De stoomer Yang-tsé van de Messageries Maritimes vervolgt statig zijn
weg over het ontzaggelijk watervlak van den Indischen Oceaan. De
zon is juist ondergegaan. Nog is het gansche oosten van den
hemel in purper gekleurd. De gloed neemt gestadig af, en daarmee
de schitterende weerschijn op den kalmen oceaan. Straks zal het
flikkerende weerlichten der tropische zeeën beginnen, als een beeld
van het licht, dat nooit sterft, van de ziel, die niet vergaat; ook
als de nacht gevallen is, zal daarboven een heirleger van fonkelende
sterren zijn zachten glans verspreiden, en in 't zog der stoomboot
zullen millioenen infusiediertjes een breede lichtstreep achter
het schip teekenen. Verandering, eeuwige afwisseling, geen dood of
vernietiging. Na het wegzinken der zon in haar purperen legerstede,
is allengs een koeltje gerezen, dat verkwikkend zweeft over de moede
golven, dampend als paarden, die van de dagtaak huiswaarts keeren.
Op het ruime achterdek der mailboot zit een eenzame vrouwengestalte bij
de verschansing. De meeste passagiers zijn beneden, slechts een enkele
toeft luierend op een "dekstoel", onverschillig en machinaal rookend,
vegeteerend als een herkauwende koe. De blik der jonge vrouw is naar 't
oosten gekeerd, naar de plek, waar zooeven de zon verdwenen is. Rustig
als de oneindige waterbanen om haar is ook haar gemoed, maar tevens
somber als zij. Een besluit, lang opgevat, maar telkens verschoven,
is thans tot rijpheid gekomen en, zij is in vrede met zichzelve, nu
ze weet, dat het onherroepelijk is. Evenals die zon na een kort leven
is ondergegaan in al haar pracht, zoo zal ook zij in den vollen bloei
harer jeugd haar kort bestaan eindigen. Zal ze herleven als die zon,
en opstaan tot een nieuwe loopbaan? Ze weet 't niet en bekommert er
zich niet om. Ook al is er een leven na dit, het zal dan toch zeker
anders zijn. 't Eenige wat ze weet, is dat dit leven ondragelijk
voor haar geworden is, en verandering noodzakelijk verbetering moet
wezen. Morgen, vóordat nog éen enkele passagier zich aan 't dek
vertoond heeft, zal ze van een oogenblik, dat niemand haar bespieden
kan, gebruik maken, om achter, door een opening in de verschansing,
zich in zee te laten glijden. Weldra zal haar lichaam ver wegdrijven
als die schitterende schuimvlokken, die zij in 't zog der boot,
zich snel achterwaarts ziet bewegen. Dat lichaam, dat reeds zooveel
ellende gehuisd heeft, zal gevoelloos ronddrijven op de zilten vlakte,
zichzelve en niemand tot een ergernis, alleen met de oneindigheid,
totdat het naar de koele diepte zal worden gesleurd door 't een of
ander zeemonster.... Clara--de peinzende in dat avonduur--rilt even
bij die gedachte. Ze herstelt zich spoedig: wat is zulk een lot, zelfs
al werd ze levend verslonden, bij de folteringen der wroeging, jaar
in jaar uit, die ze anders onfeilbaar zou te verduren hebben? En, als
er een Opperwezen bestaat, moet het goed zijn, en kan een liefhebbend
vader willen, dat zijn kind zoo lijdt, zal hij haar niet vergeven,
dat zij den last afschudt van schouderen, waaraan Hij de kracht
niet gaf, om hem te torschen? Ze heeft immers geen plichten meer
te vervullen? Jegens wie? Jegens haar moeder soms, die nauwelijks
meer weet, dat ze bestaat, voortlevend haar leven van ijdelheid en
oppervlakkigheid? Haar zuster in Indië? 't Onbeteekenende menschje,
luchtig en beuzelachtig als haar moeder, heeft "een goed huwelijk
gedaan", en dus haar ideaal bereikt. 't Verlies eener gansch niet
zielsverwante zuster zal haar bitter weinig deren. Haar zusje in
Holland.... 't Lieve kind. Ze zal haar Toetie niet vergeten zijn,
o neen, daar is ze zeker van. Die is nog thuis, in de ongezonde
atmosfeer der huiselijke omgeving harer moeder. O, ware zij, Clara,
ook in de oogen der wereld, rein als haar zoete naam, hoe zou ze zich
dat lieve kind aantrekken, hoe zou ze 't willen beschermen tegen dien
noodlottigen invloed bij haar thuis, die haarzelve tot zooveel ellende
gebracht had! Vroeg of laat zou dat kind ook wel ten offer vallen aan
de gewetenlooze koppelzucht dier moeder: ze zou trouwen en ongelukkig
zijn. Maar wat zal zij thans daartegen kunnen doen? Haar slechte naam
zal haar vooruitgesneld zijn naar 't verre Holland en haar opwachten
aan de kade. De couranten, die uitvoerbuizen van laster en ijdelen
klap in Indië, hadden immers vol gestaan van haar schande. Een ieder
had er over gesproken; menschen, die ze nooit gezien had, kenden haar
naam, spraken met de belangstelling van armgeestige leegloopers over
"die zaak van de mooie assistent-residents-vrouw". Haar moeder zou,
schoon alles geloovende, haar waarschijnlijk niet hard erom vallen,
zeer goed beseffende, dat zij indertijd even goed zulk een "gevalletje"
zou gehad kunnen hebben. Maar wat zou dat? De menschen in Den Haag,
buiten haar moeders kring, zouden er anders over denken. Haar omgang
met de onschuldige Toetie zou voor deze noodlottig kunnen zijn, en als
't lieve kind, dat haar altijd zoo hoog gehouden had, eens de zaak
mocht vernemen, hoe zou Clara er onder lijden! Neen, ze mocht dat zusje
niet meer terugzien.... Overigens, Mevrouw Victor.... die was dood voor
haar, sinds lang. Verder zou niemand zich over haar bekommeren. Ze
kon gerust heengaan; 't weinige leed, dat ze daardoor bij een enkele
zal veroorzaken, weegt niet op tegen haar oneindige smart.
Weer dwalen Clara's gedachten terug naar haar zusje thuis. Acht jaar
geleden was zij hetzelfde onschuldige, dartele kind. Ze denkt aan den
eersten keer, toen zij dienzelfden oceaan overvoer. Hoe onbezorgd
was toen haar leven, hoe weinig vatbaar voor verdriet. En toch had
ze toen kort geleden haar vader verloren. Och, ze besefte niet, hoe
met diens dood ontzaglijk veel voor haar verloren was gegaan.... De
tweede maal, dat ze deze watervlakte overging, had ze reeds een
groot deel levens achter zich, groot, ondanks haar achttien jaren:
ze had de zoete aandoeningen der eerste liefde gekend, de smart
van 't scheiden der heerlijke illusiën, de wreede onttooveringen
harer eerste huwelijksdagen, dan de gelatenheid, de saaie ernst
van 't leven, dat ze alleen als plichtsbetrachting beschouwde. Hoe
kleurloos en eentonig haar bestaan ook toen was, het leven was haar
nog dierbaar: zij had plichten te vervullen, en de overtuiging, die
na te komen, bevredigde haar. Zij had zich vergist. Eindelijk werden
haar de oogen geopend. Een korte weifelperiode werd gevolgd door een
heroïek voornemen, een heilig geloof, dat ze nog een roeping had te
vervullen. Toen kwam opeens de slag, de instorting van al haar hoop. Ze
doorleeft die vreeselijke uren nog eens in den geest: zij ziet het
akelig verwrongen gelaat van den man, die voor haar gevallen was, en
dan als een ledige plek in haar leven, de weken van zinnelooze smart,
waarvan de herinnering slechts flauw is, de overkomst van haar zuster
uit Soerakarta, een drukte van vreemde onverschillige menschen in haar
huis, waartusschen ze als een wezenlooze rondwaart, de begrafenis,
haar overhaast vertrek op raad van haar zuster, haar gedweeheid als
een kind, dat met zich sollen laat.... haar aankomst aan boord. O,
alles was als een droom geweest, een akelige nachtmerrie, waaruit ze
sinds kort ontwaakt is. Toen kwam de gedachte des doods, eerst als een
woest wanhopig besluit van den radelooze, die plotseling geen uitweg
ziet, als ware opeens een nevel opgetrokken, die den afgrond voor haar
voeten bedekte; dan het plan, de berusting. Thans, de derde maal dat
haar blik gleed over die reuzenplas, schijnt haar heenreis een feit
in 't grauw verleden, en toch ligt er nog geen half jaar tusschen nu
en toen! Was toen haar leven somber als deze tropische nacht, er was
hoop op een spoedigen dag, op de herrijzing harer levenszon, terwijl
thans haar leven gelijk was aan den vreeselijken poolnacht, onduldbaar
lang, alleen nu en dan doorflikkerd door de spookachtige stralen van
't noorderlicht, dra weer wegzinkend, als de zoete herinneringen, die
nog haar ziel een oogenblik in beroering brachten. Na dien nacht, hoe
lang ook, zou een lange dag aanbreken, zou een bleeke zon verrijzen
boven een dood landschap, evenals wellicht haar ziel in een ander
leven op zou gaan, na den dood.
Verzonken in die gepeinzen, wordt Clara verrast door de tonen van een
welbekende melodie. Beneden in de long-room wordt piano gespeeld. Hoe
heerlijk en lieflijk klinkt dat lied! 't Is een phantasie op een thema,
dat ze lang kende. Dikke tranen ontrollen Clara's oogen. Smachtend
teeder vleien de tonen. Ze herinnert zich de woorden:
Par pitié, beau nuage, sur les ailes du vent
Porte-moi sur la plage, que je pleure souvent!
Ze herinnert zich ook dien avond bij haar moeder thuis, toen haar
zieltje evenzoo gesmacht had naar een onbekend gewest, zich gevoeld
had als een eenzame banneling. Thans ook smacht ze, maar naar
den dood. Zou die haar de rust schenken, waarnaar zij snakt? De
muziek houdt aan. Blijkbaar is 't een meesterhand, die de toetsen
doet leven. Telkens vlecht zich het oude thema in een weelderigen
tonenovervloed, nu eens juichend en jubelend in oplevende hoop,
dan allenks overvloeiend in moedeloos gemijmer, eindelijk in bittere
klachten en een smeekbede der wanhoop, wild opklinkend om plotseling
op te houden. Clara's liefde voor de muziek ontwaakt. Ze moet gaan
zien, wie die sympathieke musicus is. Waarom zou ze niet? Ze mag op
de laatsten avond haars levens nog wel zich laven aan de bron der
heilige kunst, die zij altijd zoo vereerd had. Ze veegt de tranen
van haar wangen, en gaat de trap af naar de long-room. Daar ziet ze,
omringd door eenige dames en heeren, een man van middelbaren leeftijd
aan 't klavier zitten. Hij bladert in een opengeslagen muziekboek. Een
der dames, zenuwachtig van aandoening en bewondering voor zijn spel,
vraagt hem dringend, om nog wat te laten hooren. Hij is op 't punt,
aan 't verzoek te voldoen, als hij Clara gewaar wordt. Ze hadden
reeds kennis gemaakt; maar dit is de eerste keer, dat zij zijn talent
opmerkt. 't Is een klein mannetje met schitterende, donkere oogen en
lang, zwart haar. Hij was te Singapore aan boord gekomen, waar hij een
paar dagen vertoefd had; komende van eene reis naar China en Japan. Men
hield hem aan boord voor een rijken zonderling, die voor zijn pleizier
reisde, een echten "globe-trotter." Opeens openbaart hij zich als
een groot kunstenaar, die slechts reist om nieuwe indrukken op te doen.
Monsieur Duvernier, die, als iedere Franschman, en als kunstenaar in
't bijzonder, zeer gevoelig is voor al wat schoon is, heeft de jonge
weduwe van den beginne af in stille bewondering gadegeslagen. In zijn
scheppend brein heeft de droeve uitdrukking van dat innemende gelaat
hem reeds geïnspireerd voor een elegie, waarvan hij reeds dagen
droomt. Nauw ziet hij haar thans, of, om een gesprek te beginnen,
vraagt hij haar hoffelijk:
"Doet u ook aan muziek, Mevrouw?"
Clara antwoordt, dat ze slechts dilettante is, een beetje speelt en
ook een beetje zingt.
"U zingt? O, dat is heerlijk Mevrouw. Kom, zingt u wat. Ik zal u
begeleiden. 't Zal een genot voor mij zijn. Ik hoorde in lang geen
lieve vrouwestem in dit barbaarsche Oosten."
De omstanders lachen, en dringen op hun beurt bij Clara aan, om een
lied ten beste te geven. Ze aarzelt, maar stemt toe. Ze houdt er niet
van zich te laten bidden. 't Eerste lied, dat zich als onwillekeurig
aan haar geest voordoet, iets dat ze van buiten kent, is het bekende:
Von meinen grossen Schmerzen
Mach' ich die kleinen Lieder....
een lied vol zielesmart. Eenvoudig en vol gevoel draagt ze 't
voor. Duvernier begeleidt haar uit 't hoofd. Alles is stil, doodstil,
als de laatste toon wegsterft. Plotseling springt de pianist op,
en roept opgewonden, met stralende oogen:
"Mais Madame, c'est unique! Vous avez des millions dans le gosier!"
Clara kleurt hevig op dat onstuimig compliment. De omstanders staren
haar aan, en er barst een daverend handgeklap los.
Duvernier wil haar nog eens hooren.
"En Français, cette fois en Français!" roepen een paar dames. De
Duitsche woorden kon men niet volgen, van een Fransch lied zou men
meer kunnen genieten.
Clara was in een andere wereld. Voor een poos was al haar leed
vergeten. Haar liederenrepertorium, vooral in 't Fransch, was echter
gering en ze moest zich bedenken, eer ze haar keuze kon vestigen
op de "Sérénade van Gounod." Ze verontschuldigde zich, dat ze met
zoo'n "oudje" voor den dag kwam, maar de enthousiaste Duvernier
riep dadelijk:
"La melodie, Madame, c'est peu de chose. C'est l'expression, la voix,
l'interprétation enfin. Chantez toujours!"
Clara begon. 't Lied was iets moeielijker. De meester merkte hier en
daar een foutje in de techniek op, maar zijn geestdrift was er niet
minder om.
"Dat is nu heel wat anders," zeide hij toen Clara ophield, "iets
vroolijkers dan zooeven. Ik kan nu uw voordracht beter beoordeelen. U
heeft de stemming van beiden, 't diep droevige van 't eerste lied en
't blijmoedige van 't laatste zeer goed weergegeven, Mevrouw."
Ook de luisterenden waren onder den indruk: "C'est exquis et d'une
expression...." mompelde men verrukt.
Daarop moest Duvernier nog eens spelen, en, om te toonen, dat hij,
ondanks chauvinistische opvattingen, goed thuis was in de Duitsche
muziek, droeg hij Schumann's Carnaval voor. 't Was schitterend en
overweldigend schoon.
"Ces maîtres allemands, Madame," zeide hij, toen allen hun bewondering
te kennen gaven, Clara niet 't minst, "l'unique chose que j'y trouve
à redire, c'est qu'ils ne sont pas Français!"
Hij lachte om zijn eigen uitval, stond op en zich tot Clara wendende,
stelde hij haar voor, nog een poosje op 't dek de frissche lucht te
gaan genieten. Clara stemde gewillig toe: het genie van dat zonderlinge
mannetje had haar geheel in beslag genomen. Boven gekomen, zette men
zich naast elkaar.
"Mevrouw," begint hij, "'t zou jammer, vreeselijk jammer zijn, als u
van dat prachtige orgaan niet dat gebruik maakte, waartoe het bestemd
is: u moet zangeres worden."
't Onverwachte van dit voorstel verraste Clara. Als om tijd te winnen,
vraagt ze:
"Vindt u mijn stem werkelijk zoo mooi, Mijnheer Duvernier?"
"Ongetwijfeld, Mevrouw. Een stem als de uwe ja, ziet u, zoo is er
misschien maar eens éen in de honderd jaar in de gansche wereld."
't Is Clara een openbaring. Ze wist, dat ze een goede stem had, maar
zoo iets, daarvan had ze niet durven droomen. Zangeres worden! Zij,
die vast besloten was over eenige uren deze wereld te verlaten! Het
woelige leven eener kunstenares te aanvaarden, waar haar ziel naar rust
verlangd had, als een versmachtende naar een teug waters! En toch was
er iets wonderlijk verlokkends in het denkbeeld. Ze zocht vergetelheid,
ze wilde breken met de wereld, en zou ze datzelfde doel niet kunnen
bereiken door zich in de armen der kunst te werpen? Duvernier ging
voort, en ze luisterde met gretige ooren.
"Er ontbreekt alleen nog maar wat school, Mevrouw. U heeft wel les
gehad, dat heb ik kunnen merken, maar 't is niet genoeg. Dat is niets,
niets. Laat dat aan mij over; in twee jaar is u daar overheen, en
dan zal u schitteren als een eerste ster, als een weergalooze "diva"!"
"Hoe bedoelt u dat, Mijnheer?" vraagt Clara geheel aandacht.
"Wel, dat ik u opleiden zal, vrijwillig, kosteloos. En ik zal de
nachtegaal niet weer loslaten, voordat haar eerste optreden voor
de wereld een triomf zij, waarvan gansch de beschaafde wereld zal
weerklinken."
Welk een toekomst! Naar Parijs te gaan, daar onbekend en vergeten een
paar jaar te leven onder de leiding van dat heerlijke genie en dan
als herboren weer vóor de wereld te verschijnen, onder een anderen
naam, om een geheel nieuw leven te beginnen! O, die verlokking is
haar te machtig! Weg vliegen de sombere gedachten van een uur te
voren, als morgennevelen door een lentezon verdreven. Ze wil weer
leven. Dat gebied, de heilige baan der kunst, ligt nog onbetreden
vóor haar: ook daar zal zij vergetelheid vinden, en wellicht vrede
met zichzelve. Haar oogen worden plotseling vochtig.
"O, Mijnheer Duvernier, spreek me daar niet van," roept ze
hartstochtelijk zijn hand grijpende, "uw voorstel is te verlokkend
schoon!"
Het kleine mannetje draait zich met een zwaai op zijn stoel om,
en ziet verwonderd den onverwachten indruk, dien zijn woorden op
zijn schoone toehoorster gemaakt hebben. Ze doet hem denken aan een
Magdalena op 't doek van een Italiaanschen meester. Vurig antwoordt
hij: "Maar Mevrouw, làat u verlokken! Er is geen kwaad bij. Ik bied
u een toekomst aan, waarin u iets heerlijks kan bereiken."
"Een toekomst, waarin ik iets heerlijks kan bereiken," herhaalt
Clara bij zichzelve. Als een visioen ziet ze zich reeds een beroemde
"cantatrice", de wereld in verrukking brengend door haar zang,
schatten verdienend, waarmee zij weldoet als een vorstin. Haar besluit
is genomen.
"Mijnheer Duvernier," zegt ze vastberaden, "ik zie, dat u 't goede
met mij voor heeft. Ik neem uw voorstel aan."