In den hoogen Dom te Speyer stonden duizenden mannen in ridderlijke
wapenrusting te luisteren. Aan het altaar zat Koenraad de Staufe in
den koningsstoel, de handen op het gevest van zijn zwaard gevouwen,
luisterende naar de geestdriftige redevoering van Bernard van
Clairvaux over de gruwelijke verwoesting van de heilige plaatsen van
het beloofde land. Toen de heilige monnik zijn rede eindigde met op
indrukwekkende wijze een beroep te doen op den moed der belijders
van den christelijken godsdienst, weerklonk door de gewelven van
den Dom uit duizenden monden tegelijk als ware het één kreet: "Op,
naar Jerusalem!"
Ontelbare ridders boden den vromen keizer in den kruistocht tegen de
heidenen hun diensten aan. En onder hen bevond zich ook Hans Brömser,
heer van de Niederburg bij Rüdesheim, de laatste afstammeling van
zijn geslacht. Niets weerhield hem; zijn gemalin rustte onder de
aarde, en de eenige telg uit hun huwelijk Mechtilde zou den vader
onder de hoede van de naburige familie Falkenstein evenmin missen,
als hij dit het aankomende meisje in het Syrische land zou doen.
Zoo trokken de vrome strijders naar de moeilijke wegen van dat land,
waar onze Heer geleefd en geleden heeft. De oogen van vele edellieden
zijn daar in den strijd tegen de Saracenen voor eeuwig gesloten;
velen trof een nog treuriger lot, zij waren levend dood, daar zij vol
smaad in de gevangenissen der ongeloovigen versmachtten. Ook ridder
Brömser viel, na een verloren slag, in handen der Turken en zat in
een afschuwelijken onderaardschen kerker gevangen. Gelijk een dier
liet de pacha den ridderlijken vijand een molensteen in beweging
houden. Dag op dag verging, en met steeds heviger smart verdroeg de
ridder den smaad zijner vijanden. Toen legde hij in een uur van de
bitterste wanhoop voor den Heer de volgende plechtige belofte af:
"Schenk mij de vrijheid weer en ik beloof u, dat mijn eenig kind
Mechtilde den sluier aan zal nemen."
En hij herhaalde den heiligen eed nog eens en ten derde male.
Toen gebeurde, wat geen der wapendragers ooit had durven hopen: De
dappere kruisvaarders bestormden het Turksche slot in de zandwoestijn
te Syrië en bevrijdden hun geloofsgenooten uit de vernederende
gevangenschap. Uit dankbaarheid jegens God leende Hans Brömser zich op
nieuw voor de heilige zaak. Toen keerde hij terug naar het vaderland
aan den Rijn.
Op het met mos begroeide slotplein omhelsde Mechtilde hem lang en
zwijgend. Naast de zeventienjarige stond de jonker van Falkenstein, die
zich diep voor den teruggekomen heer boog en hem zacht begroette met
de woorden: "Welkom, vader!" Toen kwam er plotseling een herinnering
bij den ridder op, die de vreugde van het weerzien vergalde.
In de rijk versierde staatsiezaal vierde Hans Brömser, omringd
door zijn getrouwen, zijn gelukkigen terugkeer. Luide loftuitingen
weerklonken in den kring der kruisvaarders; iedereen luisterde, toen
de gevaren, die de helden doorleefd hadden, verhaald werden. Hoe hij
voor het geloof gestreden en in gevangenschap der heidenen geleden had,
vertelde de ridder met geestdrift aan de luisterende schaar.
Daarop liet hij zijn stem dalen, en met plechtige woorden deelde Hans
Brömser de verzamelde menigte zijn belofte mede, die hij in het heilige
land in de grootste wanhoop afgelegd had. Toen weerklonk een gil door
het ruime vertrek en het dochtertje van den ridder, nog witter dan
het tafellaken, zonk bewusteloos ter aarde. De jonker van Falkenstein
verhief zich met vlammende oogen en roode wangen, en sprak met vaste
stem: "Mechtilde behoort mij, ze heeft in een plechtig uur beloofd,
mij voor eeuwig te zullen toebehooren!"
Met gefronst voorhoofd legde de burchtheer de fluisterende gasten het
zwijgen op: "Mechtilde behoort den hemel toe en niet jou, knaap. Dezen
eed deed de laatste Brömser en hij zal hem ook houden!" Met ingehouden
toorn riep de ridder dit uit en in bedrukte stemming gingen de
gasten uiteen.
Mechtilde lag in woeste smart in haar kamer. Flikkerend wierp de
kleine lamp aan het crucifix haar schijnsel op de liggende, die de
voortkruipende uren van den nacht in liefdesmart doorbracht. De met
tapijten behangen muren, van het in schemerlicht gehulde vertrek,
leken het jonge meisje drukkende kerkermuren.
Zij ijlde, met het lichtje in de bevende hand, den hoogen wenteltrap
op naar den zolder en vertrouwde het harde leed van haar jonge ziel
den kalmeerenden nacht toe.
Geleund tegen een der schietgaten in den muur, staarde zij naar de
tegenovergelegen Felsenburg waar de welgemoede minnaar, aan wien ze
zich voor eeuwig verbonden had, vertoefde.
"Geliefde!" klonk het snikkend in den nacht. Aan den hemel waren
geen sterren: een ruwe herfststorm begeleidde den hartestorm van de
jonkvrouw en blies plotseling met een hevigen rukwind om de vesting.
Toen weerklonk er een gil, kort en schel. Was het de loeiende wind of
een menschelijke kreet? In de stilte van den nacht stierf hij weg. Van
het hoogste punt van de Brömserburg stortte het lichaam eener vrouw
in de af grijselijke diepte en werd door het stroomende water van
den Rijn verzwolgen.
Een prachtige herfstmorgen volgde op den stormachtigen
nacht. Tevergeefs zocht men boven in de Brömserburg naar Mechtilde,
het dochtertje van den burchtheer. Beneden echter hebben ze in alle
vroegte een meisje uit het water gevischt, waarvan de oogen reeds
gebroken waren. Een sombere stoet bewoog zich toen naar den burcht,
waar de smartkreten van velen weerklonken over de vroeg geknakte bloem,
de laatste spruit van den Brömserstam. Hans Brömser heeft zich op het
lijk geworpen en zijn gebaard gezicht lang en zwijgend in de plooien
van het sneeuwwitte gewaad verborgen. Geen traan hing aan zijn wimpers.
Voor de zielsrust van de dochter, die den sluier niet wilde aannemen,
legde hij in de grootste treurigheid opnieuw een belofde af; hij zou
een kerkje laten bouwen op den heuvel tegenover zijn vesting. Toen
heeft hij zich in zijn vertrek opgesloten en in droevig gepeins de
verdere dagen doorgebracht, totdat frisch groen op het graf van zijn
onzalig kind ontlook.
Sedert dien tijd zijn er maanden verstreken, maar nog is er niet aan de
beloofde boetkapel begonnen. Verbitterd heeft Hans Brömser zich steeds
meer van de wereld afgezonderd en zich in de treurige eenzaamheid
teruggetrokken. Toen is er eens een knecht met de beeltenis van de
moeder Gods bij hem gekomen.
Een stier had dit bij het ploegen op den heuvel tegenover den
burcht opgeworpen, en de knecht heeft driemaal "Not Gottes!" hooren
roepen. Toen heeft Hans Brömser zich zijn belofte herinnerd en
terstond het kerkje, dat hij den Heer beloofd had, laten bouwen voor
de zielsrust van Mechtilde. "Not Gottes" heeft hij het genoemd en
zoo heet het nog heden.