De bedwelming is geweken. Het ontzettend gevaar, waaraan zij ontkomen
is, staat op eens in zijn afschuwelijke naaktheid voor Clara's
geest. Onzeggelijke schaamte doet haar ineenkrimpen.
Ze werpt zich op haar bed, en blijft er opgericht zitten. Met wijd
geopende oogen staart ze naar de deur, als wezenloos. 't Is, of ze
haar eigen geweten in spookgestalte vóor zich ziet staan, met honenden
lach haar toeroepend:
"Bijna gevallen! Waar is nu die fierheid van voorheen, die uzelve in
uw waan zoo hoog verhief boven anderen, boven hem ook, dien gij zoo
diep verachttet? Ge zijt niet veel meer dan hij...."
O, had ze ooit te voren geleden? Wat was al wat ze geleden had
in vergelijking bij 't vlijmend zelfverwijt, de schaamte van dit
oogenblik? Welk een dwaze zelfmisleiding had haar te voren doen wanen,
dat zij de smart kende! 't Was alles niets, niets, ze voelde zich een
koningin in 't besef van hare ontastbare reinheid. Haar zelfachting was
haar plechtanker in storm en nood geweest, nu scheelde het weinig, of
ze was reddeloos verloren geweest, een schipbreukelinge op den oceaan
des levens! Als haar deugd dan zoo broos was, hoe onrechtvaardig had
ze dan haar man beoordeeld, aan welk een plichtverzuim had ze zich
jegens hem schuldig gemaakt! Ze had hem afgestooten en niets gedaan,
om hem beter te maken, die heerlijke roeping verzaakt, omdat ze hem
minachtte! En waarom? Omdat hij zijn hartstochten niet beteugelen kon,
en dat, terwijl zij zelve bleek, daar nauwelijks tegen bestand te
wezen. O, zoodra mogelijk moest ze een anderen weg inslaan, hem aan
zich trachten te binden, hem veredelen door haar goeden invloed. Hoe
kon ze zoo verblind zijn, dat niet eerder in te zien? In den dommel,
waarin haar oververmoeid brein langzamerhand geraakt, voelt ze zich
allengs wegzinken, in een peillooze diepte. Ze valt, daalt steeds
dieper en dieper, maar steeds bereikt ze den bodem niet, aldoor
zwevend, zwijmelend en duizelend. Dan voelt ze zich bij de hand
vatten, met zachten, teederen druk, en ze hoort een lokkende stem,
zoo zoet, zoo zoet, zoo vol hemelsch medelijden haar toesprekend,
dat ze, als een kind schreiend, zich het hoofd verbergt aan de borst
dier lieve gestalte. De stem spreekt door, steeds zacht en wonderlijk
troostend. 't Is de stem van Willem Victor.... neen, 't is een vrouw,
aan wier boezem ze rust. In een zalig besef van veiligheid en vrede
laat ze haar gedachten zoetjes-aan vervloeien.
Clara slaapt. De natuur heeft haar recht doen gelden, rechtvaardiger
jegens haar dan haar arm gehoorzaam kind jegens zichzelve! Hoe klein
was inderdaad haar schuld bij de frissche bloeiende gezondheid van haar
jong lichaam, en de onnatuurlijke verhouding tot haar echtgenoot! Zij
had zich gelijkgesteld met Van Breeveld! waar zij, ondanks zichzelve,
bijna bezweken was, en hij telkens in koelen bloede slechts vermaak
zocht in een daad, die haar, eens bedreven, voor goed rampzalig zou
gemaakt hebben!
De zon stond reeds hoog aan den hemel, toen Clara ontwaakte. De slaap
had haar goed gedaan, en, zooals meer gebeurt, had het nieuwe licht,
nieuw licht in haar benevelden geest ontstoken. Haar levenstaak
ligt duidelijk vóor haar. Ze moet thans trachten tegenover Van
Breeveld minder hard in haar oordeel te wezen, trachten een heilzamen
invloed uit te oefenen op zijn karakter en gedrag. Ze zal haar afkeer
overwinnen, en hem tegemoet treden met vriendelijke teederheid, al
komt die ook niet uit haar hart voort. Het zal haar inspanning kosten,
o zeker, ze al er onder lijden, goed, maar ze zoekt dat leed thans als
een boete voor haar schuldig verzuim en voor haar zwakheid. Zoo zal
ze wellicht leniging vinden voor haar zelfverwijt, en de herleving
van 't goede in den man, met wiens lot zij nu eenmaal verbonden is,
zal háar werk zijn. O, als ze dien zegepraal mag behalen over eigen
neigingen en begeerten, dan zal ze vrede hebben met zichzelve, dan
eerst zal ze zichzelve vergeven.
Ze zal zwijgen over 't gebeurde. Hij mag er niets van weten, waartoe
zou 't dienen?
Bij die overwegingen vond ze een weinig troost, en de toekomst leek
haar niet meer zoo zwart als te voren. Doch plotseling rees een
schrikbeeld vóor haar geest. Alles was dan toch nog verloren.... Die
zaak zou wel eens een noodlottig gevolg kunnen hebben. Barmhartige
God, welke een vooruitzicht! Een duel tusschen Van Breeveld en dien
Lindhorst.... O, ze zou niets kunnen ondernemen op den weg eener
toenadering tot Van Breeveld voordat ze zekerheid had, dat haar
vrees ongegrond was. Ze zou dus wachten, in bange spanning wachten
tot de beslissing van haar lot onherroepelijk zou gekomen zijn,
of.... totdat ze als zeker zou mogen aan nemen, dat de zaak niet
ruchtbaar geworden was. Ze wist het, een vreeselijke toekomst wachtte
haar, als 't den Almachtige mocht behagen haar te straffen voor dat
oogenblik van zwakheid en haar lang plichtverzuim, dat haar daardoor
eerst duidelijk geworden was. 't Eenige wat haar nog met het leven
zou kunnen verzoenen, zou er niet meer zijn, om haar staande te te
houden, geen edele roeping meer te vervullen, als het ongeluk wilde,
dat er een duel plaats had. Hoe 't ook mocht afloopen, niets dan
schande kon er voor haar uit voortkomen.
In zulk een angstige onzekerheid verkeerend, vond zij het beter
maar zoo spoedig mogelijk naar huis terug te keeren. Hoe kon ze nu
nog een oogenblik langer deelen in 't vroolijke, onbezorgde leven
bij de familie Meerlink? Bovendien vreesde zij de nabijheid van
Lindhorst. Wellicht zou hij dien dag terugkomen. En ze wilde hem niet
meer zien, voor al de schatten der wereld niet.
't Viel Clara niet moeilijk een voorwendsel te vinden, om voor de
verdere gastvrijheid in in Soember Satoes te bedanken, en reeds om
vier uur in den namiddag aanvaardde zij de terugreis. Te Poerwanegara
aangekomen, was het haar een ware verlichting haar man nog niet thuis
te vinden. Een dag was reeds veel, om haar de gelegenheid te geven zich
wat van den geleden schokte herstellen, zoover als dat mogelijk was. Ze
zou waarlijk wel al haar zelfbeheersching moeten herwonnen hebben,
om tegenover Van Breeveld zich voor te doen alsof er niets gebeurd was.
Den avond van den tweeden dag verscheen Lindhorst op bezoek. Nauw
had ze hem in de verte bespeurd, of ze stond, tot groote verbazing
van haar man, op. Met groote zenuwachtigheid zei ze:
"Ontvang jij hem maar, Breeveld, ik vind die' man vreeselijk vervelend
en verwaand. Verzin maar een excuus voor mij."
Nog voordat Van Breeveld een antwoord kon uitbrengen, was Clara
haastig naar de achtergalerij geloopen. Nadat de bezoeker weer heen
was gegaan, kon Van Breeveld niet nalaten ten hoogste verwonderd te
vragen, waarom ze zoo opeens een afkeer van dien man getoond had.
"Met hem schijnt het anders te wezen," vervolgde hij, "hij was bepaald
erg teleurgesteld je niet te ontmoeten. Ik begrijp er niets van. Den
avond van onze partij scheen je heel anders over hem te denken."
"Men kan zich wel in iemand vergissen. Ik heb hem.... bij Meerlink
een heelen avond kunnen nagaan.... Ik vind hem akelig vervelend."
Van Breeveld zweeg. De agitatie, waarmee zijn vrouw vóor en na het
bezoek gesproken had, kwam hem zonderling voor. Op eens dacht hij
aan haar opwinding en overspanning op dien partijavond, en hij begon
zich af te vragen, of er wellicht verband bestond tusschen beide
verschijnselen. Voor 't eerst kwam er argwaan tegen zijne vrouw in
zijn gedachten. Hoezeer hij ook haar houding tegenover hem ergerlijk
en dwaas vond, toch had hij altijd een grooten eerbied voor haar
karakter en een onbeperkt vertrouwen in haar gehad. En hoe hij haar
ook onverschillig mocht wezen, 't zou hem onuitsprekelijk grieven,
als hij wist, dat ze voor een ander iets voelde, dat er maar naar
liefde zweemde. De gedachte eraan deed zijn bloed koken, en hij
vatte dadelijk een hevige antipathie tegen Lindhorst op, ofschoon hij
zeer goed wist, geen enkel deugdelijk bewijs voor zijn achterdocht
te bezitten. De daarop volgende dagen werd hij in zijn wantrouwen
versterkt door de onverklaarbare houding zijner vrouw, telkens
wanneer hij toevalligerwijze den naam van Lindhorst noemde. Hij kon
dan duidelijk opmerken, dat ze op eens niet op haar gemak was en een
andere wending aan 't gesprek trachtte te geven. 't Viel Clara zoo
zwaar haar aandoening te verbergen, zij was er zoo weinig aan gewend!
De toebereidselen voor een feest, dat bij het einde der groote
inlandsche vasten in de sociëteit zou gegeven worden, en waarin
Lindhorst als secretaris van het gezelschap natuurlijkerwijze
veel bemoeienis had, maakten zijn herhaalde overkomst ter plaatse
noodzakelijk. Geen wonder, dat Van Breeveld, als president van de
sociëteit, nog al eens in aanraking kwam met den jongen officier, en
dus ook meer dan eens met Clara over hem sprak. Clara's verlegenheid
was voor hem zelfs een reden, om dat meer dan wel volstrekt noodig was
te doen, alsof hij er behagen in schiep, meer en meer toe te geven aan
zijn verontrustende vermoedens. Zuiver omlijnd waren die vermoedens
geenszins: hij stelde zich iets voor van een liefdesbetrekking "in
statu nascendi", het denkbeeld eener reeds beklonken verstandhouding
wierp hij verre van zich.
Zoo gingen er eenige dagen voorbij. Lindhorst trachtte nog eens een
bezoek te brengen, op een avond, dat hij wist Van Breeveld niet thuis
te vinden, en 't verwonderde hem zeer, dat Clara ook thans niet
verkoos hem te ontvangen, schoon hij zeker was, dat zij haar man
niet vergezeld had. 't Viel hem vreeselijk tegen, want hij had er
stellig op gerekend, met die bekoorlijke jonge vrouw een blijvende
"liaison" te zullen aanknoopen. In zijn kamer terug, bij menschen,
waar hij ter plaatse logeerde, en zich opknappende voor 't avondeten,
stond hij voor den spiegel aan zijn onvergelijkelijke knevels te
draaien, en dacht aan de zonderlinge grilligheid dier schijnbaar zoo
eenvoudige en naïeve schoonheid, 't laatste, nog onuitgewerkte nummer
in 't register zijner amoureuse heldenfeiten. Meer en meer kwam hij
tot de slotsom, dat hier coquetterie in 't spel was, van de echte,
hoe onwaarschijnlijk hem dat in den beginne ook voorkwam. Een bekend
gezegde wijzigend merkte hij diepzinnig op: "Plus que ça diffère,
plus c'est la même chose. Ja, ja, l'éternel féminin". 't Was zaak zijn
geduld niet te verliezen, en de aanhouder wint, vooral een aanhouder
als hij. Een laatste blik in den spiegel, voordat hij zijn kamer
verliet, om naar tafel te gaan, bevestigde ten volle die opinie.
Inmiddels was Clara's tijd van onzekerheid eindelijk om. Van Breeveld
was herhaalde malen met Lindhorst en anderen samen geweest, en er
was niets tusschen hen voorgevallen, in weerwil van de antipathie,
die ze wist, dat tusschen hen bestond. Er was dus niets van de zaak
bekend. Trouwens de eenigen, die er over hadden kunnen spreken, waren
de rechtstreeks betrokkenen; dat Lindhorst blijkbaar de laagheid
niet gehad had erover te praten, viel haar van hem mee. Ze had het
ergste van zulk een man gevreesd: het denkbeeld, dat hij wel eens
een averechtsche voorstelling van het gebeurde zou kunnen geven, om
aan een ploertige ijdelheid te voldoen, had haar doen ijzen. O, hoe
juichte zij inwendig, toen zij het zekere bewijs meende te hebben,
dat haar vrees ongegrond was geweest! Ze zou dus leven, weder een
taak hebben te vervullen, in de gelegenheid zijn een edele roeping te
vervullen. Dadelijk begon ze aan de aanvaarding daarvan te denken. 't
Begin was moeilijk. Hoe moest zij 't aanleggen, om Van Breeveld, dien
ze zoo lang afgestooten had, thans te naderen? Dat eischte takt. Ze
aarzelde en stelde telkens uit. Och, waarom zou ze niet ronduit
verklaren, dat ze thans haar ongelijk inzag, dat ze ernstig wenschte
haar houding jegens hem te veranderen? Na den avondmaaltijd, toen
Van Breeveld met een sigaar in een gemakkelijken stoel ging zitten,
achtte zij 't gunstige oogenblik gekomen, om de lastige zaak aan te
vatten. Ze mocht niet langer dralen. Er brandde maar éen lamp in de
achtergalerij, en in dat deel, waar hij was gaan zitten, heerschte
een halve duisternis. 't Zou haar dus makkelijker vallen vrij uit te
spreken, wetende, dat Van Breeveld haar trekken slechts onduidelijk
zou kunnen waarnemen. Ze richt zich dus naar den kant, waar hij zit,
en schuift een stoel naast den zijne. Verwondert kijkt de rookende op,
maar laat haar begaan, benieuwd naar wat er komen moet. Ze grijpt
zijn eene hand, die op de leuning van den wipstoel ligt, en zegt
zacht en vriendelijk:
"Man, zou 't je verheugen, als ik weer je vrouwtje werd, niet alleen de
bestierster van je huishouden, maar je vrouwtje, dat er naar streven
wil je lief te hebben en je liefde te winnen?"
Van Breeveld vertrouwt zijn ooren niet. Hoe mal rijmt zich dat met zijn
argwaan, waaraan hij reeds zoozeer den vrijen teugel gelaten heeft!
"Ik begrijp je niet," antwoordt hij na een oogenblik zwijgens.
"Ik heb spijt, heusch, geloof me, dat we zoo van elkaar vervreemd
zijn...." vervolgt Clara eenigszins zenuwachtig. En dan met een toon
van gelatenheid: "Maar ik laat 't aan je over.... Als jij niet wil...."
"Ik niet willen?" roept Van Breeveld. "Maar kind, jij hebt 't zoo
gemaakt tusschen ons."
"Dat weet ik wel," zegt Clara zacht, "maar ik heb nu zoo'n spijt,
en ik zou 't zoo vreeselijk naar vinden, als jij nu niet wilde...."
Van Breeveld richt zich uit zijn stoel op, en gaat vóor Clara staan.
"Daar is geen sprake van, mijne lieve kind.... Ik was alleen wat
overbluft van die' plotselinge' ommekeer.... Ik begrijp nog niet,
hoe je zoo lang--'t is nu eenige maanden--je zoo op een afstand hebt
kunnen houden, om nu op eens.... naar me toe te komen."
"Ik zeg je 't immers, dat ik spijt, innige spijt heb.... Ik was nog
zoo jong en onervaren. Ik meen nu wijzer geworden te zijn. Men kan
immers wel tot andere inzichten komen, en berouw voelen over een
dwaling? Ik zie in, dat ik gedwaald heb.... 't Is mijn plicht je
lieve vrouw te zijn in.... alles. Je wilt je vrouwtje wel vergeven,
nietwaar, en haar weer trouw liefhebben zooals vroeger?"
Van Breeveld, die begonnen was zijn gewonen ijsberengang te houden,
iets, waartoe hij geregeld overging, als hij zenuwachtig was, stond
stil. 't Was hem te sterk. Hij voelde meer dan verrassing, ook een
onaangename, verlegen gewaarwording als van iemand, die bewust was het
geluk onwaardig te zijn, dat hem daar zoo gul aangeboden werd. Hij
greep haar beide handen, en liet haar uit den stoel opstaan. Nog
twijfelde hij, en zag haar in de oogen, in de lieve zachte oogen. Ze
wilde ze neerslaan, maar 't besef van haar roeping hield haar
moedig. Ze had gezien, hoe Van Breeveld door haar voorstel als in
de wolken was, en dat gaf haar de hoop, dat ze op dien man zeker wat
vermogen zou.
"Meen je dat alles ernstig, Clara?" vroeg hij, met kracht haar handen
in de zijne drukkend, in groote spanning.
"Natuurlijk en ten volle. Ik zal je 't bewijs
geven.... Morgenavond...." ze aarzelde, "zullen we de inrichting van
ons huis wat veranderen.... ik zal de kamer naast de jouwe als mijn
slaapkamer laten inrichten. Nu we zoolang apart geslapen hebben, zou
't wat vreemd zijn, opeens in éen slaapkamer samen te zijn, vind je
ook niet?"
"O, zeker, maar...." viel Van Breeveld ongeduldig in, "waarom dat
uitstel? Waarom niet vandaag al?" Zich bedenkende, vervolgde hij
half lachend: "O, ik vat 't. Je vindt het vreemd tegenover de
bedienden." Clara lachte verlegen. "Goed, goed; maar éen vraag
dan." Hij trok haar naar zich toe en kuste haar. Clara zag hem
verwonderd aan. In haar oogen blonk een heilige gloed, iets van
't vuur der vrome, die eindelijk de gelegenheid vindt voor haar
overtuiging te strijden.
"Waarom kies je dan zoo'n tijd uit, om met je vredesvoorstellen voor
den dag te komen? Misschien, om me een dag lang te zien verlangen,
en je daarin te verkneukelen?"
"Foei, man.... 't Was alleen, omdat ik niet langer met die gedachten
rond kon loopen, zonder je erover te spreken. Ik heb nu zoolang
geweifeld. Ik heb eindelijk mezelf overtuigd. En," vervolgde ze
vleiend, "is 't dan niet beter nu reeds verzoend te zijn dan een
dag later?"
"O zeker, zeker, maar je weet hoe ik ben, en.... ik weet hoe jij
bent.... een lieve schat, die ik niet aan kan zien zonder.... nu
ja.... dol te worden."
Clara lachte.
"Nu, zie me dan niet aan, en laat ons nu naar binnen gaan, en eens
gezellig een spelletje doen, of wat wil je? Zal ik je wat voorspelen
en wat zingen? En dan drinken we samen een glas wijn op.... onze
hervatte wittebroodsweken."
Van Breeveld was in den zevenden hemel. Wie had hem dat eenige uren
te voren kunnen voorspellen? En dan dat onzinnige wantrouwen! 't Was
een engel, die vrouw van hem....
"Maar," liet Clara volgen, "je weet wel, als je in mijn gezelschap
wijn drinkt, dan houd je maat."
Van Breeveld wilde protesteeren.
"Jawel, jawel, zooals je altijd doet, als je met mij in gezelschap
bent," riep ze vroolijk, maar met een ernstige bijgedachte. Dat zich
te buiten gaan zou zij wel weten te keeren. Hij zag tegen haar op. Ze
moest zien dat prestige te bewaren en er gebruik van te maken. Die
avond was wellicht de gelukkigste, die Clara in het laatste jaar
gekend had.
Toen ze ontwaakte uit een droomloozen slaap, voelde ze zich zoo
verkwikt en opgewekt, dat ze lust had om te zingen. Met blijde
verrassing ontwaarde zij dien drang in zich, en ze deed zich geen
dwang aan, om dien lust te onderdrukken.
Aan 't ontbijt was Van Breeveld de voorkomendheid zelve. Hij was
zelden zoo goed gemutst geweest, en Clara merkt op, hoe aardig en
vriendelijk hij wezen kon, als hij wilde. Ze verdreef alle gedachten
aan zijn vroegere fouten: ze zouden nooit meer terugkomen, verdwijnen,
en dat zou haar, haar werk zijn.
Opgeruimd verliet hij zijn woning, om zich naar zijn gewone werk op
't bureau te begeven, en om elf uur reeds kon hij zijn trek niet
weerstaan, om naar de sociëteit te gaan. 't Was, of hij behoefte
gevoelde zich in zijn nieuw geluk te vertoonen, en lucht te geven
aan zijn vroolijke stemming in een opgewekt gesprek.
't Witte gebouwtje op de "aloen-aloen" tegenover de
assistent-residentswoning lag te blakeren in de zon. Onder het
zinken dak was het vóor bijna niet uit te houden. Er zat daar dan
ook niemand. De morgenbezoekers, een groepje heeren, of wat daarvoor
doorging, want in Java's binnenlanden heet ieder blanke een heer,
dat vóor de rijsttafel daar kwam bitteren, was geschaard om de ronde
tafel in de achtergalerij, de zoogenaamde "kletstafel". Daar, onder
het overhangende loover der hooge tamarinde-boomen van den breeden weg,
die langs het gebouwtje liep, zat men betrekkelijk koel. Ook was 't er
vroolijk door de drukte van allerlei voorbijgangers, meest kooplieden,
die van en naar de naburige "pasar" kwamen en gingen, en nu en dan een
buggy of bendy door een Europeaan gemend, den een of anderen planter
of opzichter eener onderneming, die ter hoofdplaats kwam. Telkens,
wanneer zoo iets gebeurde, klonk er een luide begroeting uit den
kring der bitterdrinkers, dadelijk beantwoord door een tegengroet
of kwinkslag uit het voorbij ijlende voertuig. Het gezelschap, dat
dien dag daar bijeenzat, was vrij groot. Er behoorden ook toe de
administrateur van Soember-Satoes met zijn rood gezicht, stralend van
goedige tevredenheid en lachlust, en een paar officieren, een kapitein
en de hartenveroverende Lindhorst. In bijzonder gemakkelijke houdingen,
sommigen met beide beenen over de balustrade der achtergalerij,
zaten ze daar op hunne stoelen te wippen, en waren druk bezig met het
"opzetten van een gezelligen boom", zooals men in Indië een familiaar
gesprek over koetjes en kalfjes noemt. Die eigenaardige naam schijnt
zijn ontstaan daaraan te danken te hebben, dat zulk een conversatie,
evenals een boom in éen richting opschiet, om zich dan in takken te
verdeelen. Inderdaad had het gesprek zulk een karakter, want men sprong
van den hak op den tak: ieder onderwerp was goed, mits niet ernstig
en niet vervelend. Zoo kwam men, na veel andere takken en twijgen,
aan een deel van den "boom", die weldra bleek zich hoog in de lucht
te zullen verheffen, en de top te zullen worden. Allen toch spraken
er een woord in mee. Men had het over de patronesse der sociëteit,
de bekoorlijke gade van den nieuwen burgervader. Lindhorst zeide
weinig. Dit scheen de aandacht te trekken. Meerlink wilde hem eens
plagen en zeide:
"Wel, Lindhorst, wat zeg jij weinig! Ik geloof waarlijk, dat jij
onze opinie in 't geheel niet deelt. Ik geloof, dat jij dat aardige
logeetje van me maar zóo zóo vindt, niet?"
Lindhorst glimlachte geheimzinnig. De oude kapitein, een leelijk
mager en lang individu, die den altijd gelukkigen Lindhorst in stilte
benijdde om zijn bekend succes bij de vrouwen, vond de gelegenheid
schoon, om eens een pijltje van zijn nijd op den luitenant af te
zenden:
"Kijk 'm eens lachen!" roept hij, "hij denkt bij zich zelf: nu ja,
wat jelui mooi en interessant vinden, is dat nog niet zoo dadelijk
voor mij. Ik geloof waarachtig, dat hij er meer aan denkt, hoe zij
hem vindt--knap, mooi of onweerstaanbaar--dan welk idee hij zelf wel
over haar zou hebben."
"Nu," zegt een ander, een der velen onder 't gezelschap, die ook
op de partij ten assistent-residentshuize waren geweest, "je hadt
'm eens moeten zien op dien eersten avond bij Van Breeveld!" Dan tot
zijn buurman: "Heb je hem met zijn gastvrouwtje zien dansen? Innig,
hoor. Lieve hemel, zoo iets heb ik nog nooit gezien. Als ik zeg,
dat hij haar gewoon met de oogen opat, zeg ik nog maar de helft van
de waarheid."
"Nu ja," valt Meerlink lachend in, "Lindhorst en hofmaken, dat hoort nu
eenmaal bijeen. En de manier waarop, wel, ieder vogeltje zingt zooals
hij gebekt is, wat zeg jij, Lindhorst? Dat jij een lieve jonge vrouw
't hof maakt, is even natuurlijk als dat ik met belangstelling naar
een mooie' koffietuin kijk."
"Juist," zegt Lindhorst met komischen ernst met de eene hand zijn
knevel opstrijkend, "'t is niet alleen natuurlijk, maar ik vind het
voor iemand als ik niet meer dan plicht, om een aardig jong ding het
hof te maken. Vooral.... als ze zoo'n half uitgebrande kaars als die
Van Breeveld als haar êga moet dulden."
"St!" wilde zijn buurman juist roepen, toen de gestalte van den
laatstgenoemde in de deur zichtbaar werd, die uit de middenzaal
toegang gaf tot de galerij. In 't drukke gepraat had niemand zijn
komst eerder bemerkt. Hij had alles gehoord. Bleek van toorn komt hij
op den onvoorzichtigen don Juan af. Deze verlaat zijn overgemakkelijke
ligging, en, zich oprichtend, kijkt hij den binnentredende driest aan.
"Wil u eens herhalen, wat u daar 't laatst gezegd heeft, Mijnheer
Lindhorst?" vraagt Van Breeveld verre van kalm. Al zijn antipathie,
zijn nauw verdrongen argwaan, vlammen in hem op.
"En als ik eens niet verkoos?" antwoordt Lindhorst doodkalm, maar
toch geërgerd door den onstuimigen toon van den ander.
"Kom, kom," valt de goedige Meerlink in, die 'n broertje dood heeft aan
al dat ruziemaken, zooals hij dat zegt, en die een onweer voorziet,
"'t is zoo erg niet, en 't is niet in uw bijzijn gezegd, Mijnheer
Van Breeveld." Maar de storm blijkt niet te keeren.
"Dat moest er nog bijkomen," roept hij bevend van woede, "dat zou de
onhebbelijkheid zelf wezen."
"Hoe zegt u, Mijnheer Van Breeveld?" vraagt Lindhorst tartend.
"Onhebbelijk, heb ik gezegd, ja meer, als u dat liever hoort, geen
taal voor een fatsoenlijk man!"
Merkwaardig is de tegenstelling tusschen den ongebonden hartstocht van
den eene en de irriteerende koelbloedigheid van den ander. Lindhorst
is niet alleen bekend als een verstokte hofmaker, maar ook als een
onverschrokken verdediger van wat hij zijn "eer" noemt; brutaal als
de beul, en kalm als deze in zijn brutaliteit. Langzaam staat hij
van zijn stoel op, en, vlak tegenover Van Breeveld staande, kijkt
hij hem strak in de oogen, en zegt, ieder woord accentueerend:
"U zal wel zoo beleefd zijn, mij daarvan satisfactie te geven?"
"Natuurlijk, onmiddellijk, als u wil."
Het overige gezelschap, dat dit tooneel zwijgend en in spanning heeft
gadegeslagen, begint er zich nu in te mengen. "Zijn ze gek?" roept
er een. "Willen ze hier duelleeren?" een ander. Meerlink is geheel
van streek. Hij staat op en legt zijn hand op Van Breeveld's schouder:
"U wil toch niet nu dadelijk met Mijnheer Lindhorst gaan vechten? Zoo
maar als wilde tegen beesten elkaar invliegen?" roept hij ontdaan.
"Nu goed, nu of straks, 't is me om 't even," antwoordt Van
Breeveld. "Wil u mijn eene secondant zijn?"
Meerlink aarzelt. Zou er aan de zaak niets meer te verhelpen
zijn? denkt hij.
"Zeg, Mijnheer Lindhorst, ik vind, dat u hier eenige schuld heeft. Leg
't zaakje bij."
"Ik denk er niet aan," antwoordt de toegesprokene, en zijn toon is
zóo vastberaden, dat den ander alle hoop ontzinkt. Niemand waagt nog
verder iets in 't midden te brengen.
Van Breeveld herhaalt zijn verzoek aan Meerlink, en deze stemt
schoorvoetend toe. Aan weerszijden zijn weldra de secondanten
gevonden. Men zal nog denzelfden dag, om zes uur, op 't pistool
duelleeren, en wel op een eenzame plaats in een ravijn, op tien minuten
afstands van de hoofdplaats verwijderd. Een enkele stem verheft zich
tegen 't ongewone uur, en stelt den volgenden ochtend vroeg voor,
maar beide partijen willen van geen verder uitstel hooren. Allen,
die getuigen waren geweest van het voorgevallene, beloven op verzoek
der geïnteresseerden, de zaak niet ruchtbaar te zullen maken, voordat
het duel had plaats gehad. Een der partijen was de assistent-resident,
een omstandigheid, die in de binnenlanden van Java niet uit het oog
verloren mag worden: 't ontzag voor diens hooge positie en groote
macht was genoeg om velen te doen zwijgen, waar zij anders gesproken
zouden hebben.
't Is half zeven in den avond. De duisternis is nog niet geheel
gevallen, en om de sombere gevaarten der waringin-boomen fladderen
de z.g. vliegende honden reeds rond in rustelooze vlucht, de vele
insecten nazettend, die door de lucht beginnen te gonzen. Op 't anders
zoo vredige Poerwanegara heerscht een buitengewone opschudding. Een
groote menigte volks is op de wegen samengestroomd, en vooral aan
éen hoek van de "aloen-aloen" is de volksoploop sterk. Daar is
de assistent-residentswoning. Een verward gemompel gaat van mond
tot mond. Nu en dan loopt een inlander haastig het erf op, of een
ander, even gejaagd, verlaat het, en wordt dadelijk bestormd door
talrijke, nieuwsgierige vragers. Geen van allen weet eigenlijk recht
wat er gebeurd is, alleen weet men, dat de "Toewan Asisten" dood is,
plotseling, en wel doodgeschoten. Sommigen beweren 't schot gehoord te
hebben; sommigen vertellen ongeloofelijke bijzonderheden, door anderen
even stellig en heftig bestreden. Toch spreken allen zacht. Het
onhebbelijke in de houding van 't volk bij oploopen in Europa is
hier niet op te merken. Uit hun aard zijn de Javanen bedaard, en,
nu 't hier zulk een buitengewoon geval geldt als de plotselinge dood
van den machtigen bestuurder, is hun houding zoo mogelijk nog kalmer.
Een groepje nieuwsgierigen heeft eindelijk de gelegenheid iets
meer te vernemen van 't vreeselijke voorval. De oude "kokki" van de
"Mevrouw" is naar buiten gekomen, zooals ze zeide, omdat ze 't niet
langer kon aanzien, maar inderdaad om eens interessant te wezen,
en beschouwd te worden als een "intima" der kleine hofhouding ten
assistent-residentshuize.
"O, Heere God," begint ze te vertellen, als men van alle kanten
bij haar aandringt om toch te spreken, "'t was toch zoo akelig." Ze
kijkt even rond, en ziet met voldoening, dat men met open mond staat
te luisteren.
"Mijnheer werd een kwartier geleden binnengebracht. Hij werd uit een
rijtuig gedragen. Zijn eene oog was verbonden. Ik heb 't gezien, toen
de doek eraf was. Och, lieve God, 't was door en door geschoten. Hij
leefde nog. Nu ligt hij te zieltogen. Je hadt die goede, lieve Mevrouw
eens moeten zien! Ze lag voorover bij zijn bed, met haar hoofd op
zijn borst."
Hier viel een andere vrouw in de rede:
"Och, mensch, wat zeg je? Ze zeggen, dat die mooie mevrouw niets van
haar man woû weten. Ik heb dat zoo dikwijls gehoord."
"Je leutert," zei kokki streng en beslist. "Ze is gek van verdriet,
zeg ik je. Dacht je, dat die Hollanders mekaar liefhebben zooals
wij Javanen als man en vrouw? Dat 's heel anders, mensch." De andere
zweeg en luisterde weer.
"Weet je wat ze maar al riep?: ""Te laat, te laat!"" en dan snikte
ze, om er naar van te worden. Ik weet niet, wat dat zeggen wil,
maar 't moet heel akelig zijn. Ik zeg je, ik ben weggeloopen, ik kon
't niet meer aanzien."
Hier kwam een boodschapper van binnen haastig naar de vertelster
toeloopen, fluisterde haar iets in 't oor, en, door tal van oogen
nagestaard, verdwijnt het oudje weer in de assistent-residentswoning.
Daar binnen wordt een treurig tooneel afgespeeld.
Met loshangende haren en verwilderden blik ligt een beeldschoone jonge
vrouw geknield voor een ledikant, waar een bleeke mannengestalte op
uitgestrekt ligt. Krampachtig omklemt ze een der slappe handen des
overledenen, en eentonig, akelig weerklinkend in 't holle vertrek,
waar alles overigens zwijgt, herhaalt ze twee woorden, waarin een
oneindigheid van smart en wroeging ligt opgesloten: "Te laat, te
laat!" De geneesheer en twee bedienden staan roerloos dit schouwspel
gade te slaan. Hun hulp is niet meer noodig, en heeft ook niet veel
goeds kunnen uitrichten. Reeds stervende binnengebracht, is Van
Breeveld na eenige minuten de eeuwigheid ingegaan. Een kogel, die
door een ongelukkig toeval hooger terecht is gekomen dan de schutter
bedoeld had, is door 't linkeroog tot bij de hersenen doorgedrongen:
hij was reddeloos verloren.
Doch hoe vreeselijk zijn lot mag genoemd worden, die vrouw, die daar
in wanhoop over zijn lijk gebogen ligt, had gaarne dat lot met het
hare geruild. Haar is met dezen slag, naar ze vast gelooft, de laatste
kans op levensgeluk ontgaan. 't Was dan de wil des Almachtigen haar
te straffen voor haar zwakheid! Al haar goede voornemens hadden dus
niets kunnen uitwerken. Ze zag niets dan een toekomst van schande;
want een ieder zou de ware rede van 't duel in haar schuld meenen te
moeten zoeken, men zou 't als zeker vertellen. Maar dat was nog niet
't ergste. 't Vreeselijkste was, dat zij zich de schuld achtte van
zijn dood. Voor haar had hij den noodlottigen strijd aangegaan, voor
haar eer, waarin hij zoo vast geloofde, was hij opgekomen! Hij was
als haar offer gevallen. Die gedachten waren zoo ontzettend, dat ze
ervan duizelde. 't Was, of ze krankzinnig zou worden. En telkens kwam
die verschrikkelijke overtuiging, geuit in dien kreet van waanzinnige
smart: "Te laat, te laat!"