In de omstreken van Koblenz, niet ver van den oever van den Rijn,
staat op een bloemenrijke weide de historische Koningsstoel. Hier
op Rhenser grond, waar het gebied van de drie groote bisschoppen van
Keulen, Mainz en Trier aan elkander grenst, verzamelde het vorstelijke
zevental zich, om den nieuwen gebieder van het heilige Romeinsche rijk
te kiezen. Hier werd als eerste bij de vrije vorstenverkiezing Karel de
Vierde, de vader van Bohemen en de stiefvader van Duitschland gekozen;
hier koos ook het zevental Wenzeslaus, den zoon van den Luxemburger
tot Duitschen keizer. Bij zijn leven had de keizer reeds veel moeite
gedaan, dat zijn oudste zoon verkozen werd, en was in hoogst eigen
persoon met hem naar Rhense aan den Rijn getrokken, alwaar in den
beroemden Koningsstoel de kanselier van het rijk, de aartsbisschop
van Mainz dikwijls gewichtige conferenties hield met de bisschoppen
van Trier, Keulen en den paltsgraaf.
Destijds was Wenzeslaus van Bohemen verrukt over den Rijn en zijn
heerlijken wijn, en toen hij later werkelijk, minder door eigen
verdienste, dan door de bemoeiingen van zijn vader en de genade van
den keurvorst, keizer van Duitschland werd, terwijl zijn broeder
Sigismund het onvruchtbare Brandenburg erfde, heeft hij den Rijnwijn
meer eer aangedaan dan eenig drinkebroer. Het goud der druif trok
hem meer aan dan dat der kroon, en daar een lekker glas wijn nergens
zoo goed smaakt als aan de bron zelf, zocht hij zeer dikwijls den
braven paltsgraaf van den Rijn op, die in den gezegenden "Rheingau"
woonde en meer fusten in zijn kelder had dan er heiligen in het jaar
zijn. Den hoogedelen Ruprecht van de Palts was dit bewijs van 's
keizers vertrouwen volstrekt niet onaangenaam, en door buitengewone
gastvrijheid trachtte hij zijn keizerlijken gast steeds genadiger
voor zich te stemmen.
De slimme Ruprecht zou niet ongaarne het paltsgrafelijke kroontje
voor de keizerskroon verruild hebben, en als zijn vorstelijke gast,
door den wijn in een vroolijke stemming gebracht, hem mededeelde hoe
lastig de keizerlijke praal voor den drager daarvan was, dan gaf de
paltsgraaf hem uit den grond van zijn hart gelijk. Hij liet ook niet
na zijn gebieder mede te deelen, hoe weinig de wijze keurvorsten over
het nalatig bestuur van het rijk gesticht waren, en hoe verheugd ze
over zijn mogelijk aftreden zouden zijn. Keizer Wenzel hoorde dit,
zittende achter zijn volle bokaal met ijzige kalmte aan en dronk
onderwijl het eene glas na het andere uit.
Eens zat de keizer weder met zijn mededrinkers bij den Rhenser
Koningsstoel en algemeen heerschte er een vroolijke geest, want
de paltsgraaf schonk vurigen Aszmannshäuser in groote bokalen. Met
welbehagen proefde Wenzel den edelen drank en de overige drinkers
hadden geen woorden genoeg, om het edele vocht te prijzen.
En terwijl de bekers rondgingen en vroolijke melodiën in de koningshal
weerklonken, verhief de keizer zich plotseling van zijn zetel, en
door den wijn overmoedig gestemd, zeide hij tot den paltsgraaf:
"De kroon, die men mij op het hoofd gezet heeft, zou u niet lastig
zijn. Welnu, ik bied haar u aan, indien gij mij en den anderen gasten
een wijn schenkt, die nog beter smaakt, dan deze Aszmannshäuser."
Toen knipte de paltsgraaf zeer vroolijk met de oogen, wenkte daarop
zijn schildknaap en na een poosje sleepten de knechts een bestoven
vat naar binnen, waaruit dadelijk de bekers gevuld werden. En de
paltsgraaf verhief zich en bood de eerste bokaal den keizer aan.
"Dit is mijn Bacharacher, edele Heeren! Proeft hem; ik onderwerp mij
zonder vrees aan uw oordeel."
En men hoorde een welbehaaglijk slurpen en zag vele voldane
gezichten. De vurige Bacharacher vond algemeenen bijval, en
keizer Wenzel verhief zich en gaf hem luid de voorkeur boven den
Aszmannshäuser. Hij kon het edele druivensap niet genoeg prijzen
en proeven.
"De wijn is meer dan kronen waard," sprak hij na elke ferme teug.
Hij heeft ook woord gehouden. De heer Ruprecht van de Palts kreeg
de koningskroon en schonk keizer Wenzei uit dankbaarheid zes groote
vaten Bacharacher wijn.