EEN GOEDE PARTIJ.

Drie maanden later.

Door toedoen van haar moeder is Clara sinds haar terugkomst bijna

geen dag thuis gebleven. De talrijke vriendinnen van Mevrouw Van

Merenstein vroegen haar als om strijd ten eten of noodigden haar voor

een "huiselijk dansje" of een buitenpartijtje, of ook nam haar moeder

haar mee naar bals, concerten en opera's. Overal, waar zij maar kans

zag, Clara in aanraking te brengen met mogelijke huwelijkspretendenten,

liet zij de gelegenheid niet voorbijgaan. Al dat uitgaan viel weinig

in den smaak van 't eenvoudige meisje. Ze verveelde zich dan ook

meestal, en vond alleen troost in de gedachte aan haar vriend. Nu

en dan mocht zij het geluk smaken, hem even te zien en te spreken;

maar dat was altijd buitenshuis geweest: Mevrouw Van Merenstein

had hem herhaaldelijk niet thuis gegeven, zoodat hij zijn bezoeken

gestaakt had. Clara's zoet geheim--haar reine liefde voor den edelen

jongen man--gaf haar kracht, om de vreeselijke verveling te doorstaan,

die haar dreigde te overweldigen in 't gezelschap van al die wufte,

onbeschaafde menschen onder haar moeders kennissen, met wie zij bijna

dagelijks in contact werd gebracht.

Onder al de nieuwe kennissen, die Clara in dien roezemoezigen tijd

kreeg, behoorde ook een Indisch ambtenaar met verlof. Het was een

neef van een der intiemen van Clara's moeder. Zij ontmoette hem

voor 't eerst op een diner, door bewuste intieme te zijner eere

gegeven. Het scheen een troetelkind van zijn tante te wezen. Zelf

ouderloos had hij bij haar als kind verzorging gevonden, en nu hij

als assistent-resident uit Indië terugkwam, was tante niet weinig

trotsch op hem. Hij van zijn kant begreep, dat het in zijn belang

was de teedere tante steeds welgezind te houden; want 't goede

mensch bestemde haar ontzaglijk fortuin voor haar pleegkind, als

ze eenmaal deze wereld zou verlaten. Tot nu toe was dat wonderwel

gelukt. 't Scheen wel, dat 't hem bepaald moeilijk zou vallen, haar

slechte gedachten van hem te doen koesteren, zoolang hij haar slechts

vriendschap en genegenheid bewees. Als jongen en als jongmensch had

Frits van Breeveld anders weinig blijken van beminnelijkheid gegeven.

Hij was een bedorven kind in de rechte beteekenis van 't woord. Lui,

zinnelijk en zelfzuchtig als hij was, had hij nooit een vriend gehad,

schoon hij nooit gebrek aan gezelschap gehad had. Als student was zijn

beurs steeds gevuld en zijn wijnkelder steeds goed voorzien geweest:

geen wonder, dat hij schijnvrienden in overvloed had.

Hij leidde toen een leventje als een prins. Zijn tante versterkte

hem eer in zijn kwade neigingen, dan dat ze hem daarin bemoeilijken

zou. Het streelde haar ijdelheid, dat haar pleegkind zoo smijten kon

met geld, en "student" kon wezen, zooals het maar weinigen mogelijk

is te zijn. Frits "studeerde" zes jaar te Delft, in plaats van twee

of drie, zooals de meesten, voordat hij in zijn ambtenaarsexamen

slaagde. Ook dat vond tante Van Breeveld "deftig". Waartoe zou hij

zoo vlug studeeren? 't Zou maar schijnen, alsof hij geen geld had,

om 't lang uit te houden! In die zes jaren had 't neefje jaarlijks

plus minus zes duizend gulden gekost. Toen hij op zijn vijf en

twintigste jaar naar Indië vertrok, liet hij te Delft, Den Haag

en Leiden een naam achter, die bijna eenig was in de annalen der

studeerende jongelingschap: nog lange jaren zou daar de herinnering

voortleven aan den grootsten "zwabber", die er bij menschenheugenis

in studentenkringen verkeerd had. Het spreekt vanzelf, dat hem dat

niet belet had, het bewijs van goed gedrag machtig te worden, dat

vereischt wordt om in staatsdienst te treden. Custos en portier der

Indische Instelling te Delft hadden te veel fooien van Frits genoten,

om er eenig bezwaar tegen te hebben, hem thans voor een hernieuwd

gunstbewijs voor een eerbaar jongmensch te verklaren. Zoo iets was

trouwens hoogst zelden moeilijk: vijf gulden voor den custos en de

helft dier som aan den portier verschaften grif zulk een "bewijs van

goed gedrag" aan de "heeren studenten".

Tante Van Breeveld ging mee naar Indië. Ze had daar veel

familie. Onze Frits vond er dadelijk hulp en voorspraak, zooveel

hij maar wenschte. Dat was ook de reden geweest, waarom hij met zijn

schitterende fortuinvooruitzichten, een loopbaan in Indië verkozen

had boven een in Nederland. Hij was er zeker spoedig promotie te maken.

Aan trouwen had hij nog niet gedacht. 't Vrije jonggezellenleven,

zoo vrij mogelijk opgevat, was hem steeds zeer goed bevallen. In

Indië waren "Wijntje en Trijntje" zijn huisgoden gebleven. Toen hij

na vijftien jaar met verlof kwam, was het zijn vaste plan, nog eens

een goed jaar naar hartelust beiden te dienen, en dan aan de laatste

vaarwel te zeggen, om in 't huwelijk zijn heil te zoeken.

Op den noodlottigen avond, dat hij kennis maakte met Clara Van

Merenstein, was dat jaar nog lang niet om. Toch gaf hij zijn plan

onmiddellijk op; want hij meende in haar gevonden te hebben,

die hij zocht: zij moest zijn vrouw worden. Met zijn mooien

rang--assistent-resident--en zijn prachtige vooruitzichten in

't ambtelijke zoowel als in 't finantiëele, was hij overtuigd,

dat het hem weinig moeite zou kosten een arm meisje, als Clara Van

Merenstein, "aan den haak te slaan". Bovendien was hij niet onknap,

ondanks zijn ouwelijk uiterlijk en zijn veelbewogen verleden. Ook

miste hij niet een zekere gemakkelijkheid van toon en wist hij zich

bij dames aangenaam te maken.

Mevrouw Van Merenstein was dadelijk bekoord. Van Breeveld was dan ook

bijzonder minzaam jegens haar, zóo minzaam zelfs, dat zij in den waan

kwam, dat hij in allen ernst haar het hof maakte. Spoedig echter bleek

haar overtuigend, dat zij alleen het voorwerp zijner hoffelijkheid

geweest was in hare hoedanigheid van begeerlijke schoonmoeder.

Ze troostte zich spoedig. Als Clara eens mevrouw Van Breeveld kon

worden, zou dat toch ook zeer in haar smaak vallen. Toen dus Van

Breeveld zijn eerste bezoek bij haar bracht en dat herhaalde, toonde

zij zich de beminnelijkheid zelve en wist zij hem spoedig duidelijk

te maken, dat er bij haar niet de minste bedenking zou bestaan, als

hij met een huwelijksaanzoek voor Clara voor den dag kwam. Dat hij op

zijn betrekkelijk nog jeugdigen leeftijd eruit zag, alsof hij over de

vijftig was, en zijn geheele persoon voor een aandachtig beschouwer

den ouden losbol verried, besefte iemand als Mevrouw Van Merenstein

zeer goed. Hij kon tegenover onbekenden zelfs best voor Clara's vader

doorgaan; maar zulke overwegingen konden bij haar maar weinig gewicht

in de schaal leggen. Fortuin en goede positie waren hoofdzaak.

Nauw was het haar duidelijk geworden, dat de heer Van Breeveld ernstige

trouwplannen ten opzichte van Clara had, of zij wilde van haar kant

alles in 't werk stellen, om dat gewenschte doel zoo mogelijk te helpen

bereiken. Daartoe diende zij in de eerste plaats zich op de hoogte te

stellen van Clara's gezindheid. Ze moest weten, of haar hart nog niet

te zeer ingenomen was door een andere genegenheid, of ze misschien

niet reeds te veel dacht aan dien Willem Victor. Al ware dat ook zoo,

hoe eerder zij daartegen al haar invloed aanwendde, des te beter.

Toen dan ook moeder en dochter op een avond thuiskwamen van een

partijtje, waar ook de heer Van Breeveld geweest was en bij welke

gelegenheid hij zeer opvallend zich den ganschen avond met Clara

had beziggehouden, bracht Mevrouw Van Merenstein, thuis gekomen,

dadelijk het gesprek op de groote zaak.

Clara wilde juist naar bed gaan, want ze voelde zich moe, toen haar

moeder haar tegenhield en zeide:

"Kindlief, ik moet eens ernstig met je spreken."

Clara keek verwonderd.

"Ja, een heel ernstige zaak is 't," vervolgde zij. "Ik wou je eens

wat vragen: Hoe denk je over trouwen?"

Dat was wel met de deur in huis vallen. Clara was een en al verbazing.

"Trouwen? Wel, Ma, ik denk er niet aan."

"Waarom niet? Zou je 't zoo onaardig vinden, eens een goed huwelijk

te doen?"

"Dat weet ik heusch niet, Ma. Ik zou ook niet weten met wie."

"Met wie? Nu kind, dan zal ik je 's wat zeggen. Heb je niet opgemerkt

dat die Mijnheer Van Breeveld erg vriendelijk tegen je is?"

"O jawel, Ma, maar wat zou dat?"

"Hoe vin' je 'm?"

"Och, niet onaardig."

"Als die nu 's om je hand kwam vragen, hoe zou je dat vinden?"

"Ik zou zeggen, dat ik nog veel te jong ben..."

"Och, onzin. Je bent er oud genoeg voor."

"Ik kan u heusch niets anders zeggen, Ma."

"Wees nu niet dwaas. Zou je zijn aanzoek afslaan?"

"Zeker. Ik wil nog niet trouwen en dan.... die Mijnheer van Breeveld

kan mijn vader wel wezen."

"Weet je, hoe oud hij is: in de dertig. Dat is volstrekt niet

te oud. Je vader was ook veel ouder dan ik.... Je zou dus niet

willen?" Mevrouw Van Merenstein begon kregelig te worden.

"Nee, heusch niet, Ma. Ik denk er niet aan."

"Maar waarom dan toch niet!? En als nu 's een ander om je kwam?"

"Evenmin, Ma. Ik zeg u nog eens, dat ik nog veel te jong ben om te

trouwen en dan..... als ik trouw, moet 't met iemand zijn van wie

ik houd."

"Och, gekheid. Dat houden komt later wel als je getrouwd bent. Je

denkt zeker aan een ander?"

Clara kleurde. Ze dacht aan Willem Victor. Ze antwoordde niet, maar

keek voor zich.

"Zeg 't maar ronduit, je houdt van Willem Victor?"

"Och, Ma, ik vind 'm een aardige jongen, maar aan trouwen denk ik

niet, heusch."

"Je moet die gekheid uit je hoofd zetten, hoor. Die Willem heeft geen

cent fortuin en kan in de eerste jaren nog niet aan trouwen denken. Nu

kan je een goed huwelijk doen, en dat zou je afslaan.... Wil je je

moeder zoo 'n groot verdriet doen?"

"Zou ik u dan genoegen doen door met iemand te trouwen, van wie ik

niet houd?"

"Je zegt, dat je 'm niet onaardig vindt? En dat zal nog wel

meevallen. Je zult later wel van hem houden, dat komt wel."

"Maar dat kan evengoed tegenvallen, en dan ben ik voor mijn heele

leven ongelukkig."

"Ongelukkig, omdat je niet van je man houdt?! Maar, kind, ben

je dwaas? Als je van 'm houdt, is het heel aardig, maar als dat

niet zoo is, wat zou 't dan nog? Heb je dan niet je positie als

assistent-residentsvrouw en een goed leven? Dat 's allemaal dwaasheid,

zotteklap, die liefde. Dacht je dat ik die voor je Papa gehad had?"

"Niet?!" roept Clara een en al verbazing en verontwaardiging.

"Nou ja, ik mòcht hem wel, dat wil ik niet zeggen. Maar wat de menschen

liefde noemen, dat is maar verbeelding, heel mooi in een boek, maar

niet in 't praktische leven, niet voor verstandige menschen."

Clara heeft daarop geen antwoord. Huwelijk zonder liefde? Was dat

haar moeder, die haar leerde dat zoo iets verstandig en goed was,

in plaats van verachtelijk en onzedelijk, zooals zij innig geloofde?

"Kom, kind, bedenk je nog maar. Je zult wel tot betere inzichten

komen", gaat de moeder voort. "Ik zal maar aan Mijnheer Van Breeveld

zeggen, dat je 't met je zelve nog niet eens bent, als hij weer

hier komt?"

"En hem dus hoop geven? O nee', Ma, als 't u belieft niet! Ik wil

nog niet trouwen, zeg ik u nog eens."

Mevrouw Van Merenstein begrijpt, dat overreding hier niet helpt. Ze

heeft nog éen wapen, ze wordt pathetisch. Op huilerigen toon

vervolgt ze:

"Je wilt dus je oude moeder dat verdriet doen? Zoo ondankbaar zijn voor

alles wat ik voor je gedaan heb? Mij op mijn ouden dag het geluk niet

gunnen, mijn kinderen goed bezorgd te zien?" Ze brengt haar zakdoek

voor den dag en begint zeer natuurlijk te schreien.

Clara kent haar moeder niet genoeg, om aan de oprechtheid harer tranen

te twijfelen, en voelt zich zeer onaangenaam te moede.

"Maar, Ma, hoe kan u toch zoo zijn? Waarom zou ik later niet u die

voldoening kunnen geven? Ik heb immers nog zooveel tijd vóor me?" Ze

slaat een arm om haar moeder heen.

't Helpt niet, de bui wordt hoe langer hoe erger.

"Och, wat, je bent een ondankbaar kind! Dacht je, dat zulk een

kans zoo gauw weer terugkwam? Wel zeker, een arm meisje als jij,

zonder een cent, kan zeker maar altijd een goeden man vinden; denk je

dat?... Ik weet 't wel, 't is alleen maar dat je aan dien vervelenden

Victor denkt. Als hij om je kwam, zou je wel anders praten... Och,

je bent een naar kind, je gunt je moeder geen geluk... Ga maar weg,

laat maar. Laat maar! Ik heb al zooveel verdriet gehad en nu nog dat

erbij... Ga weg, laat je ongelukkige moeder maar alleen."

Clara begrijpt, dat protest hier niet helpt. Haar moeder zit

hartstochtelijk te snikken op haar stoel. 't Komt bij 't jonge meisje

niet op, dat haar "verdriet" in haar gansche leven waarlijk niet

groot geweest is, dat echte smart haar steeds onbekend is geweest en

wel steeds blijven zal. Zwijgend verwijdert het meisje zich uit de

kamer en gaat naar bed.

Den volgenden dag komt Van Breeveld weer op bezoek. Hij is vast

besloten, nu eens zekerheid te hebben omtrent zijn kansen bij Clara.

Als dus Mevrouw Van Merenstein, die alleen met hem zit, hem schertsend

zegt:

"En Mijnheer Van Breeveld, heeft u nu al eens rondgekeken naar een lief

vrouwtje voor u? 't Jonggezellenleven zal u nu toch wel langzamerhand

beginnen te vervelen, en bovendien iemand van uw positie moet getrouwd

zijn..."

"Volkomen waar, Mevrouw," antwoordt Van Breeveld, verheugd, dat hij

hier een geschikte aanleiding vindt, om 't onderwerp aan te roeren. "Om

te kunnen trouwen is meer noodig dan goede wil."

"Nu, wat dan?" vraagt de gastvrouw onnoozel.

"Een goede vrouw."

"Natuurlijk.... ha, ha," lacht Mevrouw Van Merenstein. "Zou u die

dan niet kunnen vinden?"

"O jawel, maar dan moet ze nog mij willen hebben?"

"U willen hebben? Nu, ik geloof niet, dat er veel jonge meisjes zullen

zijn, die niet vereerd zouden wezen door een aanzoek van u."

"Och kom, Mevrouw."

"U schijnt uw hart al verloren te hebben, en te twijfelen aan uw

succes bij de jonge dame?"

"Juist, Mevrouw. Ik zal 't maar zeggen."

"En wie is de gelukkige?"

"Gelukkige? Ik geloof niet, dat ze bijzonder gelukkig is door mijn

voorkeur."

"U noemt geen naam."

"Kom, Mevrouw, heeft u dat dan nog niet gemerkt?"

"Och, Mijnheer Van Breeveld, schijn bedriegt zoo dikwijls. Wie kan

zeggen, of 't u ernst is, als u aan 't "flirten" is?"

"Nu, dezen keer dan wel, Mevrouw. 't Is mij hooge ernst.... Maar wat

geeft 't me? Ik vorder niets."

"Ik geloof, dat ik weet wie u bedoelt.... 't Kind is nog erg jong en

kent haar hart niet. U moet maar hopen...."

"Zou u denken, dat ik nog eenige kans heb?" vraagt Van Breeveld

dringend.

"Zeker, geloof me gerust. Een questie van geduld, anders niet. Let

op mijn woorden, mijn waarde heer: over een maand of drie komt alles

in orde."

"En mag ik op uw steun rekenen?"

"Ik zal doen wat ik kan. 't Kind zal wel anders worden. Ik heb haar

niet over de zaak gesproken... wist niets bepaalds... en zal 't nog

niet doen. Maar, behalve dat, kan ik toch wel meewerken, om u uw doel

te helpen bereiken."

Van Breeveld vindt geen woorden genoeg, om zijn erkentelijkheid te

betuigen, en, zich warm aanbevelend, neemt hij afscheid. Schoon niet

voldaan, is hij toch niet geheel ontmoedigd.

"U moet maar dikwijls aankomen, Mijnheer Van Breeveld", roept Mevrouw

Van Merenstein hem nog toe, als hij halverwege de trap is.

"Zeer gaarne, Mevrouw."

Clara van Merenstein: Haagsch-Indische Roman · 第 16 / 35 题