Dat de oude Romeinen reeds de heilzame bronnen van Wiesbaden kenden,
en hun geschiedschrijver Plinius ze reeds geroemd heeft, is door
de geschiedenis bekend. In een vroolijk sprookje wordt verteld,
dat de duivel in eigen persoon de kracht der bronnen bij zich zelf
geprobeerd heeft. Nadat meester Urian, zoekende naar zielen, door de
Papensteeg in het heilige Romeinsche rijk geslenterd had, rustte hij
vermoeid van het loopen, in een herberg voor de poorten van Mainz
uit. Hij voelde volstrekt geen genegenheid voor deze vrome stad,
omdat in het register van de onderwereld geschreven stond, dat uit
Mainz sedert jaar en dag geen ziel meer beneden aangekomen was. Het
verdroot hem nog meer, dat eenigen van de drinkebroers zoo vermetel
waren in overmoedige scherts den dommen duivel te bespotten, wiens
zaken in de buurt van Mainz volstrekt niet bloeiden.
Terloops vroeg hij den waard, terwijl hij zijn puntbaardje opstreek,
hoe het toch kwam, dat de menschen in en bij Mainz volstrekt niet
aan sterven dachten. Een fijn glimlachje kwam op het gelaat van den
waard, die den reiziger in den sjofelen tabberd mededeelde, dat de
drinkebroers om de vurige kracht van het druivensap tegen te gaan
en velerlei ziekten af te wenden een bijzonderen witten gloeiwijn
dronken, die hen allemaal weer gezond en frisch maakte, zoodat magere
Hein met de zeis, de neef van den duivel, op de vlucht gejaagd werd.
Toen spitste de gast de helsche ooren en wist tegelijkertijd, dat
deze genezende wonderdrank uit den grond te Wiesbaden ontsprong en in
groote hoeveelheid aan de warme bron verkrijgbaar was. Daar vervoegde
zich den anderen morgen een vreemdeling in een sjofelen tabberd,
die op klagenden toon vertelde, dat alle ziekten der menschheid
zich in zijn ellendige beenderen genesteld hadden, slechts de bron
te Wiesbaden zou hem kunnen behoeden voor dood en duivel, aldus had
zijn gastheer in Mainz hem verzekerd. "God geve, dat dit wonderwater
zegen voor u aan zal brengen, arme stakker," zeide de waard aan de
warme bron medelijdend, en bemerkte tot zijn groote ontsteltenis,
dat het gezicht met de puntbaard zich bij zijne woorden tot een
duivelschen grijnslach vertrok.
Van oudsher bezaten de waarden heldere hoofden en waren op hun welzijn
bedacht. De kastelein aan de warme bron te Wiesbaden maakte hierop
geen uitzondering. Hij zag den wonderlijken kurgast lang zwijgend aan,
klopte hem toen rustig op den schouder en zeide slechts: "Beste vriend,
gij zijt de werkelijke duivel in eigen persoon."
En terwijl deze hem verbaasd aanstaarde, vervolgde hij meesmuilend:
"Komaan, waar zoo velen zich gezond drinken, kan ook de duivel zijn
portie krijgen. Als gij u verplicht zeven dagen achter elkaar tusschen
twaalf en een uur vijftig glazen uit de Wiesbadensche bron te drinken,
dan verzeker ik u, dat gij daarna van al uwe kwalen genezen zult
worden. Onderbreekt gij echter de kuur, dan mag mijn ziel eens in het
hemelrijk komen, terwijl gij dan alle rechten daarop verloren hebt."
Deze overeenkomst behaagde den duivel zeer, die dadelijk daarop inging
en onmiddellijk den wonderbaarlijken witten wijn, die borrelend uit
de aarde opsteeg, begon te proeven. Hij vond, dat de vijftig glazen
wel wat te veel van het goede waren, maar hij overwon zijn tegenzin
bij de gedachte aan de arme ziel, die de waard aan de warme bron hem
zoo lichtvaardig beloofd had.
De duivel bracht geen rustigen nacht door en dronk den tweeden middag
met nog meer tegenzin de bepaalde hoeveelheid Wiesbadener water,
dat de waard van de bron hem met welbehagen aanbood. Nog onrustiger
bracht hij den volgenden nacht door, verwenschte herhaaldelijk dezen
boosaardigen drank en verzocht den waard den derden dag dringend om een
rustdag. Deze echter wees hem droog op de afgeslotene overeenkomst en
bood hem dienstvaardig met vele vrome wenschen het derde halve honderd
glazen van den kristalhelderen wijn aan. De duivel sloop geknakt weg
en dacht met een rilling aan den volgenden nacht. Toen hij den vierden
middag gelijk een schaduw aan de bron kwam, scheen hij werkelijk door
alle ziekten der menschheid aangetast te zijn. Maar de waard bleef
onverbiddelijk en wilde van een overeenkomst niets weten. Boetende voor
alle begane zonden dronk Belsebub de overeengekomene hoeveelheid op.
Den volgenden nacht gebeurde het, dat de verschillende mannetjes
en vrouwtjes, die in Wiesbaden de drinkkuur deden, door een helsch
lawaai in hun rustigen slaap gestoord werden. Met een zondigen vloek
vloog iemand op en nam dan, met een gruwelijke verwensching over den
vervloekten helschen Wiesbadener drank, de vlucht.
"In Wiesbaden kom ik nooit weer terug!" waren zijn laatste hoorbare
woorden.
Den volgenden morgen mompelden de badgasten onder elkaar, dat de
nachtelijke rustverstoorder niemand anders dan de duivel in eigen
persoon geweest was, en zij vroegen den waard aan de warme bron, die
van alles op de hoogte was, naar dezen wonderlijken gast. Deze echter
haalde slechts de schouders op over de groote domheid van den duivel.
Worms.
De Nibelungen.
De oudste der steden aan den Rijn in Voorromeinschen tijd gebouwd,
mag met rechttrotsch zijn op haar Domkerk, die een der merkwaardigste
Romeinsche bouwwerken van Duitschland is en dikwijls door Frankische en
Duitsche vorsten tot residentie verkozen werd. Daar Worms, gedurende de
groote volksverhuizing de verblijfplaats van den oppersten krijgsheer
der Bourgondiërs was, hebben de schoonste heldensagen, welke er
bestaan, al daar het licht gezien.
Roemrijk hebben de koningen van dezen Oost-Germaanschen volksstam,
komende van de Weichsel, aan de oevers van den midden-Rijn geregeerd,
totdat de oorlogzucht der Hunnen en de begeerigheid der Romeinen het op
"komende rijk weder te gronde gericht hebben"
Koning Gundikar was met een groot deel van zijn strijders op het
slagveld gevallen. De rest van de overwonnenen werd door de Romeinen
een woonplaats aangewezen in Zuid-Gallië. terwijl de Franken zich
op de thans door de Bourgondiërs verlaten plaatsen aan den Rijn
verstigden. Hoewel de Bourgondische koningen nauwelijks anderhalve
eeuw aan de Main en midden-Rijn geregeerd hebben, zoo toch heeft
de herinnering aan hen in de harten der Rijnfrankische volkeren zoo
voortgeleefd, dat hun tragisch uiteinde in de wereldliteratuur als
de meest merkwaardige sagen-poëzie is blijven bestaan.
In dien tusschentijd zijn andere, ook op de bodem van Worms ontsproten,
sagen in de herinnering van het volk levendig gebleven, die edele
deugden van mannen en vrouwen met onomkoopbare trouw schilderden. Een
dergelijk verhaal is het duizendjaar oude Waltharilied, bezingende den
onverschrokken Heer Walter van Aquitanie, die met Hildegonde van koning
Attila's hof terugkeert en onderweg in't Wasgenwald door den koning
der Franken Gunthari en zijn strijders overvallen wordt, die hij na
een heeten strijd terugslaat, waarna hij met roem overladen, als held
in zijn geboorteland terugkeert. Tot de meest populaire sagen behooren
die, waarin die heldenfiguur van Siegfried gevlochten is. Was deze
Siegfried, de Sigurd van de oude bewoners van het Noorden (van wiens
jeugdige heldendaden dit sagenboek reeds op een andere plaats spreekt)
een mythische figuur--een lichtende held aller wereldgodsdiensten,
die door de machten der duisternis overwonnen werd--of slechts een
blonde sprookjesheid of wel een geschiedkundige persoonlijkheid? Laten
wij deze vraag den geleerden ter beantwoording. Voor ons is en blijft
hij de lievelingsfiguur van de Duitsche heldensage.
Bij elke gelegenheid, dat de ridders van den Rijn genoodzaakt waren
naar de wapens te grijpen en zich te verdedigen tegen de mannen van
het Oosten, was Siegfried hun aanvoerder Zoo zien we zijn roem vermeld
in het oude verhaal van den ridder Dietleib, waarvan de sage zegt,
dat hij heenging om zijn vader Biterolf te zoeken. Eveneens wordt
hij verheerlijkt in het lied van den Wormser Rozentuin, ofschoon de
Opperduitsche auteur door ijverzucht gedreven, den strijders van den
Rijn in hun twaalf gevechten van man tegen man met de Gotisch-Hunsche
helden, den overwinnaars roem wilde betwisten.
In verschillende overleveringen en vervormingen heeft de geschiedenis
van de Bourgondische koningen Gunther, Gernod en Giselher, die tevens
de laatste lotgevallen van Siegfried in zich sluit, door rondtrekkende
zangers den weg gevonden tot de Neder- en Opperduitsche stammen, zelfs
tot in 't Donaudal, waarbij hun oorspronkelijk heidensch karakter
geleidelijk verdwenen is.
Doordat een onbekende liederzanger, wiens naam men wel nooit zal
te weten komen, aan het einde van het 12e jaarhonderd de sage
uitvoerig in een lied omzette, is zij als een kostbaar overblijfsel van
Germaansche epiek bewaard gebleven. Een rilling gaat ons thans nog,
evenals vroeger onze voorvaderen door de leden, als zij ons vertelt
van de hevige teugellooze hartstocht van haar mannen en vrouwen en
de schokkende aaneenschakeling van zonde en berouw.
Een vreeselijk lied van schuld en straf! Geheel overeenstemmend met de
toenmalige geest van het volk, beginnende als een liefelijke idylle
en eindigende als een gruwelijk treurspel. Aan het hof van koning
Gunther van Bourgondië te Worms verschijnt, aangetrokken door de
lieftalligheid van Kriemhilde, zuster des konings, een jonge held,
Siegfried genaamd. Hij is ook een koningszoon. Zijn vader Siegmund
regeert in Xanten "nieden by dem Rine"
Koning Gunther neemt den blonden held als leenman in zijn dienst. Als
getrouw vazal verovert hij in den strijd, zonder medeweten des
konings de trotsche koningin van het eiland Ysland als gemalin
voor den vorst. Ter belooning daarvoor ontvangt hij Kriemhilde's
hand. Grootmoedig schenkt hij Kriemhilde als bruidsgeschenk den
Nibelungenschat, dien hij in jonge jaren in een overwinning op de zonen
van den koning der Nibelungen en den bewaker van den schat Alberich
als prijs behaald had. Louter vreugde heerscht aan het hof te Worms;
echter niet bij allen. Behalve door Kriemhilde wordt Siegfried nog
door een ander in 't geheim bemind. Dit is Brünhilde. Het geluk der
bruid Kriemhilde doet de afgunst in haar binnenste ontwaken en zij
heeft voor deze geen vriendelijk woord meer over. Aldus vervreemden de
beide vrouwen van elkaar. Op zekeren dag uit zich Brünhildes jaloezie
in scherpe bewoordingen. Toen weet Kriemhilde haar tong niet meer in
bedwang te houden. In een heftige rede werpt zij haar schoonzuster voor
de voeten, dat niet Brünhilde's echtgenoot Gunther, maar Siegfried
destijds met haar den eersten huwelijksnacht doorgebracht heeft. Tot
bewijs toont zij haar ring en gordel, die Siegfried in dien nacht de
sterke Brünhilde ontnomen en Kriemhilde geschonken heeft. Opvliegend
werpt zij Brünhilde een leelijken scheldnaam naar het hoofd en betwist
haar het recht het eerst de kerk binnen te treden.
Weenend deelt Brünhilde den koning den haar aangedanen smaad mede. De
beleedigde koning wordt vertoornd en diens vazal Hagen peinst er over
hoe hij Siegfried in 't verderf kan storten. Voor 't oog doet hij of
hij zijn meesteres wil wreken, doch de ware reden is het verkrijgen
van den Nibelungenschat.
Bij een jachtpartij in het Odenwald werd Siegfried, toen hij
zich bukte, om uit een bron te drinken door Hagen verraderlijk
doorstoken. Men besloot, dat er rondgestrooid zou worden dat Siegfried
alleen was gaan jagen en roovers hem overvallen hadden. Den volgenden
dag reden de koningen met hun gevolg over den Rijn naar Worms terug.
Voor Kriemhilde's kamer liet Hagen 's nachts den doode neerleggen, 's
Morgens vroeg, toen Kriemhilde zich gereedmaakte met haar vrouwen naar
de mis te gaan, ontwaarde zij den dierbaren afgestorvene. Van veler
lippen klonken jammerklachten. Kriemhilde wierp zich weenend op
haar vermoorden echtgenoot "Wee mij", riep ze, "Je schild is niet
door zwaarden doorstoken, gij werd door sluipmoordenaars gedood.
Wist ik wie de dader was, ik bracht hem om."
Vol praal liet zij den koninklijken held op een baar leggen en beval,
dat men een Gods gericht bij het lijk zou houden. Want er bestaat een
groot wonder, dat ook thans nog geschiedt, n.l. dat de wonden van
het slachtoffer opnieuw beginnen te bloeden, als de moordenaar het
nadert. Alle vorsten en Bourgondische edelen passeerden dus Siegfrieds
lijk, dat door de beeltenis van den gekruisigden Verlosser beschaduwd
werd en zie: als de sombere Hagen zijn slachtoffer nadert, beginnen
diens wonden opnieuw te bloeden. Ten aanschouwe der onthutste mannen
en vrouwen beschuldigt Kriemhilde nu Hagen den sluipmoord op haar
gemaal gepleegd te hebben.
Treurig was de boete, die op deze groote schuld volgde: de
Nibelungenschat, die de voornaamste aanleiding tot de schandelijke
daad geweest was, moest in den Rijn geworpen worden, ten einde in 't
vervolg hebzucht en twist uit de harten der krijgers te verbannen. Maar
Kriemhilde's oneindig groot verdriet was hiermede niet verdwenen,
evenmin als haar drang naar wraak.
Na de begrafenis van den held noodigde koning Siegmund Kriemhilde uit
naar den koningsburcht te Xanten te komen, doch te vergeefs. Gedurende
dertien jaren bleef zij te Worms in de nabijheid van den innig
geliefden doode, toen vertrok zij naar de abdij Lorch, die door haar
moeder, de hertogin Ute gesticht was. Daarheen nam ze Siegfrieds
lijk mede.
Toen daarop Etzel, het opperhoofd der Hunnen haar een huwelijksaanzoek
deed, gaf zij den heiden haar jawoord. Niet uit liefde, doch door
andere beweegredenen geleid. Zij trok met hem naar Hongarije. Daar
liet zij Siegfrieds moordenaar door vele harer dienaren op listige
wijze bij zich noodigen, ten einde hem in 't verderf te storten op een
manier, die ons met afschuw vervult. Ook de medeplichtige koningen van
Bourgondië, sedert de schat tot hen gekomen was, Nibelungen genaamd,
hebben in de Etzelburg onder de aanvallen der Hunnen hun ontrouw met
den dood bekocht.
Zonder mededoogen liet Etzels gemalin haar geheele familie
onthoofden. Den boosaardigen Hagen sloeg ze eigenhandig met Siegfrieds
zwaard het hoofd af. Daarop werd de razende vrouw door den vertoornden
Hildebrand gedood.
Hier eindigt de sage. De treurmare van de Nibelungen is in den
volksmond het meest populaire heldenlied geworden.
Door deze sage wordt de historische ondergang der laatste Bourgondische
koningen van Worms door alle eeuwen heen op dichterlijke wijze
verheerlijkt.