Op 't lage witgekalkte muurtje aan een der beide ingangen van
't erf der assistent-residentswoning te Poerwanegara zit Djåjå
de politie-oppasser rustig zijn strootje te rooken. Hij kan er
zijn gemak van nemen, want hij heeft niets te doen. Zijn baas, de
assistent-resident, is gisteren voor dienstzaken naar de hoofdplaats
van 't gewest vertrokken, en den volgenden morgen is ook Mevrouw de
stad uitgegaan. 't Is er bijzonder kalm en rustig op dat middaguur:
geen geloop van bedienden, boodschappers, koopvrouwen en andere
rustverstoorders, die anders gedurig het erf betreden, is er thans,
evenmin als den voorafgaanden morgen, te bespeuren. In de bijgebouwen
luieren de vele trawanten der kleine hofhouding naar hartelust,
en zelfs de eekhoorntjes in de hooge ketapan boomen vóor schijnen
zich veiliger te voelen; want ze huppelen en springen levendiger dan
anders. Zelfs waagt er zich éen tot onder aan den stam van een boom,
kijkt dan even schichtig rond, en vliegt met een vaart vlak langs den
slaperigen oppasser, die met een verschrikt "Eh!" zijn luie houding
verlaat, en het dier een kiezelsteentje nazendt.
Met het oog op de afwezigheid van haar echtgenoot, die vier dagen zal
duren, heeft Clara van een plantersfamilie in 't koele bovenland een
uitnoodiging gekregen, om gedurende dien tijd bij hen te logeeren. Ze
kent de menschen nog pas zeer kort, maar van den beginne af heeft
ze sympathie voor hen gevoeld. Het gezin bestaat uit man, vrouw en
twee dochters, allen beschaafd, vroolijk en hartelijk. Bovendien
zijn de vrouw des huizes en de beide dochters zeer muzikaal, een
aantrekkelijkheid te meer voor Clara, voor wie zang en pianospel nog
steeds een groot genot zijn. Na het feest te haren huize heeft zij
zich dagen achtereen zeer droefgeestig en onaangenaam gestemd gevoeld,
en heeft haar nachtrust veel te wenschen overgelaten. De herinnering
aan Lindhorst, zijn blikken, zijn woorden, alles tot in de kleinste
bijzonderheden van haar korte samenzijn met hem op dien avond is haar
gedurig in den geest gekomen; de gedachte aan hem vervolgt haar overal:
't is, of ze aan hem denken moet, tegen wil en dank. Een paar dagen
gezellig verkeer met lieve menschen in een heerlijk bergoord lokte
haar dus zoozeer aan, dat ze gretig de gelegenheid aangreep, om op
die wijze afleiding aan haar gedachten te geven.
Ze is nu dus "boven", d.w.z. op negen honderd voet boven de zee,
op de koffieonderneming Soember-Satoes. De streek is heerlijk frisch
gelegen, tusschen rotsen en koele wouden ontspringen talrijke bronnen
met kristalhelder water. Op de onderneming zelf, de uitgestrektste
in de gansche omgeving, zijn ze rijk vertegenwoordigd: vandaar de
naam "de honderd bronnen". Daar geven de snelvlietende bergbeekjes
de noodige drijfkracht voor de machinerieën op de fabriek. Alles is
nieuw en belangwekkend voor Clara; zij voelt zich verkwikt in den
schoot van Moeder Natuur, waar reeds zoovelen vóor haar leniging
of genezing vonden voor hartewonden en nog velen die vinden zullen,
zoolang de mensch dit oord der beproeving, de wereld, zijne woning
zal blijven noemen.
Op den rit naar Soember-Satoes reeds was het of haar geest zich
hoe langer hoe meer verlicht en opgewekt voelde en toen zij na
een allerhartelijkste ontvangst in een luchtig morgenkleed aan de
rijsttafel zat, nam zij vroolijk deel aan 't gesprek, en was 't haar,
alsof ze nooit leed gekend had. Zij beloofde zich dan ook een paar
dagen van geluk, en ze zou genezen, bevrijd van alle muizenissen
naar Poerwanegara terugkeeren om haar leven van plichtsbetrachting
te hervatten. Reeds lachte zij om haar doorgestane angsten, en
vond zich zelve erg kinderachtig, zich zoo door een nietigheid haar
zielsevenwicht te doen ontnemen. Ze had nog zelden zoo'n heerlijk
middagslaapje gedaan, en het bad in de ruime badkamer, waar een stroom
van 't zuiverste bergwater, bruisend als een waterval, zich van boven
neerstortte, deed haar weer tintelen van jeugdige kracht. De theetafel,
op 't uur waar in een Indisch huis de ongedwongenste gezelligheid
heerscht, bracht na 't bad de leden van het gezin met de logée weer
bijeen. De heer Meerlink--de gastheer--deelde toen lachend mede,
dat hij eenige jaren achtereen niet jarig was geweest--de koffieoogst
had het niet toegelaten. Nu had hij voor 't eerst weer een prachtigen
oogst gemaakt en dat vergunde hem, weer eens echt jarig te wezen. Hij
lachte schaterend om zijn onschuldige aardigheid, en zijn breed,
ongebaard gezicht, reeds rood in gewonen toestand, werd violet van
innige vergenoegdheid. Zijn lach had iets bijzonder aanstekelijks:
men moest meelachen, of men wilde of niet.
"Ja, ja," riep hij, toen hij eindelijk uitgebulderd had, en de piano
in de belendende middenkamer er nog van nadreunde, "van avond zullen we
's lekker eten, nietwaar vrouw?" Mevrouw Meerlink lachtte goedig.
"O, Mevrouw, u moet van avond eens zeggen, of onze "kokki" niet in
eene goede kookschool geweest is, bij dat juweel van een huisvrouw,
dat daar zit." Hij wees op zijn vrouw, met een komisch ernstig gezicht.
"Die vrouw van me kent u nog niet, Mevrouwtje," ging hij voort. "'t
Is een... een.... nu, hoe zal ik 't zeggen?"
"Zeg maar een prachtperceeltje!" viel Mevrouw Meerlink glimlachend in.
"Ha, ha, ha!" bulderde haar echtvriend daarop.
"Zeg er dan bij, dat het een puike oogst heeft gegeven: die twee
schatjes van dochters!" Meteen klopte hij zijn vrouw en zijn beide
dochters op den schouder.
"Maar Pa!" riep de oudste der meisjes quasi boos, "wat moet Mevrouw
wel van u denken? U is hoogst ongepast in uw houding tegenover dames,
vooral als 't schatjes zijn."
De heer Meerlink scheen weer te zullen stikken van de pret: zijn
zwaar lichaam schudde ervan.
"Van avond zullen we 't weer goed maken, hoor, engeltjes. Dan mogen
jelui je eens te goed doen aan Champagne, Veuve Cliquot, de echte."
"Papa is een lekkerbek, moet u weten," zei het meisje, dat naast Clara
zat, bij wijze van vertrouwelijke mededeeling. "Hij bedoelt, dat hij
zich te goed zal doen. Te goed doen! wat een uitdrukking," ging ze
voort, "een fatsoenlijk meisje doet zich niet te goed, wel Mevrouw?"
"Dat kan er naar wezen," antwoordde Clara vroolijk, "aan de
hartelijkheid van een besten, braven papa bijvoorbeeld, daar is niets
tegen, zou ik zeggen."
Met zulken en dergelijken kout ging het thee-uurtje spoedig om. Men
ging zich kleeden voor den avond. Op dit oogenblik echter klonk
er hoefslag op den grintweg vóor de planterswoning. Eenzaam als de
onderneming lag, was het voorbijkomen van een Europeaan iets, dat
niet nalaten kon, de aandacht te trekken.
"Papa, wie zou dat zijn," riep een der meisjes, toen hij op 't punt
stond naar binnen te gaan. De heer Meerlink wendde zich om. Meteen
zag hij, wie de ruiter was, en met een komisch:
"Wel, heb je nou ooit zoo'n rakkert!" liep hij op zijn sloffen het
voorerf over, en was in een ommezien bij den ruiter. Deze hield zijn
paard in en groette.
"Zoo, zoo, Lindhorst, woû jij maar "stikem" ons huis voorbij rijden,
zonder eenige notitie van ons te nemen?" Lindhorst--het was de ruiter
inderdaad--lachte en antwoordde:
"Zoo op 't thee-uur? Mijn waarde heer, ik dorst niet. Ik hoor
bovendien, dat er een dame bij je logeert?"
"Och kom, weet je dat al? Zeker, omdat ze er zoo goed uitziet. Je
bent me er een! Nu, ik zal je niet ophouden. Ik zeg je alleen dit:
Je zult van avond aankomen en blijven eten, versta je? Dan zul je tot
je straf de' fijnste' Champagne drinken, die je ooit van je leven
geproefd hebt. Dat heb je behoorlijk begrepen, nietwaar: over een
uur ben je hier."
Lindhorst sloeg aan.
"All right. Nog iets van uw orders, generaal?"
"'t Is goed, je kunt gaan."
Lindhorst gaf zijn paard de sporen, en draafde in stevigen draf verder.
"Een leuke baas," mompelde de dikke Meerlink, hem naoogende. En weer
schudde zijn zwaar lijf van den hartelijksten, oprechtsten lach, die
ooit uit een menschelijke borst opdaverde. Men kon hem binnen hooren,
op een afstand van zeker honderd schreden.
Weinig vermoedde de vroolijke gastheer, toen hij, weer binnen gekomen,
vertelde wie die ruiter was, en dat hij dien avond zou komen eten,
hoe weinig welkom het bericht voor zijn logée was. 't Was of met een
tooverslag Clara's opgewekte stemming verdwenen was. Het angstige
gevoel, dat zij waande overwonnen te hebben, bekroop haar weer met
nieuwe hevigheid. De avond, waarvan ze zich zooveel onschuldige vreugd
voorgesteld had, zou dus voor haar bedorven zijn! En toch--heel diep
in haar diepste wezen, als bevreesd zijn stem te doen hooren, rees
een vaag verlangen naar dien man, wiens tegenwoordigheid zij duchtte!
Wat zij verwacht had, gebeurde. Den ganschen avond, in weerwil van
de uitbundige vroolijkheid van den heer Meerlink, het goede maal,
en de vriendelijkheid van gastvrouw en dochters, ten spijt van de
attenties en 't innemende gesprek van den onderhoudenden Lindhorst,
en van de piano-muziek, die men maakte, en de komische liederen
van den gastheer, bleef Clara gedrukt en afgetrokken. De wijn en
het maal verhitten haar, en deden haar zenuwachtigheid stijgen,
terwijl de muziek haar een schreeuwende wanklank was bij de onrust
van haar gemoed. De gastvrouw scheen bemerkt te hebben, dat er iets
aan haperde; want reeds vroeg wist zij aan 't samenzijn op tactvolle
wijze een einde te maken. Lindhorst vertrok te paard, zooals hij
gekomen was. 't Was nog geen half twaalf, toen Mevrouw Meerlink Clara
naar haar kamer in de bijgebouwen vergezelde. Daar bleef zij nog even
staan, vóor de geopende deur, en vroeg hartelijk:
"Wat scheelt eraan, Mevrouwtjelief? De wijn schijnt u niet goed gedaan
te hebben. Of was 't wat anders?"
"O, Mevrouw, heel vriendelijk van u, maar 't beteekent niets. Ik heb
meer last van hoofdpijn. Ik zal me vandaag wat vermoeid hebben."
"Zeker, dat zal 't zijn. Slaap u maar 's stevig uit, hoor. Goeden
nacht, Mevrouwtje."
Clara kuste het goede mensch, en zij scheidden.
Het was een prachtige maannacht. Het zilveren licht viel in een breeden
stroom door het geopende venster van Clara's kamer. Buiten was niets
te hooren dan het eentonig gegons der myriaden van insecten. Een zwak
koeltje bewoog de vederachtige kronen der kokospalmen, die ver boven
het omringende geboomte teekenachtig tegen den donkerblauwen hemel
uitkwamen. Clara voelde niet den minsten lust tot slapen. Tegen het
venster stond een sofa. Daar knielde zij op, en, het hoofd op de
beide armen leunend, keek ze naar 't vredige landschap buiten. Het
venster zag achter op een plek open gronds uit, waar alles door 't
schijnsel der maan overgoten was. Een smal pad liep daar langs, om
zich op een kleinen afstand in 't bosch te verliezen. Daar, kort bij,
was een plaats onder hoog geboomte, waar de familie Meerlink dikwijls
gezamenlijk naar toe ging. Men zat daar dan in fijn zacht gras naast
een murmelend beekje en "picnicte". De gastvrouw had Clara reeds
over een plannetje van dien aard gesproken, dat spoedig uitgevoerd
zou worden.
Het vredige licht daarbuiten en het koeltje, dat de lucht bewoog,
doen Clara goed. Een poos blijft zij onbewegelijk turen naar de
donkere plek rechts, het bosch. De geheimzinnigheid van 't oord op
dit uur boeit haar machtig. Ze voelt een onweerstaanbaar verlangen,
nog even een eenzaam wandelingetje te doen. Waarom zou ze niet? Een
oogenblik aarzelt ze. Ze is in nachtgewaad: saroeng en kabaja, maar
wat zou dat? Er was immers niemand, die haar daar buiten, achter
't huis, bespieden kon. 't Was een verlaten boschpad, geen weg,
zooals vóor, waar wel eens een nachtelijk voorbijganger kon wezen,
of in allen geval het werkvolk in de "gardoe," het wachthuisje,
haar zou kunnen zien. Ze bedenkt zich niet lang.
Blootshoofds en op sloffen wandelt ze door de opening in de haag achter
het erf, en gaat langzaam het pad op. Welk een vreemd tegenbeeld vormt
haar ziel met het nachtelijk landschap: hier vredige rust, daar het
tumult van strijdige machten! hier lieflijke koelte, daar kwellende
gloed! hier overal wegwijzend licht, daar verwarrende duisternis. O,
die lijdende vrouwenziel voelt het scherpe contrast, en juist daarom
trekt die heerlijke natuur haar met toovermacht aan: zij wil rustig,
verkwikt en helder worden als zij.... Ongemerkt wandelt ze voort. Reeds
is ze op een honderdtal schreden afstands van haar kamer en vlak
bij 't bosch, welks donker verschiet haar aanlokt en bekoort. Nog
gaat ze voort. Daar hoort ze geritsel vlak bij haar. Ze denkt aan
een wild dier, een slang; maar herinnert zich de verzekering van den
heer Meerlink, dat er in den ganschen omtrek sinds de ontginning der
streek geen tijger of ander gevaarlijk wild dier meer voorkomt. 't
Gedruisch der machinerieën, de drukte van werkvolk op de onderneming,
en wellicht ook de nabijheid der rumoerige "bèntèng" hebben ze
verdreven, reeds lang. Slangen waren zelfs vóor dien tijd zeldzaam,
en worden thans nergens meer aangetroffen. Niettemin kijkt ze ongerust
om, en gaat haastig terug. Doch plotseling, vóordat ze 't weet, staat
een rijzige mannengestalte naast haar. 't Is Lindhorst. Hij was vóor
't heenrijden op de gedachte gekomen, even Clara te bespieden, om
als ze in haar kamer was, te trachten daar binnen te dringen. Haar
zenuwachtigheid was hem niet ontgaan, en hij wenschte zijn geluk
te beproeven, als de gelegenheid gunstig was. Hij was daartoe het
huis omgereden. Zijn paard vastgebonden hebbende, was hij bij een
boom blijven staan, wachtende totdat hij licht in de kamer der jonge
vrouw zou ontwaren. Juist was hij op 't punt geweest zich daarheen te
begeven, toen hij opeens bemerkte, dat zij het pad opging, in welks
nabijheid hij op den uitkijk stond. Eerst toen zij, terugkeerende,
vlak bij hem was, verraadde hij zijne aanwezigheid door haar snel
achterna te loopen.
Hel schijnt het maanlicht op zijn mannelijke gestalte. Zij ziet hem
ontsteld aan, en 't is, of hij haar blik drinkt.
"Mijnheer Lindhorst!" roept ze ontzet en vreemd te moede. Hij antwoordt
niet, maar blijft haar aanzien met van hartstocht gloeiende oogen. Zij
is als machteloos. Haar gedachten worden als weggevaagd door den alles
meeslependen lava-stroom dier oogen. Een duizeling overvalt haar,
als hij driest zijn arm om haar heen slaat en haar met zich tracht
mee te voeren naar haar kamer, slechts eenige schreden verder. "Mijn
liefste, mijn liefste!" brandt haar in 't oor, als hij zich fluisterend
naar haar toebuigt. Nog éen oogenblik en ze is verloren.... Doch met
een plotselinge opwelling van verontwaardiging rukt ze zich los. De
vlucht is haar eenig redmiddel. Zij vliegt naar haar kamer, en doet
de deur op slot.
Goddank, ze is veilig!
Lindhorst blijft een oogenblik overbluft staan. Hij begrijpt er niets
van. Hij, de onweerstaanbare, moet hier afdruipen! Dat is hem zelden
overkomen: zoo na aan 't doel en dan zoo afgescheept te worden.
"Wonderlijk, wonderlijk, een ellendige boel!" mompelt hij, als hij
zijn paard opzoekt en wegrijdt. "'t Beroerdste is nog," denkt hij,
"dat er misschien nog een "perkara" met dien ouwen Van Breeveld van
komt. A la bonne heure! Als hij dan absoluut wil, zal ik hem wel een
kogel in zijn lijf jagen. Een eenig geval...."
Wat inderdaad voor 't jonge mensch 't onaangenaamst van zijn mislukt
avontuur was, was zijn gekwetste eigenliefde. En dan--zijn kameraden
zouden hem uitlachen, als de zaak ruchtbaar werd. Hij zou zwijgen,
dat nam hij zich stellig voor; maar dat Clara het doen zou, scheen
hem haast ondenkbaar.