De vrouw van den Wispermolenaar

In den ouden tijd heeft in het woeste dal achter Lorch, dat

de Wisperbeek doorstroomt, een molen gestaan. Eens, toen de

molenaarsvrouw, een opgewonden jonge vrouw aan het werk was, moet

haar een stem toegefluisterd hebben, dat ze naar den Kammerberg

moest opstijgen en den schat halen, die in den toren verborgen lag;

de sleutel bevond zich in de kist. De molenaarsvrouw keek verschrikt

om, maar toen ze niemand zag, kwam ze tot de overtuiging, dat de een

of andere onzichtbare grappenmaker haar voor den gek gehouden had. Den

volgenden dag echter, toen zij aan de beek de wasch spoelde, fluisterde

haar wederom een zachte stem in het oor: "Ga naar den Kammerberger

toren en haal den schat. De sleutel ligt in de zwarte kist."

Toen heeft de vrouw de wasch laten liggen, en haar man het

tooversprookje, zooals zij het vernomen had, medegedeeld. Deze echter

heeft haar voor een domme vrouw uitgemaakt en schertsend gezegd, dat

in zijn meelkast een vertrouwbaarder schat lag, dan in de zwarte kist.

De molenaarsvrouw kon de woorden, die haar ingefluisterd waren maar

niet vergeten, en steeds heviger maande de verlokkende stem van het

spreukje, totdat zij haar geheel in haar macht had.

Den volgenden morgen, toen de molenaar uitgereden was om een lading

meel naar Lorch te brengen, heeft zijn vrouw den molen verlaten,

en is met haar jongste kind op den arm den weg naar den Kammerberg

opgegaan. Toen zij boven aan de ruïne kwam, is het haar wel angstig

te moede geworden, en was zij gaarne omgekeerd, maar wederom klonk de

fluisterende stem aan haar oor, die haar mededeelde, dat haar niets

deren zou, slechts spreken mocht ze geen syllabe. Wanneer ze zich

hieraan hield, dan zou de schat haar eigendom zijn.

Moedig is de vrouw toen het donkere torengewelf binnengetreden,

heeft haar knaapje buiten voor den ingang neergezet en de zwarte

kist opgezocht. Zij heeft haar ook gevonden, evenals den sleutel, die

daarin lag. Hiermede heeft ze de grootere kist geopend, die achter in

het gewelf stond en toen ze het zware eikenhouten deksel oplichtte,

straalde haar een hoop schitterende goudstukken tegen.

Met begeerige handen tastte de vrouw toe, opeens echter begon het

knaapje angstig kermend: "Moeder, Moeder!" te roepen, want een slang

ritselde naast hem in het met bloemen versierde gras. De vrouw wendde

zich om en riep wrevelig uit: "Wat is er, jongen?" Op hetzelfde

oogenblik ratelde een donderslag, die de gehurkt zittende vrouw op

den grond wierp en vreeselijk weergalmde het nu door het gewelf:

"Wee mij, dat gij gesproken hebt! Wederom moet ik honderd jaren

onbevrijd blijven! Wee mij en u!"

Tegen den middag is de molenaar teruggekomen en heeft de molen leeg

gevonden. Zijn knecht heeft hem medegedeeld, dat de molenaarsvrouw

's morgens den Kammerberg opgegaan was, met haar jongste kind op den

arm. Een droevig voorgevoel is bij den molenaar opgekomen en als ging

hij op vleugelen is hij den Kammerberg opgesneld. Rustig was het in

den ouden burcht. In het gras zat zijn knaapje te spelen en strekte

juichend de armen naar den vader uit. Toen hij op het kind toesnelde,

hoorde hij zacht kermen in de gewelven van den toren en toen hij ontzet

naar binnen vloog, vond hij zijn vrouw op den grond uitgestrekt liggen.

Een bleeke man is in den molen van Wisperbach weergekeerd. Drie

dagen daarna heeft het molenrad stil gestaan. Op het Lorcher

kerkhof heeft men toen de vrouw van den Wispermolenaar aan de aarde

toevertrouwd. Sedert dien tijd heeft niemand het gewaagd, den schat

te verkrijgen.

Sagen van den Rijn(#15163) · 第 40 / 114 题