De Muizentoren

Onder Bingen ligt midden in den vloed op een eenzaam eiland een vesting

in den vorm van een toren, de Muizentoren genaamd. Sedert eeuwen is

hieraan de naam van een aartsbisschop uit Mainz op sornbere wijze

verbonden. In de sage wordt deze slechte Hatto van een vreeselijke

misdaad aangeklaagd, waardoor hij in de heele Rijnstreek en nog veel

verder veroordeeld is geworden.

Een eerzuchtig, harte- en trouweloos mensch moet hij geweest zijn,

een wreed heer voor zijn onderhoorigen. Hooge belastingen perste hij

hun af, liet hen tol betalen en verzon tallooze belastingen om aan zijn

heersch- en pronkzucht te voldoen. Tusschen Bingen en Rüdesheim liet

hij in den Rijn den stevigen toren bouwen en hief van alle schepen,

die stroomaf voeren, tol.

Spoedig daarop was de oogst in het land van den Main mislukt.

Droogte en hagel vernielden het toch reeds schaarsche graan en de

duurte van levensmiddelen werd nog vermeerderd, daar de aartsbisschop

Hatto groote hoeveelheden graan opgedaan en op zijn zolder afgesloten

had. De hongersnood was spoedig verschrikkelijk; maar de ongelukkigen

smeekten den wreeden heer tevergeefs, den prijs van het graan, dat hij

op zijn zolders had, te laten dalen. Wel drongen zijn raadslieden er

op aan, dat hij medelijden met de ongelukkigen zou hebben, maar Hatto

bleef ongeroerd, en toen de stijgende ellende en de hardvochtigheid

van den gebieder verbittering te weeg brachten en oproerige stemmen

zich onder het volk, dat zoo zwaar beproefd was, deden hooren, zette

Hatto de kroon op zijn wreedaardige handelwijze.

Eens drong een bedelende menigte jammerend in het aartsbisschoppelijk

paleis en smeekte den aartsbisschop, die juist aan zijn overdadigen

maaltijd zat, om voedsel.

Hij had juist tot zijn dischgenooten op knorrigen toon gezegd, dat het

beter zou zijn als dat ellendige volk op de een of andere manier van

de wereld verdween; dan zou het van alle zorgen verlost zijn en ook

hij zou dan niet meer door hen lastig gevallen worden. Toen nu de in

lompen gehulde menigte, mannen, vrouwen en kinderen met holle oogen

en bleeke gezichten voor hem neervielen en om brood schreeuwden,

kwam er plotseling een flikkering in zijn oogen. Hij wenkte hen

met gehuichelde welwillendheid, beloofde hun koren en liet hen in

een schuur voor de stad brengen, alwaar ze zooveel graan zouden

krijgen als ze noodig hadden. Vol blijdschap en van dank vervuld,

ijlden de ongelukkigen weg; toen zij echter allen in de schuur waren,

liet Hatto de deur sluiten en de schuur aansteken.

Vreeselijk was het gekerm van de ongelukkigen. Tot aan het paleis van

den bisschop moet het geschreeuw doorgedrongen zijn. De wreede Hatto

riep echter spottend tot zijn getrouwen: "Hoort hoe de korenmuizen

piepen? Nu is het gebedel uit. De muisjes zullen mij bijten, als het

niet waar is."

Verschrikkelijk echter trof hem de straf des hemels. Uit de brandende

schuur slopen duizenden muizen naar het paleis, vulden alle vertrekken

en vielen zelfs den aartsbisschop aan. In ontelbare scharen sprongen

zij door zijn kamers, en hoewel zijn bedienden tallooze gulzige

knagers verdelgden, zoo toch werd hun aantal steeds grooter en hun

vraatzucht steeds heviger. Afgrijzen vervulde den aartsbisschop,

en daar hij een voorgevoel van Gods oordeel had, ontvluchtte hij per

schip de stad om zich aan de woedende beten van zijn vervolgers te

onttrekken. Maar de onverdelgbare schaar zwom hem in legioenen na,

en toen hij vol vertwijfeling den toltoren bereikte, meenende in de,

door water omgeven, vesting veilig te zijn, vervolgde het grijze

muizenleger hem ook hierheen, knaagde met de scherpe tanden een

toegang tot den toren en bereikte spoedig hem, dien het vervolgde.

Hij heeft ook het onderspit gedolven, de afschuwelijke. Eindelijk

moet hij vol wanhoop zijn ziel aan den duivel beloofd hebben indien

deze zijn lichaam verloste, en de duivel moet in het helsche vuur

tusschenbeide gekomen zijn, het schokkende lichaam bevrijd hebben en

de ziel op den derden dag voor zich genomen hebben.

Dit deelt de sage mede. Maar zachter oordeelt haar zuster, de

geschiedenis, over Hatto, den strengen aartsbisschop van Mainz. Zij

laakt slechts een ding in hem: zijn heerschzucht. Hierdoor verkreeg

de Mainzer zetel die wereldlijke macht, waardoor hij later de

eerste bisschopsplaats van het rijk werd. Al vonden de burgers van

Mainz dit niet onaangenaam, zoo toch was de trotsche, despotische

geest van hem, die haar verworven had, zeer gehaat, en daar hij

bovendien den slottoren in de rivier had laten bouwen, van waar

uit hij alle voorbijvarende schepen voor de belasting onderzoeken

liet--doorsnuffelen, "müsen" zeiden de Duitsche voorvaderen en zegt

de "Rhein-lander" nog heden--zoo mag deze Muizentoren, waarbij ook

nog de haat van een onderdrukt volk kwam, deze vreeselijke sage in

omloop gebracht hebben.

Sagen van den Rijn(#15163) · 第 30 / 114 题