MANNELIJK TOILET.

Er komen soms gewichtige overpeinzingen in mij op, die ik, om ze niet te

vergeten, wil boeken in mijn Dagboek. Het waren heden overpeinzingen

over ons mannelijk toilet en ze zullen mij niet met rust laten, voor ik

ze in woorden heb overgezet; ze zullen mij dan niet meer kwellen: zóo

stort een lyriesch dichter zijn leed of geluk om zijne liefde uit in

sonnetten of liederen; zoodra hij de drukproeven dier liederen en

sonnetten heeft gecorrigeerd, is hij véel van zijn leed en zelfs ièts

van zijn geluk kwijt, en als mijne woorden, die overzetten zullen mijne

overpeinzingen over ons mannelijk toilet, zijn verschenen tot heil

mijner lezers, wil ik ook niet mij meer laten kwellen door zoo

gewichtige gedachten, als mij in gaven onze vertuitingen des lichaams.

* * * * *

Leelijk? Ons mannelijk toilet leelijk...?? Ik moet even, even nadenken.

Het is zoo dikwijls gezegd en de menschen praten elkander na, soms

zonder zich er van bewust te zijn. Is ons modern mannelijk toilet

leelijk? Ik geloof, nu ik na denk, bijna van niet. Ik besluit, nu ik heb

na gedacht, van niet. Ons mannelijk toilet is niet leelijk.

Stel voor, dat ik, die nu--ten minste van daag--slechts ben een

schrijver over gewichtige vraagstukken, een heel ander iemand was; stel

voor, dat ik was koning van Engeland of Spanje. Heb even

verbeeldingskracht, o lezer, en stel u voor, dat ik koning ben, van het

een of andere rijk, alleen nièt van Albanië. Dan zoû ik, naast minder

gewichtige vraagstukken, misschien ook in mijn vorstlijke hersenen

kunnen gedachten koesteren of het niet wenschelijk ware door mijn

soevereinen invloed wijzigingen op te roepen aan ons modern mannelijk

toilet. Het zoû zelfs mij wel een eerzucht zijn snit van rok, rokvest,

veston, pantalon een zekeren anderen draai te doen aan nemen, dan zij

reeds jaren lang om onze mannelijke leden namen en ik zoû het, geloof

ik, als koning van Spanje of Engeland, wel héel aardig vinden, als een

mode, die ik in het leven geroepen had, werd na gevolgd over de geheele

beschaafde wereld! Wat zoû ik daar trotsch op zijn! Stel u toch eens

voor, dat, binnen enkele jaren, dan iedere man--willen wij, om niet het

onuitstaanbare "heer" te zeggen, liever spreken van "gentleman" of

"caballero" in plaats van "man"?--dat dus iedere "caballero" of

"gentleman" de revers droeg, die ik had voor geschreven aan mijn

hof-tailleur, uit Madrid of misschien uit Londen! O zalige heerlijkheid,

o gestreelde ijdelheid, o extaze van snobisme, die dan mijn hart zoû

vervullen en geest, zóo, dat ik beiden geheel wijden kon aan andere

staatsbelangen. Het zoû mij versterken in de zekerheid, dat ik om koning

te zijn in de wieg was gelegd...

Goed, heel goed: een verandering aan revers zoû te creëeren zijn door

mijne vorstelijke bemoeiïngen; lieve hemel, zij geschiedt reeds zonder

deze! Maar... zoû ik òoit het wijs en goed vinden, als aesthetiesch

ontwikkeld koning, onze geheele kleedij in haar bestaanden vorm over

boord te werpen: zoû ik ooit wagen te decreteeren: leelijk zijnde

geoordeeld het mannelijk modern toilet, hult koning Luiz of Lewis de

zooveelste zich voortaan--ter navolging aan allen, gentlemen of

caballeros--in een toga, in een chitoon, in een chlamys, in een

riddergewaad uit de een of andere verleden eeuw, in plooien, in witte

waden, in Renaissance-brokaat, in kant met strikken en _aiguillettes_?

Het zoû heel mal zijn, zoo ik dit waagde. Ten allereerste omdat... ik

vermoedelijk alleen--nu ja, met twee, drie gunstelingen of vleiers--zoo

gehuld zoû blijven en de anderen, zelfs de meest elegante snobs, de

nieuwe mode ontzettend lastig of duur of onpraktiesch zouden gaan

vinden, in het moderne leven. Mijn decreet zoû geen succes zijn. Ik zoû

een zonderling worden geoordeeld. En onderdanen en niet-onderdanen

zouden gelijk hebben.

Ons mannelijk toilet eigent zich aan ons moderne leven en is daarom

alleen reeds--betrekkelijk--aesthetiesch, is daarom alleen reeds

"schoon". Eenmaal aangenomen de niet meer klassieke, noch

Renaissancistische, maar twintigst'-eeuwsche en betrekkelijke

"schoonheid" van ons moderne leven, waarin wij nu eenmaal bestaan, is

ons modern mannelijk toilet in zijne hoofdlijnen goèd en "schoon". Het

kan het ten minste zijn. Laten wij eerst eens zien naar de modesten

onder ons. Ten minste, als u een "chauffeur" een modeste onder ons wilt

rekenen. Dan vormen zoo een uniform-achtig chauffeursbuis van laken of

leêr, met die _leggings_ en met zoo een pet een absoluut aesthetiesch

kostuum; het geheel geeft iets forsch, iets flinks aan de

chauffeursgestalte en het is even harmoniesch met deze als de

toga-plooien waren aan een waardige senator-gestalte op het oude

Romeinsche forum. Meestal neemt de mannelijke gestalte--eerder dan de

vrouwelijke, die grilliger waagt en zich daarom wel eens vergist--de

precies vereischte, niet alleen praktiesch maar ook uitsluitend

harmoniesch aesthetische omhulling aan: zij deed dit met toga, chitoon

en chlamys, met harnas, wapenrok en Renaissance-riddergewaad; zij deed

dit onder Veertienden en Vijftienden Lodewijk; zij deed dit ook in onze

dagen. En als wij iets "absoluut leelijks"--want dat is ons mannelijk

toilet misschien wèl--zoo kunnen beredeneeren, verontschuldigen,

verdedigen en recht laten wedervaren, dan wordt het een "relatieve

schoonheid" en dàt is het maar, waartoe ik komen wilde en waartoe ik ook

ware gekomen zoo ik, koning en niet feuilletonist, over ons mannelijk

toilet hadde gepeinsd. Neen, ik zoû ook in zoo hooge pozitie geene

algeheele andere mode hebben voorgesteld. Ik zoû mij tevreden hebben

gesteld met reverswijziging en...

Toch niet. Ik zoû ons avondtoilet hebben gewijzigd en ik zoû er beslist

succes meê hebben, dat wed ik om alles. Ware ik koning Edward geweest of

ware ik nu nog koning Alfonzo--de een was elegant en de ander is

jong--dan hadde ik den zwarten rok gelaten voor plechtige

avondgelegenheid, dan hadde ik den gekleurden rok in de mode gebracht

voor wereldsch feest of festijn. En alle _gentlemen_ of _caballeros_

hadden mijn voorbeeld gevolgd. Voor oudere heeren de donkerblauwe, de

kastanjebruine, de ijzergrauwe rok... Waarom niet? Waarom niet de zwart

satijnen korte broek en het fluweelen vest, dat den verschillenden glans

van satijn en laken doet in zijn dofferen gloed samen smelten? Aan

laakbare kuiten zoû te verbeteren zijn. En dan voor de jongeren vooral

de licht grijze rok, heel licht grijs, heel elegant, heel besmettelijk,

absoluut adorabel en onpraktiesch, nauwlijks een kort seizoen durende,

duivegrijs, tortelgrijs, voor de woèst eleganten zoo een beetje met een

roze of mauve weêrschijn er door heen; het vest heel licht grijs satijn;

de _culotte_ doodeenvoudig zwart satijn, de kouzen zwart, de escarpins

zwart. Waarom zoû ik niet succes hebben met mijn gekleurden rok? En weet

ge, de dartelen onder ons--er _zijn_ wel eens dartele en zelfs

behaagzieke mannen--ze zouden het dan kunnen _wagen_ in plaats van de

witte das aan het fijne linnen, geplooide of gerimpelde overhemd een

kanten jabot te lanceeren, behoudende boord en manchetten gewoon als wij

dragen; alleen maar even zoo een kanten jabot, er als bij toeval aan

gespeld in plaats van het witte dasje: dat zoû zijn voor een elegant bal

en niet voor altijd. "Doe je je jabot van avond aan?" zoû men elkander

vragen. Duur zoû mijn mode wel zijn; zoû de ernstige onder ons met éen

gekleurden rok in zijne garderobe kunnen volstaan, ge begrijpt, de

dartele zoû naast den tortelgrijze ook hebben een licht blauwe, een

hazelbruine, een staalkleurige en een, niet geheel zeker van smaak, zoû

er bij wellicht een violette bestellen! Nu, enfin, een dónkerpaarse,

waarom niet? Kunnen wij altijd in de kleurstemming komen van een ander

en waarom is een lila rok nu niet goed als onze jagers wèl in scharlaken

mogen verschijnen?

Ik vind die roode rokken niet mooi, ik heb ze altijd grof van smaak en

opzichtig gevonden. Ware ik koning, mijn jagende edellieden zouden ze

mogen behouden, omdat dat rood wel aardig op vlakt tusschen het groen

van veld en bosch, maar omdat ik het wild, dat ik op mijn vorstelijke

tafel zoû zien, toch door anderen zoû laten dooden, zoû ik zelve geen

rooden rok bezitten...

Gekleurde rok, gij, die wel eens aan den horizon onzer mannelijke mode

schuchter doemde, koning, _ik_, zoû u brengen in eere! En ik weet zeker,

iedere _gentleman_ of _caballero_, zoû zich in schuld willen steken, zoo

noodig, voor een blauwe, een bruine, o voor een tortelgrijze...!

* * * * *

Maar ik ben geen koning en zal het nooit zijn, zelfs niet van Albanië.

En daarom zal ik er maar niet aan denken ièts aan ons mannelijk toilet

te kunnen wijzigen en het zelve ook maar dragen als het gedragen wordt,

in relatieve schoonheid. Troosten wij ons het geheele leven door niet

met relatieve? Laten de wèl gebouwden onder ons er dus niet àl te veel

over tobben, dat hunne athletische vormen iet wat te loor gaan in een

veston en een broek; laten de minder goed gebouwden het dus zegenen, dat

hen ons moderne toilet flatteert. En dragen wij ons mannelijk toilet,

trouw blijvende aan de algemeene lijnen en kleuren, dan toch met

personeel cachet. Het zijn de kleinigheden, die ons troosten in dit

leven. Is de algemeene kleur en lijn ook misschien "absolute

leelijkheid", er is véel aan te verstellen. Vooral voor ons eigen

gevoel, en daar komt het toch maar op aan. Als wij onszelve elegant

voelen in ons mannelijk toilet, moet het oordeel van den zeldzamen

aestheticus onder ons absoluut koud kunnen laten. En die élégance vóelen

wij vooral als wij beginnen met reeds het begin van ons toilet te

verzorgen. Als wij een elegante bazis leggen... Ik hoop, dat ge mij

begrijpt: ik vind het zoo vervelend over "ondergoed" te spreken. Het is

zoo een leelijk woord. Laat het dan ten mìnste smaakvol, soupel,

zijde-achtig zijn en prettig ons omsluiten in fijne maliën. Eenmaal diè

elegante bazis gelegd, bouwen wij met vaster vertrouwen het ensemble

omhoog van ons slechts betrekkelijk "schoon" toilet. Maar het

eenvoudigste donkere kostuum kan welbehagelijk aan voelen om onze leden,

en, om dit gevoel, schoonheid worden door gemakkelijke, losse, prettige

lijnen: de "opzet" is alles, in het leven, in de kunst, in onze

kleeding...

* * * * *

De "opzet" is ten minste een voornaam iets en de "kleinigheden" of

einddétails aan het slot zijn wederom voorname dingen. Laat een

minister, een notaris, een predikant nooit iets anders dragen dan een

zwarte of hoogstens donkerblauwe das--(die laatste voor den minister

alleen); laat verder óns met onze das trouw harmonieus blijven aan onze

stemming. Een das is aan ons toilet een voornaam détail: zelfs de

elegante man kan, zoo hij voor "stemming" vatbaar is, op een triestigen

dag wel eens behoefte hebben een lekker oud pak aan te doen: hij zal

echter zijn das zorgzaam kiezen in stemming-kleur en steeds de knoop er

van goèd leggen. Wie geen das weet aan te doen is nooit elegant. Wie een

das kiest met te sprekend figuur is nooit een stemmingvolle

das-aandoener. De effen das, en die in bijna àlle tinten, is de das voor

wie elegant is en stemming-wisselend. Zoo een das geeft beminnelijk vrij

spel in onze opgelegde toiletslavernij. Voor den Italiaan geeft de

zakdoek een eveneens zoo beminnelijk vrij spel. Mag de elders geboortige

_caballero_ of _gentleman_ wel eens een schuchter piekje doen

verschijnen uit linkerzak, aarzelend puntje, dat absoluut niets zegt, de

Italiaansche zakdoek doet meê met de stemming. Fronst zich het voorhoofd

van den bezitter, om zorg, kwaad humeur of wat ook, dan... verdwijnt de

zakdoek geheel. Verheldert zich de zieleatmosfeer, dat wipt de zakdoek

te voorschijn maar losser dan bij anderen volksaard. Is er echter

blijdschap en azuur in dezelve, dan fladdert, vroolijke slip, langere

wimpel de lucht in...

* * * * *

Hoed, wandelstok, handschoenen, bloem in het knoopsgat, wat zoû niet

voor u te bepeinzen zijn! Ieder onderdeel van het mannelijk toilet is

minstens eenige bespiegelingen waard, en het heeft mij wel eens

verwonderd, dat een elegante sonettendichter nooit eens die onderdeelen

of bovendeelen van ons toilet heeft gewaagd te bezingen in een

gevoelvollen sonnettenreeks. Mijn taak, o lezer, is eene modestere. Mijn

taak is alleen u even te hebben doen denken aan de relatieve schoonheid

van ons mannelijk toilet. Ik ben overtuigd, dat gijzelve, zoo gij er

thans behoefte toe gevoelt, even ernstig gewichtig als ik, zult kunnen

bepeinzen over deze gewichtige vraagstukken:

Is het dragen van een hoed op éen oor geoorloofd voor den _gentleman_ of

_caballero_...

Moet, dit aangenomen zijnde--bij het groetend af nemen van den hoed,

dien hoed weder (argeloos) in de zelfde schuinte worden op gezet of

nièt?

Moet de zakdoekslip, de vroolijke, de blijde, de wimpelende, zoo de

zakdoek ter neuze gebracht is... wederom ten zak worden in gestoken met

een poging om de zelfde lengte van slip te verkrijgen...?

Is het beter in natneuzige dagen een bij-zakdoek bij zich te hebben? Of

staat, op het moment der snuiting, het nièt goed zakdoek te zien bij

zakdoek?

Is de wandelstok een vereischte voor de aflijning der mannelijke maar

elegante silhouet?

Is er een datum van lente om de handschoenen uit te laten, mede te

dragen of te supprimeeren?

Zijn juweelen "gedistingeerd" of nièt "gedistingeerd" of hangt dit van

de persoon af?

Is het beter de steel van een anjelier vast te _spelden_ achter den

revers of verdient het aanbeveling gebruik te maken van het trensje, dat

voorzienige kleedermakers niet na laten te dier plaatse aan te brengen?

Bepeins de gewichtige vraagstukken zelve, o lezer. Natuurlijk, _ik_ zoû

ze voor u kunnen bepeinzen. Ik zoû over ieder gewichtig vraagstuk, hier

boven vermeld, een paar bladzijden kunnen geven, met ja of neen, met pro

en contra. Maar ik doe het niet. Want de voornaamste kwaliteit van een

schrijver is... te zwijgen op het moment, dat hij den lezer tot

bepeinzen heeft opgewekt...

En ik wil u niet te lui maken: ga dus rustig zelve aan den gang!

Jan en Florence · 第 16 / 20 题