met

bevel zich te onderwerpen. Indien zij weigerden te gehoorzamen, zou de

burcht stormenderhand genomen worden, en de bewoners als onboetvaardige

zondaars door de handen van den beul een smadelijken dood sterven.

De oudste der twaalf ridders, een grijsaard met zilveren haren, legde

in naam van zijn broeders de verklaring af, dat ze vast besloten

waren tot den laatsten druppel bloed te strijden; eveneens waren ze

bereid, evenals hun broeders in Frankrijk folterkwelling en ketterdood

te verdragen.

Zoo begon de strijd van de overmacht tegen de minderheid. Met bebloede

hoofden werden zij, die tot de partij van den keurvorst behoorden,

door de ridders en hun getrouwe schildknapen teruggedreven; maar steeds

zond de vertoornde aartsbisschop andere mannen in het strijdperk. Het

aantal der verdedigers slonk met den dag. Onder hen blonken in dezen

strijd van man tegen man de heldenfiguren der twaalf tempeliers in den

witten mantel met het bloedroode kruis uit. Daar zonk een der twaalf

ridders met brekende oogen naast de met leeuwenmoed verdedigde muur

onder het verbrijzelde schild neder; de tweede volgde hem en toen de

derde. De anderen, die uit vele wonden bloedden, verdubbelden met de

weinig overgeblevene burchtlieden hun dapperheid; maar onbarmhartig

maaide de dood in hun midden.

Toen op den avond na de hevigste bestorming de belegeraars de

overwinning behaald hadden en hun vlag op de veroverde tinnen

plaatsten, stond de grijsaard met het zilveren haar, die voorheen het

woord gevoerd had, als laatstovergeblevene met zijn met bloedbevlekt

zwaard tusschen de lijken van zijn gevallen broeders.

De bisschop, getroffen door zooveel heldenmoed, beval hem zich over

te geven.

Hij echter vervloekte den hebzuchtigen kerkvoogd en ging met hoog

opgeheven zwaard op zijn vijanden af. Hun slagen deden ook den laatst

overgeblevene van het twaalftal vallen, en over het lijk van dezen

held drongen de Mainzers in den thans onbeheerden burcht.

Peter van Aspelt maakte Lahneck tot verblijfplaats van den baljuw van

het Keurvorstendom Mainz en benoemde tot eersten hoofdschout Hartwin

van Winningen. Zoo behoorde de burcht ruim driehonderd jaar tot het

Keurvorstendom Mainz; maar de treurige geschiedenis van de twaalf

tempeliers op Lahneck is steeds in die omstreken bewaard gebleven.

Sagen van den Rijn(#15163) · 第 69 / 114 题