DIVA.

Een smaakvolle kleine coupé houdt stil voor een zijdeur van het groote

Theater "della Scala" te Milaan. Hoe weinig druk de plaats ook is

in schrille tegenstelling met het gewoel vóor het reeds schitterend

verlicht gebouw, toch heeft het voertuig de aandacht getrokken. Een

klein groepje vormt zich aan weerszijden van den ingang, als het

rijtuig ophoudt. Men fluistert elkaar toe en wijst naar 't portier,

dat zich snel opent. "De diva! Tizia Beatincanti!" klinkt op bedekten

toon links en rechts. De uitstappende jonge vrouw is inderdaad de

beroemde, beeldschoone zangeres, wier faam haar vooruitgesneld is bij

haar intrede in 't land der kunst. Ze zal dien avond zich voor 't eerst

te Milaan doen hooren, om dan haar triomftocht naar 't Zuiden voort te

zetten. Een triomftocht was 't. Nog zelden had een zangeres zoo opeens

de harten van 't kunstlievende Europa gewonnen, ja stormenderhand

genomen, als zij. Te Parijs was ze kort geleden, nauw drie maanden

te voren, verrezen als een ster van de eerste grootte. Na de eerste

voorstelling lag het veeleischende, op kunstgebied zoo tyrannieke,

fijngevoelige en grillige Parijs aan haar voeten. Er was éen

juichkreet in alle dagbladen, éen "ave victrix" onder 't publiek, op

alle plaatsen, in alle gesprekken. Lang voordat die bewonderingkoorts

uitgewoed zou zijn, vertrok de diva naar Engelands hoofdstad, waar

men van verlangen brandde, om die stem te hooren, waarvan de couranten

schier 't ongelooflijke verhaalden. Holland op haar terugweg slechts

passeerende, was zij over Bazel rechtstreeks naar Milaan vertrokken,

waar men haar weken te voren reeds met klimmend ongeduld verbeid

had. Ook daar was haar naam op ieders tong. Doch, zonderling als

't klinken mag, al wat men zekers van haar te weten was gekomen--'t

stond uitvoerig in de bladen--was wonderweinig: ze kwam van Parijs,

was een leerlinge van den grooten meester Félix Duvernier en had

slechts twee jaar onder zijn leiding zich voorbereid; voor 't overige

liepen de berichten vreeselijk uiteen. Ieder berichtgever hield er

zijn eigen verhaal op na, voor welks bijzondere authenticiteit hij ten

volle instond. De eene vertelde, dat ze van koninklijken bloede was,

door een tegengewerkte liefde op 't punt gestaan had den sluier aan

te nemen, maar op 't laatste oogenblik door Duvernier was weerhouden,

die, haar toevallig in een kerk hoorende zingen, haar eenig talent

ontdekt had. Een ander zeide, zeker te weten, dat ze van Hollandsche

afkomst was, en eigenlijk Batenkant heette, dat ze indertijd door

Duvernier op zijn reis naar 't Oosten uit den harem van een vorst op

Java heimelijk was weggevoerd, om haar te onttrekken aan de wraak van

een bloeddorstigen sultan, na een liefdesavontuur met een Hollandsch

officier. Weer een ander bestreed die bewering hevig: neen, ze was

rein als 't morgengloren, Italiaansche van geboorte, dochter van een

Italiaansch edelman en een Parijsch meisje van minderen stand, en

door haar vader aan de zorgen van Duvernier toevertrouwd, nadat hij

gelukkig genoeg was geweest haar groot talent te ontdekken, en zóo

gemakkelijk van den last eener onechte dochter was ontslagen. Tizia

Beatincanti was dus niet alleen beroemd, maar omgaf haar persoon

met een waas van geheimzinnigheid, dat haar aantrekkelijkheid,

zoo mogelijk, verdubbelde. En dan haar schoonheid! Ristori was

knap, Jenny Lind innemend, Patti mooi, Minnie Hauk bevallig, maar

Beatincanti was verrukkelijk schoon. Nooit had men hemelscher geluid,

uit lieflijker mond hooren opruischen. Nauwelijks verscheen ze bij een

optreden vóor 't publiek, of een siddering van heerlijke verrassing

liep door de rangen, en een donderend welkomstapplaus begroette haar

na een paar seconden van stomme bewondering. Dan, als die kleine mond

zich opende, en de eerste fluweelen tonen hem ontvloeiden, was alles

stil in eerbiedige aandacht....

Op dien avond, den drie en twintigstigen November van 't jaar

achttienhonderd en zeven tachtig, is de gevierde sinds eenige uren

te Milaan. Na een vrij lange siesta, wel noodig na de vermoeiende

reis, is ze een half uur vóor den aanvang der uitvoering uit haar

coupétje gestapt, en, in een sierlijken bonten mantel met hoogen

kraag gehuld, eenvoudig maar smaakvol gekapt, vertoont ze zich even

aan de nieuwsgierigen daar aan de deur, en treedt, na een vluchtig

woord tot den koetsier, het gebouw binnen. Vlug als een elf snelt ze,

met een vrouw die haar opgewacht heeft, de trap op, een gang door,

nog een trapje op, weer een gang door, om eindelijk een lage deur

binnen te gaan, die haar toegang geeft tot haar kleedloge. Daar werpt

ze achteloos den kostbaren mantel op een sofa, treedt voor de psyché,

glimlacht flauwtjes tegen het liefelijk beeld harer gestalte, en zet

zich dan zuchtend in een gemakkelijken stoel.

Ze heeft dan nu bereikt, waarnaar ze zoo vurig verlangde, neen meer:

men heeft haar overstelpt met eerbewijzen, haar schier aangebeden,

't goud bij bergen voor haar voeten geworpen. Ze heeft slechts

éen verlangen gehad: vrede met haar gemoed in den dienst der

heilige kunst. Ze heeft dien thans gevonden, o zeker, ze leeft

immers voor haar roeping, niets bindt haar meer aan 't verleden,

en de herinnering daaraan is nog wel droef, maar laat haar zielsrust

immers ongemoeid. O, ze gelooft het, het is zoo, het is zoo, 't kan

niet anders wezen! En toch betrapt ze zich op een zucht, als ze in

haar weelderig kleedvertrek, in vorstelijken tooi en schitterend van

schoonheid op 't punt staat, om met haar tooverzang duizenden éen, twee

uur van geluk te verschaffen, nog lang nawerkend in hun gemoed. "Kom,

dwaasheid," mompelt ze, haar muziek opnemend, een klein bundeltje,

dat ze meegebracht heeft. Zacht neuriënd doorloopt ze een paar

stukken. Ze kan ze bijna droomen, want 't is de tiende maal zeker,

dat ze elk daarvan gezongen heeft. Toch gaat ze machinaal door,

en de weelde der kunst doortoovert haar gemoed: ze voelt 't, ze

zal straks kunnen optreden met de plechtige, goddelijk blijmoedige

kalmte der ware kunstenares. Reeds hoort ze het doffe gedruisch der

instroomende menschenmassa, die weldra de groote zaal zal vullen. Nog

twintig minuten! Ongeduldig stapt ze op en neer in het kleine vertrek,

bukt zich dan, en neemt een klein boekje, keurig gebonden, uit haar

reistaschje. 't Zijn de gedichten van den jong ontslapen Italiaanschen

meester Sanzio Castellamore, den fijngevoeligen, teederen hartekenner,

met wiens ontboezemingen Tizia dweept. Als Clara Van Merenstein had

ze nooit Italiaansch gelezen. Haar leermeester Duvernier echter heeft

haar ingewijd in de geheimenissen dier zoetste aller menschelijke

spraken, en nu laaft haar kunstenaarsziel zich aan de meesterwerken

der Italiaansche dichters evenzeer als zij reeds zoo lang haar hart

ophaalde aan die der toonkunstenaars. Een der korte gedichten van

Castellamore heeft haar vooral bijzonder getroffen: ze vond er in

uitgedrukt wat zij zelve ondervonden had, en op haar verzoek had

Duvernier het op muziek gezet. 't Werk mocht zeer geslaagd heeten. Te

Parijs en Londen vormde dat lied telkens het glanspunt van den

avond. 't Was vooral daarin, dat de groote zangeres haar wondergaven

liet schitteren, omdat zij er zoo geheel in meeleefde. Evenals daar,

zal ze ook thans eerst na de pauze daarmee optreden. Hier is ze in 't

land van den dichter, waar de menschen diens taal spreken, en belooft

zij zich dus een succes, dat minstens even groot zal wezen als ginds.

Er wordt aan haar deur zacht getikt. "Entrez!" roept de diva, het

boekje met haast naast zich neerwerpend. 't Is de impressario, die

haar hoffelijk komt mededeelen, dat hij hoopt haar gereed te vinden,

om vóor 't voetlicht te verschijnen. O, zeker, ze wachtte hem. Nog een

blik in den spiegel, en met vluggen tred volgt ze hem naar 't tooneel.

Duizenden wachten haar in koortsachtige spanning, sommigen reeds

sinds een half uur. Men heeft zooveel van haar gehoord, men verwacht

iets eenigs.

't Geruisch van stemmen verstomt plotseling, als met zwevenden, maar

waardigen gang een jonge vrouwengestalte in een nauwsluitend sneeuwwit

kleed, zich voor 't voetlicht vertoont. Slechts een "Ah!" suist

als een zucht door de ontzaglijke zaal, van de fauteuils achter

't orkest tot in de hoogste rangen. Aller blikken zijn op éen punt

gericht, alle kijkers richten zich ernaar, als gretig om al de trekken

dier weergalooze schoonheid tot zich te brengen en met de oogen te

drinken. Daarop een hartstochtelijk "Evviva la diva!" uit duizend

kelen, dan--als de muziek wil invallen--weer ademlooze stilte. De

jeugdige zangeres, nauw meer dan débutante, is onverstoorbaar kalm

gebleven: ze kent de zenuwachtigheid van dat eerste oogenblik niet

meer. Die bijval gold haar schoonheid alleen: reden te meer, om

er koud onder te blijven. Ze glimlacht slechts en buigt even. Met

sereenen blik overziet ze die schier eindelooze rijen van dorstigen,

die ze straks laven zal, van klein en groot, machtig en gering,

die ze straks zal verbroederen in éen aandoening van vlijmend wee,

van hemelsche vreugd of van tintelenden geestdrift, al naar 't gebod

harer souvereine kunst. Reeds zijn ze onder haar macht: ze zal die

gemoederen kneden als was.

Het orkest--een keurbende--zet in. Vleiend klagen de violen. Twee,

drie, tien maten. Daar vaart een huivering door de zaal. Van waar dat

geluid, dat daar opruischt als een gebed uit engelenmond? De tonen

weven zich in 't decrescendo der violen, zwellen aan, en weldra vervult

hun toovergalm de gansche zaal. 't Is of de instrumenten schuchter

fluisteren, hun begeleiding klinkt nog slechts als 't zacht gemurmel

van een beek bij 't nachtegaalkweelen...

Het lied heeft nauw tien minuten geduurd. In die korte spanne tijds

heeft men een wereld van aandoeningen doorleefd. Dat éene lied, zoo

gezongen, neen zoo geschapen, zou Tizia's roem als kunstenares voor

goed gevestigd hebben.

Het regent, stroomt bloemen van alle kanten. Men roept haar terug,

als ze eindelijk na eenige kleine buigingen heengaat, men krijt naar

haar als dolzinnigen, maar ze blijft weg, en 't rumoer bedaart allengs,

als hier en daar een enkele, die de zangeres uit Parijs gevolgd is,

vertelt, dat ze nooit dan alleen bij hooge uitzondering iets meer

geeft dan 't programma vermeldt. Heden, den eersten avond van haar

optreden in Italië, na een lange reis en veel vermoeienis vóor zich,

wenscht zij haar krachten te sparen.

Driemaal trad de diva vóor de pauze op. Toen kwam 't lied, waar

reeds een ieder te voren van gesproken had, 't wonderlied van kalme

gelatenheid na bangen strijd, waarmee zij te Parijs en Londen vooral

haar lauweren gewonnen had. Men wist niet, waarom juist dat lied al

haar gaven zoo schitterend deed uitkomen, men kende niet de droeve

toespeling op haar eigen verleden, dat daarin voor haar opleefde,

bevroedde niet dat de woorden en ook de heerlijke melodie zoo zuiver

haar zieletoestand weergaven.

't Oogenblik is daar. Onzeggelijk aangrijpend klinken die woorden,

als oprijzend uit den eindelijken vrede van een zwaar beproefde ziel,

gedragen door een tonenspel, daarmee in heerlijke samenstemming:

"Io vi saluto, spettri del passato,

Vi convocai nel dolce fin' del dì enz.

Zie dat ranke rijzige lichaam zich voorover buigen met rustig

opgeheven handen, als wachtte zij de scharen van dierbare "schimmen

uit 't verleden", om ze liefdevol te ontvangen. Haar oogen stralen,

haar lippen trillen en plooien zich tot een lach van hemelsche

gelatenheid, van vrede na zwaren strijd. Hoor dat lied in al zijn

innigheid, waarvan het koude woord in levenlooze letters slechts een

flauw denkbeeld kan geven. In benaderende vertaling luidt het:

"Gegroet, gegroet, gij schimmen van 't verleden!

"Ik riep u op 't in 't vredig avonduur,

"Gij komt om mij bij 't ruischen van mijn bede,

"Gij zult mij lief zijn heel mijn levensduur.

"Wel zwaar viel mij het scheiden van uw schare,

"En 't harte kromp bij 't breken van dien band,

"Maar in den storm van 't leed bedwong de baren

"Der levenszee een wondre feeënhand.

"En 't leed is heen, mijn hart is vrij van smarten

"Muziek vervult de leegte van 't gemoed,

"Herinnering zal nimmermeer mij tarten,

"Maar lacht mij toe, weemoedig wel, maar zoet."

Onder de velen, die weggesleept waren geworden door het schoone lied,

behoorde ook een man van krachtigen lichaamsbouw, gezeten in een der

loges tegenover het tooneel. Zijn gebruind gelaat, met den donkeren

vollen baard, en 't eenigszins ongewone in den snit zijner kleederen,

deden in hem den buitenlander vermoeden, onlangs uit verre gewesten

in Europa teruggekeerd; schoon hij niets had van het eigenaardig

winderig en blufferig "rastaquouère"-type. Integendeel had hij iets

ernstigs en beschaafds in zijn energieke gelaatstrekken. Inderdaad

had hij pas eenige dagen weer Europa's bodem onder zijn voeten

gezien, en was hij op zijn doorreis slechts te Milaan overgebleven,

om de beroemde zangeres te hooren, wier naam hij reeds bij zijn

aankomst in Italië in de couranten vermeld had gezien. Hij kwam van

Zuid-Afrika, en had door bijzondere omstandigheden de reis oostwaarts

om, door de Roode Zee, gemaakt: zoo kwam het, dat hij ook Italië op

zijn weg passeerde. Zijn verwachting was verre overtroffen door de

werkelijkheid, hij was verrukt. Onder de veelsoortige indrukken van

dien avond was er echter éen, die telkens boven dreef, ondanks het

machtige der andere. Hij had namelijk, kort nadat hij zijn blik op

de wonderverschijning gevestigd had, iets in haar gelaat meenen op te

merken, dat hem bekend was, en in die stem, hoe kunstig geschoold ook,

had evenzeer iets zijn aandacht getrokken, dat oude herinneringen bij

hem wakker riep. Te vergeefs drong hij zichzelven de overtuiging op,

dat hij zich vergiste, dat hier louter toeval in 't spel was: hoe toch

ware het mogelijk, dat dat gelaat en die stem ooit vroeger binnen zijn

waarneming hadden gelegen? En gesteld al, dat hij zich niet vergiste,

waar en wanneer had hij dan dat gezicht gezien, die stem gehoord, en

aan wie behoorden ze? Een poos, tot na de pauze zelfs, vroeg de jonge

man tevergeefs zichzelven af, zonder een bevredigend antwoord te kunnen

vinden. Eén ding was zeker, meende hij: die persoon moest hij vroeger

in Europa, in Holland gekend hebben, te Delft of in Den Haag.... of

wellicht vroeger, in Indië, toen hij nog een kleine jongen was? Weer

was hij in de duisternis. Daar klinken de eerste tonen van Tizia's

lievelingslied. Gretig luistert hij toe, starend naar de liefelijke

gestalte. Plotseling gaat hem een licht op. In dat lied is de zangeres

het meest zichzelve geweest. In de uitdrukking van haar gelaat is iets

gekomen, dat haar meer deed gelijken op het beeld, dat vaag vóor den

geest van den vreemdeling gezweefd heeft. Geen twijfel meer! 't Is

Clara van Merenstein, Mevrouw Van Breeveld! mompelt hij halfluid. Zijn

buurman kijkt hem gramstorig aan. Hij had alles om zich heen vergeten:

die toovenares met tonen was voor hem de oude geliefde, het eenvoudige

jonge meisje uit zijn jongelingsjaren, zij, om wier onverklaarbaar

verlies hij zoo diep bedroefd was geweest, dezelfde ook, om wie hij,

ten einde vergetelheid te zoeken, naar Zuid-Afrika was gegaan. Hij

had haar nooit vergeten, maar hoe kon hij denken, haar hier in zulk

een gedaanteverwisseling terug te zien! Ze was veranderd bovendien,

veel schooner geworden, en hij wist niet beter, of de Clara, die hij

verloren had, was in Indië. Hij had van zijn moeder in Holland iets

gehoord van haar wedervaren, den plotselingen dood van Van Breeveld,

het schandaal, waar al de couranten vol van hadden gestaan, en hij had

haar in zijn hart diep beklaagd. Geen verwijt was in zijn edele ziel

tegen haar gerezen: voor hem was zij steeds 't slachtoffer geweest

van de intriges harer moeder, van af 't oogenblik, dat zij door haar

tusschenkomst in aanraking was gebracht met dien Van Breeveld. God,

dat ze thans dezelfde zou zijn als de gevierde Tizia Beatincanti! Met

de scherpzinnigheid der liefde bevroedde hij dra, wat haar tot zulk

een stap moest gebracht hebben: de zucht om zich los te maken van 't

verleden en de wereld, waarin zij tot dusver geleefd had, en zielsrust

te vinden in een edele roeping. Hij kende haar liefde voor de muziek,

en hij kon dat denkbeeld niet afkeuren. Toch twijfelde hij zeer, of

die vrouw ooit op die wijze zou vinden wat zij zocht. Naar zijn vaste

overtuiging kon een vrouw slechts bevrediging voor haar hart vinden als

liefhebbende gade en moeder, haar eenige ware roeping op aarde. Zijn

oude genegenheid, nooit gestorven in die jaren van scheiding, herleefde

met nieuwe kracht. Zou ze dat geluk nog met hem kunnen vinden? Waarin

ze ook mocht gefeild hebben--die lieve innemende persoonlijkheid kòn

waarlijk niets slechts op haar geweten hebben--hij telde het niet. Ze

had hem vroeger op raadselachtige manier plotseling niet meer willen

kennen. Er moest een misverstand geweest zijn, daar was hij zeker

van. Wellicht was nu de dag gekomen, om dat op te helderen. Maar zou

zij, de gevierde diva, levende als een koningin, haar lot nog willen

deelen met het zijne, alles verzaken wat haar nu omgaf: roem, eer,

een weelderig bestaan en een schoone kunstroeping? Wat, 't was niets

bij huiselijk geluk! Ze had gewanhoopt, dat ooit meer deelachtig te

worden, ze zou met liefde de gelegenheid aangrijpen, die zich door

hem aanbood.... O, hoe hoopte hij dat; maar hij twijfelde nog. Als

hij Clara goed kende, en ze nu nog was zooals hij haar jaren geleden

gekend had, o, dan zou alles terechtkomen, maar drie jaren levens zijn

zoo vaak voldoende, om een karakter te vervormen. En hier hadden zulke

factoren gewerkt! Hoevelen had niet reeds roemzucht van 't ware spoor

gedreven! Aan dien twijfel moest een einde komen, zoo spoedig mogelijk.

Den verderen avond was de jonge vreemdeling te zeer met zijn

eigen gedachten vervuld, om op den zang te letten. Wel zag en

hoorde hij, maar 't was Clara; de diva was vergeten, bestond niet

meer voor hem. Steeds zon hij op een middel, om haar te spreken te

krijgen. Eindelijk, iets vóor het eindigen der laatste voordracht,

besloot hij eens een poging te doen, om de zangeres in haar loge te

ontmoeten. Daar zou ze zeker even vertoeven, tusschen beide stukken in,

wel kort, maar toch voldoende, om hem de gelegenheid te verschaffen,

een nadere afspraak te treffen. Ze moest hem opgeven, waar ze logeerde,

dan zou hij den volgenden dag haar daar opzoeken. Met eenige moeite

vond hij den weg naar de loge. Een vrouwelijke bediende zat bij de

deur. Met kloppend hart en verlegen met zijn Fransch, dat door zijn

verblijf in Zuid-Afrika er lang niet beter op geworden was, beduidde

hij de vrouw, dat hij gaarne de diva even spreken wilde. Na eenig

misverstand begreep zij hem. Hij gaf zijn kaartje, waarmee de vrouw

binnen ging. Een oogenblik later kwam ze terug, en deelde hem mede,

dat "Madame" niet te spreken was, voor niemand. Daar stond hij. Verder

aandringen dorst hij niet. Blijkbaar wilde ze hem niet zien, ten

minste op dat oogenblik niet. Zou hij zich ook vergist hebben?... Een

oogenblik dook dat denkbeeld in zijn geest op. Neen, onmogelijk! Ze

zou hem nu niet willen zien, omdat ze meende geen tijd te hebben voor

een gesprek, en vreesde opgehouden te zullen worden. "Niet een enkel

oogenblik?" vroeg Willem Victor, aarzelend. "Neen, voor niemand. Ze

heeft 't uitdrukkelijk gezegd. Ze zou boos worden, als ik haar nog eens

stoorde." "Waar logeert Mevrouw dan?" De oude vrouw schudt het hoofd:

"Sais pas, sais pas!" mompelt zij, en toont zekeren gemelijken onwil,

om verder te spreken. De ander ziet van verder pogen hier af. 't Eenige

wat hem rest, is buiten op de diva te wachten, een rijtuig te nemen,

en 't hare te volgen.

Een half uur van brandend ongeduld volgt. De jonge man loopt rookende

in de koffiekamer van 't theater op en neer. Dan, als hij duidelijk

bemerkt, dat de uitvoering afgeloopen is, gaat hij haastig naar buiten,

en vraagt aan een bediende, waar de ingang voor de artisten is. Daar,

naast het gebouw. Hij huurt een rijtuig, en laat het vóor wachten, met

uitdrukkelijken last, dadelijk het rijtuig van de zangeres te volgen,

zoodra deze het gebouw verlaat. Weer gaan een tiental minuten vol

zenuwachtigheid voorbij. Daar houdt een rijtuig stil vóor bewusten

ingang, weinige minuten later stapt een elegante, warm ingepakte

gestalte het portier in. Hij snelt voort naar zijn eigen vehikel, laat

het andere even voorbijgaan, en volgt het dan op korten afstand. De

rit duurt niet lang. Daar houdt het voorste rijtuig stil. Het zijne

laat hij nog een korte poos doorgaan, om de aandacht niet te trekken,

dan gelast hij op te houden, springt eruit, en vraagt den koetsier

naar den naam van het hotel, waar de diva zooeven afgestapt is. "Non

so," herhaalt de koetsier op Victor's ongeduldige vraag. Hij weet 't,

maar heeft geen zin te antwoorden, op echte schobberachtige manier

onwillig. Victor betaalt, en loopt terug naar 't hotel. O, hij kan

den naam gelukkig goed zien. Daar staat hij op de groote lantaarn

boven den ingang. "Ziezoo!" zegt hij halfluid. Maar dan, plotseling

zich te binnen brengend, dat hij dien ingang meer gezien heeft,

roept hij: "Ezel, die ik ben: "Albergo Centrale" is 't zelfde als

"Hotel Central"!" Ja, daar staat ook de Fransche naam nauw zichtbaar

op den voormuur. "Ze logeert dus in 't zelfde hotel als ik! Had ik

maar de vreemdelingenlijst nagegaan! Dat treft heerlijk."

In zijn agitatie had hij er niet op gelet, dat zijn rijtuig zooeven

denzelfden weg gevolgd was als hij zelf, toen hij van 't hotel naar

den schouwburg ging. Hij was kort vóor 't avondeten verschenen,

en de diva was niet aan tafel geweest.

Willem Victor, de bedaarde man van ijzer en staal, de koele denker,

bracht een nacht door van spanning en ongeduld, zooals hij in jaren

niet beleefd had.

Den volgenden ochtend vrij laat met schrik ontwakende uit een korten,

zwaren slaap, waarin hij eindelijk wat rust gevonden had, kleedde

hij zich haastig aan, ging naar beneden, en klampte dadelijk den

reusachtigen Germaan met den prachtigen baard aan, die in 't hotel

portier en tolk beiden was. Hij vraagt naar de zangeres.

"Jawohl, hat hier die Nacht zugebracht."

"Ja, bitte, sagen Sie mir die Nummer ihrer Gemächer."

"Wird Ihnen wenig nützen: 53 und 54. Ist eben abgereist."

"Wohin?"

"Unbekannt."

Clara van Merenstein: Haagsch-Indische Roman · 第 30 / 35 题