EEN MEEVALLERTJE VOOR "MOEDER MERENSTEIN".

Clara is door het stormachtig onderhoud met haar moeder natuurlijk

nog meer aan Willem Victor gaan denken dan ooit te voren. Ze is

dagen achtereen weinig spraakzaam en soms opvallend afgetrokken. Haar

moeder slaat haar opmerkzaam gade, en beseft tot haar innige ergernis,

wat er de reden van wezen moet. Onophoudelijk zint zij op middelen,

om Clara van gedachten te doen veranderen. Maar wat kan ze doen? Voor

laster schrikt zij niet terug... Maar Clara iets kwaads van Victor

te doen gelooven, zal erg moeilijk zijn, dat ziet ze duidelijk in.

Op een dag, dat ze vóor twaalven weer bezig is met het bijschrijven

van haar boek van inkomsten en uitgaven, en Dientje de meid toevallig

in de kamer is, schiet het haar te binnen, dat ze nog niet haar anders

gewone informatie heeft gedaan naar de fooien, die de dienstbode van

haar gasten gekregen heeft. Bij vergissing vraagt ze ook, of die

"Mijnheer Victor" haar wat gegeven heeft, er niet aan denkende,

dat die niet bij haar heeft gegeten.

"Mij wat gegeven?" roept Dientje uit. "Waarom zou hij mij wat

geven? Hij geeft liever een ander wat..."

"'t Is waar ook... hij is pas 's avonds gekomen. Maar.... je zegt zoo,

geeft liever een ander wat. Wat wil je daarmee zeggen?"

Dientje heeft wel gemerkt, dat die Mijnheer Victor bij Mevrouw in geen

goed blaadje staat, en gelooft dus vrij over hem te kunnen spreken. Ook

zij mag hem niet, dat wil zeggen, 't hindert haar dat de knappe, jonge

student haar zijn aandacht niet waardig keurt, terwijl ze toch anders

"nette kennissen genoeg heeft onder de studentjes."

"Nou", zegt Dientje geheimzinnig, "aan die eene, waar hij zoo'n aardig

presentje van heeft." Dientje verkneukelt zich over de klimmende

nieuwsgierigheid harer meesteres, die haar uit de oogen spreekt.

"Kom meid, zeur nou niet," zegt Mevrouw Merenstein zich op haar stoel

omwendend en geheel aandacht. "Wat bedoel je? Heeft Mijnheer Victor

een liefje?"

"Och, weet u dat dan niet? Van die meid, die vroeger bij zijn Mama

diende?"

"Neen, wat weet jij daarvan?"

"Wel, Mevrouw, die is immers weggestuurd, omdat ze..... nou

ja....." Dientje lacht erg gemeen, "hoe zal ik dat zeggen? omdat ze

zoo ver was .... ziet u, van die' jonge' meneer."

"Wat zeg je? Is dat waar?" roept Mevrouw van Merenstein inwendig

juichend, maar ten hoogste verbaasd uit.

"'t Is zoo waar, als ik hier sta, Mevrouw. Ik kende die meid heel goed,

en die heeft 't me zelf gezegd. U dacht zeker, dat zoo'n "fijne meneer"

zoo 'n zaakje niet kon hebben. Nou, 't is me een fijne, hoor."

"Maar, Dientje, durf je me dat verzekeren?"

"Nou, Mevrouw, gaat u 't Mina maar zelf vragen. Ze woont in de

Paulus-Potterstraat, en haar "Willem" gaat nog telkens 's avonds naar

haar kijken en naar zijn schat van een zoontje. U zou 'm daar zelf

kunnen zien binnengaan, als u 't erop gezet had."

"Ik zou je bedanken. Nu, ik geloof je. Maar hoe oud is dat kind?"

"Een jaar, Mevrouw."

"Waarom heb je me dat niet eerder verteld?" gaat Mevrouw voort. "Ik zou

die' meneer Victor anders niet meer ontvangen hebben, dat begrijp je."

"Ja, hij kijkt erg naar de Juffrouw, geloof ik," zegt Dientje

driest. "Ik kan begrijpen, dat u bang voor hem is."

"Och, zwijg, meid, dat zijn jouw zaken niet. Ga nou maar aan je werk."

Dientje verwijdert zich, hoogst voldaan over de gelegenheid, die ze

gehad heeft, om eens haar landerigheid tegen "die' verwaande' meneer"

te uiten.

Mevrouw van Merenstein is niet minder tevreden. Welk een heerlijk

wapen heeft ze thans tegen dien dwars-in-den-weg! Clara zal 't hooren,

zoo spoedig mogelijk, en als ze 't niet gelooven wil, gaat ze zich

desnoods met haar zelf overtuigen. Op die wijze zal 't kind wel

afzien van dien Victor, en dan is 't terrein vrij om op te ageeren,

zooals Moeder Merenstein dat het beste vindt. Ten slotte zal Clara

dan wel zwichten en Van Breeveld nemen.

Mevrouw Van Merenstein gelooft wat Dientje haar verteld heeft. Ze is

dus volkomen oprecht, als ze thans meent een goede geldige reden te

hebben om tegen Willem Victor te zijn. Verbeeld je: een jongmensch,

dat al een kind heeft, en er zich zoo weinig voor schaamt, dat hij

erheen gaat, en de heele wereld van de zaak weet!

Ook Dientje is oprecht. Haar vriendin Mina heeft haar inderdaad gezegd,

dat Willem Victor haar verleid had en 't kind van hem was. En hoe kon

ze anders dan dat gelooven, nu ze nog onlangs vernomen had, dat de

"jonge meneer" telkens naar 't verblijf van moeder en kind kwam,

om naar beiden te informeeren?

Wat was echter het geval? Mina, een mooi jong meisje uit Den

Haag diende indertijd bij Mevrouw Victor te Delft. Ze was een

intieme vriendin van Dientje, die thans bij de Merensteins was,

en natuurlijkerwijze liep beider zedelijksheidsstandaard niet wijd

uiteen. Reeds zeer jong had ze connecties aangeknoopt met jongelui

uit den deftigen stand, vooral studenten, en toen zij bij Mevrouw

Victor in dienst trad, had ze reeds menige "campagne" achter den

rug. Echter had ze iets in haar uiterlijk, dat weinig vermoeden deed,

hoe haar levenswandel den verkeerden kant uitging, iets naïefs en

onschuldigs, dat den meesten een goeden dunk van haar gaf. Zoo ook

Mevrouw Victor. Deze wist niet beter, of Mina was een fatsoenlijk

meisje. Niet lang nadat ze daar in huis was, bemerkte het behaagzieke

ding met spijt, dat het haar niet mocht gelukken, den "jongen meneer"

te boeien, welke kunstgreepjes zij daartoe ook aanwendde. Willem

bleef onverschillig. Geen wonder, dat zij, die gewoon was met haar

mooie bakkesje tal van gemakkelijke veroveringen onder jongelui van

zijn slag te maken, dit erg vreemd vond, en dat haar verlangen om den

jongen man in te palmen daardoor aanmerkelijk steeg. Iets wat haar te

voren nog nooit overkomen was, gebeurde: ze werd smoorlijk verliefd

op den onverschilligen jongeling. Ze gaf de hoop niet dadelijk op,

bewust als ze was van de bekoorlijkheid van haar persoontje. Maanden

achtereen probeerde ze alles. Zelfs had ze op een nacht hem in haar

slaapkamertje weten te lokken door voor te geven hevige maagkrampen

te hebben. Willem was, vóor 't inslapen, door een naar gekreun uit de

meidekamer gestoord geworden. Goedhartig als hij was, stond hij op,

ging naar Mina kijken, en gaf haar eau des Carmes uit een fleschje,

dat hij in zijn kamer had. Geen haar op zijn hoofd dacht eraan, dat

Mina andere bedoelingen kon gehad hebben. En hoe verleidelijk ze hem

ook aangekeken had, toen zij voor zijn spoedige hulp bedankte, Willem

was even onbewogen weer naar zijn kamer gegaan, alsof hij een van

zijn vrienden in bed had zien liggen, in plaats van een dolverliefd,

mooi meisje van achttien jaar. Sedert dien tijd had ze wraak gezworen

tegen den versmader harer min, en, toen het ongeluk wilde, dat zij een

half jaar later de zekerheid had, in belangwekkende omstandigheden te

verkeeren, en dit moeilijk langer verzwegen kon worden, vond zij daarin

een geschikt wapen tegen den onschuldigen Willem. Onder een vloed

van tranen deelde zij harer meesteres weifelend en haperend mede,

dat "de jonge meneer" de schuld van alles was, en haar ongelukkig

gemaakt had. Geen wonder, dat de goede Mevrouw Victor hevig ontstelde,

en, schoon ze geneigd was haar zoon tot zoo iets niet in staat te

achten, was zij toch in haar vertrouwen geschokt. Nauwelijks echter

had zij haar jongen ernaar gevraagd, zijn gul, open gezicht verbaasd

en verontwaardigd naar zich zien op kijken en hem hooren uitroepen:

"Maar Mama!..." of zij sloot hem in haar armen, volkomen overtuigd,

dat hij niets voor haar verborgen hield. Mina genoot dus niet de

gewenschte voldoening. Medelijdend als haar meesteres echter was, kreeg

zij bij haar heengaan zooveel mee, dat ze zich geruimen tijd daarvan

kon onderhouden, zelfs tot eenigen tijd nadat alles voorbij zou zijn.

Dat belette niet, dat de jeugdige zondares haar wrok tegen den

jongen Victor bleef koesteren en aan iedereen, die het weten wilde,

vertelde zij, dat hij de schuldige was. De ware delinquent was echter

ongelukkigerwijze een van Willem's beste vrienden, een student aan

de Indische Instelling te Delft. Onder teekenen van groot berouw,

vertelde deze aan Willem, hoe de zaak stond. Willem was verontwaardigd,

maar toen hij bemerkte, hoe echt en waar het berouw van zijn vriend,

en hoe groot zijn belangstelling voor de jonge vrouw was, die hij

meende "verleid" te hebben, en later voor de onzalige vrucht zijner

verstandhouding, dwong zijn edele inborst hem tot vergevensgezindheid

en zelfs tot deelneming. Mina was na de groote gebeurtenis in Den Haag

gaan wonen. Onwillig om weer een dienst te zoeken, schoon de jonge Van

Poorten, haar beschermer, haar daartoe aanspoorde, en Mevrouw Victor

zelfs bereid was een goed getuigenis van haar te geven, schaarde zij

zich zonder aarzelen onder de banier der priesteressen van Venus. In

weerwil daarvan bleef Van Poorten voortgaan met zijn belangstelling

in haar en zijn kind te toonen. Zooveel hij kon, steunde hij haar

met geld. Tegenover zijn vriend Willem verzweeg hij de omstandigheid,

die haar zijn hulp onwaardig had gemaakt. 't Duurde echter niet lang,

of de jonge man moest als ambtenaar naar Indië vertrekken. Dit baarde

hem veel zorg; want hij had voor het ongelukkige wichtje een liefde,

die wellicht vele van zijn kennissen bespottelijk zouden vinden,

wanneer zij er van hoorden, maar die juist bij zijn vriend Willem

Victor veel van zijn fout goed maakte. Hij had dus kort vóor zijn

vertrek naar Indië Willem zijn bezwaren blootgelegd, en hem raad

gevraagd. Met zijn gewone hartelijkheid had deze dadelijk gezegd:

"Maar kerel, laat dat je geen zorg zijn. Ik ben er nog, en waarom

zou ik je daarin niet van dienst willen zijn? Jij stuurt eenvoudig

iedere maand of iedere drie maanden wat geld over en ik belast me

met het aan het adres te bezorgen, en bovendien heb ik er niet tegen,

nu en dan eens naar Mina en haar kind te gaan kijken." De ander was

dankbaar verwonderd over zooveel goedheid.

"Mijn beste Willem," antwoordde hij, "neem je dat heusch op je? Ben

je dan niet bang, je naam in gevaar te brengen? Je weet wat Mina al

van je beweerd heeft....."

"Och, ben je mal! Daar stoor ik me nogal aan! Mijn vrienden weten

wel beter, en om de rest bekommer ik mij niet."

De zaak werd dus beklonken, en Van Poorten vertrok met een opgelucht

gemoed naar 't land van zon en kleuren. Hij hield zich stipt aan de

afspraak, en zijn vriend evenzeer.

Eens in de maand, soms nog eens tusschentijds, ging Willem na

collegetijd even naar Den Haag, en richtte zijn schreden naar de

Paulus-Potterstraat. 't Kostte hem in den beginne wel moeite,

Mina gunstig te stemmen; want ze was nog niet bekomen van de

gevoelige nederlaag, die ze geleden had. Maar al spoedig begreep

zij, dat deze edelmoedige ondoordachtheid van den jongen man haar de

gelegenheid gaf, om een wraakplannetje uit te voeren. 't Zou haar zóo

gemakkelijk vallen, anderen te doen gelooven, dat inderdaad hij haar

zoover gebracht had. Ze wachtte slechts op 't gunstige oogenblik,

om op die wijze haar slag te slaan. Kwam dat spoedig, dan zou dat

haar veel voldoening geven, kwam dat laat of nooit, in vredesnaam,

dan had ze toch geen reden tot klagen, want op die wijze was haar

onderhoud verzekerd.

Wat de dienstbode bij Mevrouw Van Merenstein gezegd had omtrent

Willem's herhaalde bezoeken was volkomen waar. 't Kindje harer

vriendin was plotseling zeer ziek geworden, en nu achtte de jonge man

het tegenover zijn vriend in Indië zijn plicht, iederen dag naar Den

Haag te gaan, ten einde zich van den toestand van het ventje op de

hoogte te stellen. Zoo was hij denzelfden Vrijdag, waarop hij Clara

Van Merenstein weer voor 't eerst ontmoet had, nog bij den kleine

zieke geweest. Natuurlijk dat hij niemand, zelfs zijn moeder niet,

over deze zaak ooit sprak. Waartoe zou 't dienen, dacht hij, en zijne

moeder, met haar groote bezorgdheid voor hem, zou waarschijnlijk

getracht hebben, hem te weerhouden van wat hij zijn dure plicht achtte.

Mevrouw Van Merenstein kon niet lang over 't gehoorde zwijgen. Nog

denzelfden dag vond zij gelegenheid Clara alleen te spreken. Zij deed

het op ruwe, onkiesche wijze.

"Je hebt aan een lief heerschap je genegenheid gegeven, Toetie,"

begon zij.

"Wat bedoelt u, Ma?"

"Die Victor is nogal waard, dat je zooveel aan hem denkt."

Clara kleurt hevig en ziet haar vragend aan.

"Weet je, wat ik van hem gehoord heb?"

"Hoe zou ik dat weten?"

"Dat hij hier in Den Haag een liefje heeft en al vader is."

Als een modderspat op een blanke lelie, als een vloek in een gebed,

zoo vallen die woorden in 't blanke heiligdom harer maagdenziel.

"Mama!" roept ze buiten zich zelve. "Hoe durft u zoo iets zeggen? Van

wie heeft u dat?"

"Ik zie wel, hoe je van dien vent houdt.--Van wie ik dat heb? Dat

gaat je niets aan. 't Is waar."

"Ik geloof er niets van, niets, hoort u?" 't Zachte kind is een

verontwaardigde jonkvrouw geworden. "Hoe wil u hebben, dat ik dat

geloof, als u me niet eens zegt van wie u 't heeft. Misschien heeft u

't wel van de meid." Al haar antipathie tegen dat schepsel uit zich

opeens. "Dat gemeene mensch zie ik er net voor aan...."

"Nu ja, al was 't ook zoo.... Ik zegje, dat 't waar is."

"Ik begrijp niet, dat u zich aan meidenpraatjes stoort. Ik vind

't gemeen, laag, zeg ik u, die' goeie' jongen zoo te belasteren."

Clara kan haar tranen niet bedwingen. Ze barst in hartstochtelijk

schreien uit.

Maar haar moeder is nog niet waar ze wezen moet, en gevoelig is ze

nooit geweest.

Met een leelijken lach op haar gezicht, die haar iets onuitsprekelijk

kattigs geeft, vervolgt ze:

"Wil je je overtuigen? Je heelemaal overtuigen? Je kunt hem zelf naar

zijn liefje toe zien gaan, als je dat wilt. Hij komt er dagelijks en

ik weet het adres."

Zegevierend ziet ze haar dochter aan.

"Zeker," roept deze, "voordat ik 't met mijn eigen oogen gezien heb,

geloof ik 't nog niet. O, Mama, Mama, hoe weet u toch, of niet

die Dientje verkeerd ingelicht is, aangenomen zelfs, dat.... ze

niet.... met opzet lastert..."

"Nu, je zult 't zelf zien," antwoordde haar moeder tartend.

Clara's vertrouwen in haar braven Willem is gevoelig geschokt. En toch,

ze worstelt tegen dien belager harer rust, den argwaan, met wanhopige

kracht. Mag ze wel dadelijk zooveel wantrouwen toonen, dat ze hem

zou gaan bespieden? 't Denkbeeld stuit haar tegen de borst, en toch,

ze wil zoo spoedig mogelijk zien, haar vertrouwen te herwinnen. Ze

zal met haar moeder zijn gangen nagaan, al was 't alleen maar, om

haar moeder te overtuigen, hoe bijster zij zich in hem vergist heeft.

"Goed," zegt ze opeens vastberaden, haar tranen afdrogende, "ik zal

hem nagaan, met u samen, zoo spoedig mogelijk, van avond als u wil."

Moeder Merenstein heeft haar zin. Ze is vast overtuigd, dat nu spoedig

de zege haar zal wezen.

Clara van Merenstein: Haagsch-Indische Roman · 第 18 / 35 题