Er bestaat geen norscher en wraakzuchtiger dier dan een oud
wild zwijn. Even als zijn geheele ras toont het zeer weinig
schranderheid. Door de dikte van zijn huid en door zijne groote kracht
komt het meestal ongedeerd uit een gevecht met een ander wild dier te
voorschijn. De lange, witte slagtanden, die in zijn onderkaak zitten,
worden door de gedurige wrijving tegen de bovenkaak zoo scherp als
een scheermes, en de steken die het er mee kan geven, zijn doodelijk.
Er zijn vele soorten van wilde zwijnen. Sommigen hebben een
afschuwelijk uiterlijk; hun kop is bedekt met wratten en uitwassen,
en uit hun langen stompen snuit steken groote tanden naar buiten. Dit
is o. a. het geval met het zoogenaamde wratzwijn in Afrika, dat het
leelijkste is van alle zwijnen. Op sommige eilanden van den Indischen
Archipel leeft een zwijn dat door de inboorlingen babi-roessa genaamd
wordt, van wege den vreemden en buitengewonen vorm van de slagtanden
die uit de bovenkaak steken. Deze slagtanden zijn zeer lang en scherp,
en in plaats van naar beneden en buiten te groeien, zooals bij de
andere soorten, steken zij aan elken kant van den neus uit beenachtige
pijpjes recht in de hoogte, en worden dan boven de oogen terug gebogen;
bij oude zwijnen worden de slagtanden ongeveer tien centimeter lang.
Men weet niet waartoe deze tanden dienen, want zij zijn het dier
somtijds hinderlijk in zijne bewegingen en kunnen ook niet ter
verdediging dienen. Ofschoon de babi-roessa dezelfde gewoonte heeft
als het gewone zwijn, graaft en wroet hij toch niet in den grond,
zooals de andere zwijnen altijd doen, maar leeft van afgevallen
vruchten die hij in de bosschen vindt.
De kleur van het wilde zwijn is altijd rosachtig zwart of bruin met
grijs gemengd. Het maskerzwijn van Zuid-Afrika heeft lange kwasten aan
de ooren, die puntig en dun zijn, en bezit doorgaans een roodbruine
huid, welks haren van onderen grijsachtig wit en van boven roodbruin
zijn. Dit dier ziet er vroolijker uit dan zijn sombere broeders.
Men gelooft algemeen dat de zwijnen ongevoelig zijn voor slangegif,
zoodat men niet zelden een kudde zwijnen houdt op plaatsen, die door
slangen onveilig gemaakt worden, daar de zwijnen de slangen vangen
en opeten. Het is bekend dat het zwijn niet zelden de ratelslang
vernietigt, hoewel deze zeer vergiftig is. Men beweert dat al wordt
het zwijn door de woedende slang gebeten, het vergif toch niet in
zijn bloed wordt opgenomen, omdat het lichaam onder de huid overal
met een dikke laag vet is bedekt. Daardoor ondervindt het zwijn geen
schadelijke werking van het vergif.
Zoodra het zwijn een slang ziet, valt het, met de borstels overeind,
op haar aan, en onverschillig voor hare vreesselijke beten, bijt het
de slang aan stukken en eet haar op.
De zwijnenjacht was en is nog heden ten dage in sommige gedeelten
van Europa een geliefkoosd tijdverdrijf. Bij zulk een jacht
behooren natuurlijk steigerende paarden, blaffende honden en
vroolijk hoorngeschetter; de stoutmoedige jagers ontkomen dikwijls
ter nauwernood aan het woedende dier, als het naar eene plaats
gedreven wordt waar de honden het omringen, en waaruit het niet kan
ontkomen. Dan is het zeer gevaarlijk om het zwijn te gemoet te gaan
en op de punt van het korte jachtgeweer op te wachten. Als men niet
goed treft, of als het dier de punt van het geweer op zijde schuift,
brengen zijne slagtanden verschrikkelijke wonden toe, of wel het
zwijn vertrapt het voorwerp van zijn haat onder zijne puntige hoeven.
In het zuidelijke gedeelte van Amerika leeft een klein zwijn, algemeen
bekend onder den naam van peccary. Het verschilt in vele opzichten van
de andere zwijnen, en behoort met eenige verwante soorten tot een ander
geslacht als ons gewoon zwijn. Deze kleine zwijnen leven gewoonlijk
in troepen, en kennen geen vrees voor aanvallen van andere dieren. Zij
zijn zoo wreed en stoutmoedig, dat menschen en beesten wel genoodzaakt
zijn hen te ontvluchten, want anders loopen zij gevaar van vreesselijk
gewond te worden door de korte, scherpe slagtanden van deze dieren. In
vergelijking van de andere soorten is hun uiterlijk niet leelijk,
de kleur van het haar is zwart-bruin, aan de lippen en kin wit.
Op het vasteland van Europa betwisten de wilde zwijnen en de wolven
elkander de heerschappij. De brommende, lafhartige wolven zijn zeer
gesteld op het vleesch van hun borsteligen vijand. Van de jonge zwijnen
ondervinden de wolven niet veel tegenstand; zij maken hen met gemak
van kant, ten minste als de vader of moeder er niet bij is om het
jong te beschermen.
Alleen in den winter, als de grond met sneeuw bedekt is en de zwijnen
half dood zijn door het lange vasten, durven de wolven een oud wild
zwijn aan te vallen. Zoodra de wolven dan een eenzaam ronddolend
zwijn zien, laten zij hun gehuil hooren; hier komen andere wolven
op af, die zich bij de jacht voegen, en nu in grooten getale hun
begeerde prooi achterna ijlen. Het zwijn begrijpt dat gehuil wel,
dat in het dichte bosch weergalmt, en het barsche eenzame oudje,
dat naar alle kanten met zijne bloeddorstige oogen rondziet, draaft
over de sneeuw en zoekt eene schuilplaats waar het zich beter dan op
de opene vlakte tegen zijne talrijke vervolgers kan verdedigen. Het
zwijn kent het gevaar dat hem dreigt, en vreest dat de wolven hem in
het opene bosch zullen overvallen, want tegen zoo vele dieren is het
niet bestand. Het gehuil wordt hoe langer hoe heviger, de begeerige
wolven komen nader; daar ligt een omgevallen boom, de wortels steken
uit den grond, het zwijn verschuilt zich tusschen de door elkander
gestrengelde wortels die hem genoeg kunnen beschermen, en wacht nu
achter deze natuurlijke verschansing zijne vijanden af. Kort daarna
verschijnen zijn vervolgers. Zij omringen zijn schuilhoek, trachten
de gevaarlijke slagtanden te ontduiken en het dier van achteren
aan te vallen; maar de wortels van den boom zijn te dik, en al hun
moeite is te vergeefs. Woedend dat zij zoo gefopt worden, vallen
zij het zwijn allen te gelijk aan, hopende hierdoor de overwinning
te behalen; maar het zwijn draait zijn grooten kop naar alle kanten,
en een van de wolven valt bloedende op den grond, terwijl de overige
wolven huilende achteruit stuiven. Daar zit het zwijn met zijne kleine,
bloeddorstige oogen veilig in zijn schuilplaats, met bloed en schuim
om den bek, en knort verschrikkelijk. Op het gehuil van de verslagen
wolven komen anderen hen te hulp: in het maanlicht vertoonen zich
de schaduwen van gedaanten die naderbij komen om hunne kameraden
te helpen. Nu wordt het gevecht nog wanhopiger en woedender dan
te voren. Door den honger gedreven, zien de wolven het gevaar over
't hoofd; zij vallen het zwijn van alle kanten aan. Maar het zwijn
is woedend, en maakt op een onbarmhartige manier gebruik van zijne
slagtanden. De gesneuvelde wolven liggen om hem heen, de sneeuw wordt
rood gekleurd door het bloed dat uit hunne gapende wonden vloeit, en
hun gehuil weergalmt door het bosch. De overige wolven worden nu bang,
en ontmoedigd door den dapperen tegenstand van het zwijn, sluipen
zij stilletjes weg. Thans komt het zwijn zegevierend te voorschijn
uit de schuilplaats, waarin het zoo deerlijk in 't nauw werd gebracht.