EEN VRIEND.

Onder de vele kennissen en huisvrienden van de familie Van Merenstein

behoorde ook een jongmensch, zekere Willem Victor. 't Was iemand van

even twintig jaar en sinds twee jaar student aan de Polytechnische

school te Delft. Student zijn beteekende voor hem in de eerste

plaats studeeren. Zijn moeder was weduwe en moest van haar pensioen

leven--haar echtgenoot had een hooge betrekking bekleed bij de

rechterlijke macht in Indië--geen wonder dus, dat Willem het als

student "kalm moest aanleggen". Hij had dat dadelijk ingezien en

begrepen, dat hij in den kortst mogelijken tijd zijn examens moest

doen, om zelfstandig in de wereld te kunnen zijn. Schoon hij eenig kind

was, kon zijn moeder hem zelfs niet het allernoodigste toestaan, om als

student te leven. 't Was echter zijn innige wensch geweest ingenieur

te worden, het koste wat het wilde, en hij had zijn moeder weten te

overtuigen, dat hij door zijn werkzaamheid in staat zou zijn, zooveel

te verdienen, als aan hetgeen zij hem geven kon mocht ontbreken. 't Was

hem wonderwel gelukt. Hij kreeg van huis vijftig gulden in de maand,

en door repetitortje te spelen bij andere studenten, die meer geld

hadden dan hij, maar minder kennis en bevattelijkheid, wist hij er al

zeer spoedig evenveel bij te verdienen. Zoo was hij zelfs in staat lid

van het Studenten-corps te worden en met matigheid "mee te doen". Dit

echter beteekende bij hem niet den gewonen buitensporigen Venus- en

Bacchus-dienst, zonder welken, naar 't schijnt de meeste studeerende

jongelingen zich geen studentenleven kunnen denken. Neen, hij vermeed

stelselmatig uitspattingen, van welken aard ook, eerstens uit beginsel

en ten andere, omdat hij begreep, dat ze zeer slecht strookten met zijn

voornemens. Hij moest en zou binnen eenige jaren "klaar" zijn en dan

geheel zijn eigen brood kunnen verdienen. Door zijn kundigheden zou hij

wel spoedig na zijn examen een duizend 's jaars kunnen verdienen, een

luttele som inderdaad, maar voor zijn eigen eenvoudige behoeften in den

eersten tijd voldoende. Schoon velen onder zijn studeerende kennissen

hem "akelig solied" vonden, en hij weinig getapt, d. i. populair was,

miste Willem die twijfelachtige eer maar zeer weinig; 't kon hem al

heel weinig schelen, mits hij zijn enkele goede vrienden maar had. En

die had hij. Bij al zijn ernst hield hij van een opgewekt gesprek, van

gepaste vroolijkheid en gezellig samenzijn. Zijn hartelijke, oprechte

inborst maakte hem tot een vertrouwd vriend, wiens aangename, degelijke

omgang door iederen jongen man van karakter op prijs gesteld moest

worden. Bovendien was hij geestig, en wist hij zonder pedanterie zijn

groote belezenheid en smaak voor literatuur in gezelschap voordeelig

te doen uitkomen. Daarbij had hij niets van den saaien, zwartgalligen,

houterigen blokker. Integendeel: kalme, rustige vroolijkheid straalde

uit zijn donkere oogen, sprak uit de trekken van zijn mond; zijn

kleurige wangen getuigden van gezondheid, en zijn gansche verschijning

openbaarde reeds op twintigjarigen leeftijd dat heerlijke evenwicht

van lichaam, geest en gemoed, dat door zoovelen van ons eerst na

lange jaren van strijd en door zoovelen nimmer bereikt wordt. Een

volle zwarte baard gaf den jongen man bovendien het uiterlijk van

iemand van over de dertig; terwijl zijn krachtige gestalte, bezadigde

manier van spreken en groote bedaardheid dien indruk nog versterkten.

Met dat al was Willem Victor zeer gezien bij de vrouwelijke

jeugd. Menig hofmakertje of saletjonkertje onder zijn kennissen

benijdde hem in stilte: waar zij met al hun "flirt" maar matig

succes hadden, hoefde Willem zich niet de minste moeite te geven,

om de gunst van een jong meisje te erlangen. Hij lette er niet op,

en 't was alsof "verliefdheid" bij hem iets volmaakt onmogelijks was,

een dwaasheid, waar zijn natuur niet vatbaar voor was. Hij hield van

lief, vrouwelijk gezelschap en had een diepe vereering voor de vrouw

als incarnatie der poëzie in 't leven, maar geen enkele dochter Eva's

had nog het recht, zijn hart het hare te noemen. Men voelde, dat,

als ooit liefde in dat hart post vatte, het voor goed zou zijn, voor

't gansche leven. Als die kwam, zou zij haar woning gereed vinden,

en van overrompeling zou daar geen sprake kunnen zijn.

Zoo was hij de onschuldige kweller van menig jong meisjeshart. Hoe

velen bewonderden hem en hadden hem in stilte lief, zonder te durven

hopen op zijn wederliefde, en hoe velen zouden, als hij van liefde

sprak, zich gevoeld hebben als het jonge meisje in Chamisso's schoon

gedicht, dat nauwelijks gelooven kon, hoe

"er, der herrlichste von allen"

haar zooveel zaligheid kon schenken!

Natuurlijk was Willem zelf te bescheiden en te onverschillig, om zulks

ook maar eenigszins te vermoeden. Hij zocht slechts vriendschap in

ruil voor vriendschap en slechts bij enkelen. 't Zou hem verwonderd

en gespeten hebben, als hij ooit gemerkt had, meer terug te ontvangen

dan hij aan te bieden had. De mogelijkheid daarvan was zelfs nooit

in zijn gedachten opgekomen.

Onder zijn vriendinnen was Clara van Merenstein de oudst bekende. Hij

had indertijd--tien jaar geleden--de reis naar 't vaderland met haar

gedaan, en van dien tijd reeds dateerde hun vriendschap. Mevrouw

Victor had eerst eenige jaren in Den Haag gewoond. Zoo had

Willem gelegenheid gehad, den omgang met het jonge meisje voort te

zetten. De wederzijdsche moeders hadden weinig sympathie voor elkaar,

en ook Willem voelde zich zeer weinig tot Mevrouw van Merenstein

aangetrokken. Dat kon ook moeilijk anders. Maar dat nam niet weg,

dat hij evenals zijn moeder bijzonder ingenomen was met Clara, en

ook deze mocht den ernstigen jongen man bijzonder gaarne, terwijl zij

voor de waardige oude Mevrouw Victor haast een kinderlijken eerbied

voelde. In den tijd, dat de beide familiën in Den Haag woonden, was de

omgang nooit bijzonder vlot gegaan, doordat de wederzijdsche moeders

elkaar alles behalve zochten; alleen om der wille van de kinderen

had Mevrouw Victor een vormelijken omgang onderhouden. 't Was haar

zwaar gevallen, want haar degelijke natuur strookte heel weinig met

de wufte luchthartigheid van Clara's moeder. Maar ze wilde haar eenig

lief kind niet dwarsboomen in zijn neigingen, toen ze zag, dat deze

zulk een aanvallig goed kind golden als de kleine Clara. Zij beklaagde

het meisje diep, dat zij in zulk een omgeving groot gebracht werd,

en ze was zeker, dat de omgang met haar verstandigen, braven jongen

een goeden invloed zou uitoefenen, en een tegenbeeld zou kunnen wezen

voor 't verderfelijke van haar moeders voorbeeld. Zoo had ze later,

toen ze met Willem te Delft was gaan wonen, dien omgang zelfs bevorderd

door Clara nu en dan te logeeren te vragen, in de vacantie zelfs weken

achtereen. Mevrouw van Merenstein was daar nooit tegen geweest. Met

een onverschilligheid die voor goedigheid moest doorgaan, had zij

altijd gezegd: "Och, waarom toch niet? Als Clara maar pret heeft,

ja." Zij miste haar kinderen nooit, wat kon 't haar dan schelen, of

éen ervan voor eenige weken achtereen uit huis ging? "En wie weet,

waar 't nog goed voor zou kunnen wezen," redeneerde ze wel eens:

misschien kwam Clara op die manier nog wel aan een goeden man, want

er kwamen nogal eens jongelui daar aan huis. Hoe eerder dat resultaat

bereikt was, des te beter; dat was steeds haar leus geweest.

Die vacantie-daagjes te Delft waren voor Clara ware feestdagen; schoon

er van feestelijkheden ten huize harer gastvrouw maar zelden sprake

kon wezen. Clara verlangde daar ook niet naar. Haar aanhankelijk,

liefdezoekend zieltje vond daar wat ze thuis niet vond: huiselijkheid

en ware beschaving. Ze hield ervan bij Mevrouw Victor "oudste dochter

in huis" te spelen, iets, dat haar moederlijke vriendin allerliefst

vond. De goede vrouw liet zich zoo in de illusie brengen, dat ze een

lieve dochter had, een moedervoorrecht dat ze nooit gekend had. Als

ze dat bevallige poppetje zag op en neer dribbelen, bedrijvig als

een huismoedertje, vol attenties en goede zorgen, altijd opgeruimd

en blijkbaar ingenomen met haar nieuwe leven zoo anders dan thuis,

dan genoot de oude vrouw. En als Clara 's avonds met haar klankvolle,

innig sympathieke stem wat voorlas of een eenvoudig liedje bij de

piano zong, kon men moeilijk gelukkiger, tevredener drietal vinden

dan Mevrouw Victor, haar zoon en Clara. Menig keer was bij de oude

dame het denkbeeld opgekomen, dat Clara mettertijd een uitnemend

huisvrouwtje zou kunnen worden, een schat, welks bezit de beste onder

de mannen als zijn hoogste geluk zou mogen beschouwen, waardig zelfs

Willems levensgezellin te worden. Met weemoed had zij vaak gedacht

aan het tegenwoordige lot en de toekomst van het jonge meisje, zoo

verstoken van moederlijke leiding. Een huwelijk met haar zoon zou Clara

wellicht onttrekken aan veel leed, dat anders haar deel zou kunnen

worden. En--als haar Willem maar gelukkig was--kon 't haar heel weinig

schelen, of iemand als Mevrouw Van Merenstein zijn schoonmoeder werd.

Natuurlijk dachten de beide jongelieden zelven niet zoover. In beider

hart was nog geen plaats voor andere gevoelens voor elkaar dan die

van innige vriendschap.

En zoo was 't ook op den dag, toen Clara van de familie afscheid nam,

om naar Duitschland te vertrekken. Zij had toen gedacht, minstens

voor een jaar haar lieve vrienden te zullen verlaten, en ze was dubbel

hartelijk, zorgzaam en attent geweest--als dat mogelijk was--in de drie

korte dagen, die ze in de laatste week bij hen had doorgebracht. Toen

ze te Mühlenwald, reeds na een klein jaar, het bevel kreeg om naar

huis te komen--Mama van Merenstein vond de kostschool te duur--had

Clara dadelijk haar Delftsche vrienden op de hoogte gesteld.

Zoo kwam 't dan, dat Willem Victor op bewusten Vrijdag, na afloop der

colleges, het besluit nam, zijn vriendin in Den Haag te gaan begroeten.

Hij vertelde thuis even, dat hij naar Den Haag moest en misschien

laat zou thuiskomen, want Clara en hij zouden elkaar wel veel te

vertellen hebben. Zijn moeder wist reeds van 't plannetje af en gunde

hem het genoegen van harte. Waarom ook niet? Ze vond de omgeving en de

manier van leven bij Mevrouw Van Merenstein niet bijster stichtelijk,

verre van dien, maar wat zou dat hèm deren? Ze vertrouwde hem immers

ten volle...

Willem stapte dus welgemoed naar 't station, en een uurtje later

belde hij aan bij Clara's moeder.

"Mevrouw en de Juffrouw thuis?" vroeg hij beneden aan de trap,

toen de meid hem opendeed, 't Antwoord was eigenlijk onnoodig,

want luid gelach en een gerucht van vroolijke stemmen bevestigde

reeds dadelijk zijn vraag. En--nog voordat Dientje gesproken had,

klonk een welbekende, schrille stem van over de trapleuning:

"Daar heb je Willem! Kom boven, Willem. Wel, kom jij weer 's

kijken!? Jij bent 'n mooie, hoor! Ik dacht, dat je dood was!"

Daarop volgde een schaterlachje, zooals gewoonlijk.

Willem was volstrekt niet verrast over die ontvangst. Hij glimlachte

even en dacht bij zichzelf: "Altijd dezelfde, een type, die moeder

Van Merenstein!" Schoon hij weinig met haar op had, ergerden hem

haar manieren niet: hij vond ze eenvoudig komisch onbeschaafd. 't

Heele menschje vond hij belachelijk. Om haar antipathiek te vinden,

had hij 't leven beter moeten kennen.

Hij excuseerde zich met een paar woorden, lachend: drukke studies,

zeide hij. Hij was in twee maanden niet op bezoek geweest; 't was

wel lang, ook al was hij nooit gewoon geweest veel bij Mevrouw Van

Merenstein te komen. De omgang met Clara was meestal buiten haar

huis geweest.

"Ja, ja," antwoordde de gastvrouw. "Ik weet 't wel: jij komt om

't jonge goedje: ja? Zoo'n oudje als ik...." Weer het stuiplachje.

Willem vond 't noodig te protesteeren tegen die zelfbetichting:

"U oud, Mevrouw? Ik ben oud, veel ouder dan u."

De andere voelde zich zeer gevleid en lachte luid voor de zooveelste

maal.

In de voorkamer vond de nieuwe gast een klein gezelschap bijeen,

blijkbaar in de beste stemming. Hij werd voorgesteld aan Mevrouw

Rijkezak en aan een jongmensch, zekeren Vliegman, verren neef van

Clara. Beiden waren dien middag blijven eten. De laatste, een sinjo van

't zuiverste water, was een opgeschoten lummel van ongeveer Willems

leeftijd, mager, geel, met verbaasde oogen en opgetrokken wenkbrauwen

en zwart blauwglanzig haar. Hij was in den namiddag aangekomen, had

tot zijn verrassing Clara aangetroffen, daarin aanleiding gevonden,

om zichzelven ten eten te vragen. Mevrouw van Merenstein had daar

natuurlijk niets tegen gehad. Zij vond hem alleraardigst, en hij

was sedert zijn overkomst uit Indië, nu ruim een maand geleden, bijna

dagelijksch bezoeker geweest. De man was door zijn vader, een schatrijk

landbezitter in West-Java, naar Europa gezonden, "om Holland te zien",

en verteerde er een duizend 's maands "voor zijn opvoeding." Hij was

bovendien bijzonder spraakzaam en grappig op zijn manier--dat was

juist ook de manier van Mevrouw Van Merenstein--hij had, evenals deze,

een hekel aan "totoks" (d.w.z. welopgevoede Europeanen) en gooide

met zijn geld. Was 't wonder, dat nicht en neef met elkaar opschoten?

Als vierde in 't gezelschap fungeerde Clara; want Loetjoe zat bij

de meid in de keuken. De komst van haar vriend verheugde Clara

uitermate. Ze had den ganschen avond zich doodelijk verveeld. 't

Neefschap naast haar had zich uitgeput in flauwe, soms gewaagde

geestigheden en te vergeefs getracht haar vroolijk te maken. 't

Lachsucces, dat hij bij de beide andere dames had ingeoogst, had

hem echter ruim schadeloosgesteld, en hun geschater had hem telkens

aangemoedigd om door te gaan. Bij geen van drieën kwam 't natuurlijk

op, dat het jonge meisje zich daaronder bijzonder onaangenaam te

moede voelde.

Er kwam dan ook een uitdrukking van innige verlichting in haar oogen,

toen zij 't vriendelijke, mannelijke gelaat van Willem Victor zag. Zij

wees hem dadelijk een plaats naast zich aan.

't Beenige neefschap keek den nieuw aangekomene met een grijns aan,

en dacht bij zichzelf: "Wat doet die "totok" hier?"

Dadelijk was Clara in een druk gesprek met Willem. O, wat had ze hem

veel te vertellen en wat deed ze 't van harte gaarne! Ze voelde zich

thans voor 't eerst weer aangenaam gestemd. De hartelijke, beschaafde,

belangstellende woorden van haar ouden speelkameraad deden haar goed,

als een frissche teug den dorstige. Wat was ze dien dag ellendig

geweest! Wat een aaneenschakeling van neerdrukkende gedachten had ze

op dien dag harer thuiskomst moeten doorworstelen!

Willem Victor vond haar veranderd. 't Kind dat hij te voren gekend

had, dat blind was geweest voor de holheid en zielloosheid van haar

huiselijke omgeving, had plaats gemaakt voor de gevoelvolle jonge

vrouw. Hij kreeg een indruk van ontzag voor haar, bij al de warme

vriendschap, die hij haar reeds toedroeg. Maar voor 't eerst besefte

hij thans ten volle hoe misplaatst zij zich gevoelen moest in haar

ouden kring, die thans zoo nieuw, zoo akelig nieuw en vreemd voor

haar geworden was.

Mevrouw Van Merenstein vond de groote vriendelijkheid van Clara voor

het jonge mensch niet bijzonder naar haar zin. Ze had te voren die

beiden altijd als echte kinderen beschouwd; geen oogenblik was 't bij

haar opgekomen, dat die twee ooit iets anders dan speelkameraadjes

voor elkaar konden wezen. Clara was ook nog zoo jong, zoo door en

door een "blaag van een meid" en Willem had haar immers altijd als

zoodanig behandeld. Ze zag nu met klimmend ongenoegen, dat zijn houding

geheel veranderd was. Als dat maar niet op verliefdheid uitliep! Ze

besefte ten volle, dat de jonge man alles had, om een eenvoudig

meisje als Clara te boeien, en het kind zag er zoo lief uit en was

innemend .... Om Mevrouw Van Merenstein te boeien, miste hij echter

het voornaamste, geld. Van een huwelijk zou om die reden binnen de

eerste tien jaar geen sprake kunnen zijn, meende zij. Als er ooit een

ernstige genegenheid tusschen die beiden mocht ontstaan, zou Clara

wellicht veel kansen, om een "goed" huwelijk te doen, misloopen. Neen,

dat mocht niet gebeuren. Zij zou wel maken, dat daar niets van kwam,

't kostte wat het wilde. Zij zou dien kalen sinjeur wel uit Clara's

omgeving weten te weren.

Om al dadelijk een einde te maken aan het naar haar idee al te

aangename gesprek der jongelieden, zeî ze op haar liefsten toon:

"Kom, Clara zou je nu niet 's wat zingen? Je bent dat toch niet

verleerd op kostschool?"

Onmiddellijk viel Mevrouw Rijkezak in en de gele neef met haar:

"Hè, ja, Toetie!"

Clara keek even haar buurman vragend aan, en, toen ook deze instemde

en haar met een vriendelijk "Toe!" aanmoedigde, stond zij op en begaf

zich naar de piano.

Even weifelend stond ze naast de piano-kruk, naar 't overige gezelschap

gekeerd. Allen sloegen haar zóo een oogenblik gade, en op allen ging

een machtige bekoring van haar uit. Hoe edel kwam die slanke gestalte

uit in dat eenvoudige blauwe kostuumpje, hoe onweerstaanbaar lieflijk

dat jonge gelaat met dat lachende mondje en die groote zachte oogen!

Willem Victor bewonderde haar, het neefschap verslond haar met

zijn gemeene oogen, Mevrouw Van Merenstein taxeerde haar als

huwelijkskoopwaar en vond, als dat mogelijk was, den jongen Victor

nog ongeschikter pretendent dan te voren; terwijl de goede Mevrouw

Rijkezak de schaarsche gedachten, die anders haar hoofd bewoonden,

voor een oogenblik gansch en al verloor.

"Wat zal ik zingen", vroeg Clara, "een oude bekende maar?"

Ze bladerde even in een muziekboek en vond het lied "Beau Nuage",

dat ze indertijd van Mevrouw Victor had gekregen. Ze had het

menigmaal bij die lieve vrouw moeten zingen, en telkens waren er

tranen gekomen in de oogen der toehoorster; want het lied deed haar

altijd denken aan oude gelukkige tijden, toen zij 't zelf als jonge

vrouw placht te zingen. Het was een lied vol weemoed, en in Clara's

zielsstemming schenen ook de woorden uitdrukking aan haar eigen

gevoelens te geven. Ze was dien dag zoo droef te moede geweest,

zoo vol heimweeachtige aandoeningen. Ze had weinig "school", maar

haar stem was zuiver en sprak tot het gemoed. Een kenner zou er

groote verwachtingen op gebouwd hebben, maar zij had tot nu toe

geen gelegenheid gehad er zoo een te ontmoeten. Ze zong dien avond

heerlijk. Het melancholische slot van 't lied:

"Porte-moi sur la plage que je pleure souvent!"

klonk als een innige bede: zij voelde bij 't zingen dier woorden al

de smart van den eenzamen banneling, die terugsmacht naar 't lieve

vaderland. Zij zelve was immers eenzaam..

Toen de laatste toon wegstierf, was er stilte.

Mevrouw Rijkezak was bepaald aangedaan. Ze had geen woord van 't

lied begrepen, maar toch had ze er iets van gevoeld en ze zeide

vol overtuiging:

"Wah, Toetie, wat een lief lied! Net als die oude baboe van mij, ja

San", voegde ze eraan toe tot Mevrouw Van Merenstein gewend, "Neisa,

je weet wel, als die zong, was ik ook altijd zoo verdrietig...."

Mevrouw Van Merenstein was niets "verdrietig". Ze vond het lied veel

te ernstig. Ook de neef scheen weinig voldaan. Hij grinnekte even

en zeide:

"Ken je niet een aardige mop, Toetie? Dit is zoo 'n chagrijnig ding,

vind je niet?"

Clara glimlachte.

Willem Victor had niets te zeggen. Hij had Clara nog nooit zoo schoon

hooren zingen. Was dat dezelfde Clara, die hij vroeger zoo dikwijls

vrij onverschillig had aangehoord, vroeg hij zichzelven af. Wat was

die stem veranderd, hoe vrouwelijk klonk zij nu bij vroeger! Hij

was verrukt. Clara zocht zijn blik en las er innige bewondering en

aandoening in. Dat deed haar goed: dat vriendenhart had haar volkomen

begrepen.

Om de anderen genoegen te doen, zong Clara nog een stukje van minder

droevigen aard, "Röslein auf der Heiden" van Schubert. Een echte "mop"

te zingen was haar thans een onmogelijkheid. Ze had vroeger wel eens

Engelsche "comic songs" gezongen, en ze deed dat heel aardig. Wanneer

zou ze weer vroolijk en onbezorgd genoeg wezen, om daar weer pleizier

in te hebben? Die tijd scheen haar oneindig ver.

Op aandringen der gastvrouw gaf het gele neefschap een grappig lied

ten beste, een der nieuwste die hij in de cafés-chantants in Parijs

gehoord had. Hij had veel succes bij Mevrouw Van Merenstein, die hem

op de piano accompagneerde, en ook bij haar vette vriendin, schoon

zij beiden van den inhoud maar weinig begrepen hadden. De zanger

zelf scheen ook maar weinig ervan verstaan te hebben, anders had hij

't wel niet gewaagd, ermee voor den dag te komen. In weerwil van

de slechte uitspraak, begreep Willem er voldoende van, om inwendig

verontwaardigd te zijn. "Hoe durft zoo'n vlegel dat voor te dragen

in 't bijzijn van Clara!" dacht hij. Maar 't kwam bij hem op, dat

hier wel onnoozelheid eerder dan brutaliteit in 't spel zou geweest

zijn. Clara's kennis van 't Fransch ging gelukkig zoo ver niet. Ze vond

't lied eenvoudig zot en haar neef Vliegman aapachtiger dan ooit.

De avond was vroeg geëindigd. Willem had gemerkt, dat Clara naar rust

verlangde, en hij was reeds kort na tienen opgestaan. Neef Vliegman

had toen ook maar besloten heen te gaan--hij verveelde zich toch,

nadat die "beroerde totok" gekomen was--terwijl Mevrouw Rijkezak

gaarne het geleide had aangenomen, dat de altijd hoffelijke Willem haar

aanbood. Ditmaal had diens hoffelijkheid echter de bijbedoeling gehad,

het praatzieke mensch weg te krijgen. Zij had zich zoo gevleid gevoeld,

dat ze dadelijk was opgestapt; Willem had een hartelijke groet met

Clara gewisseld, haar inniger dan ooit een goeden nacht gewenscht.

Dien avond dachten een uur later drie menschen aan dezelfde

zaak. Willem Victor had in 't mooie weer--maneschijn en een bijzonder

zachte lucht--aanleiding gevonden, om naar Delft te wandelen in plaats

van te sporen. Hij deed dat meer, en thans voelde hij zich bijzonder

daartoe getrokken, om eens den vrijen teugel te kunnen geven aan zijn

gedachten. Hij was vol van Clara. 't Was hem duidelijk, daghelder,

dat hij 't meisje liefhad. 't Leven scheen hem schoon, de toekomst veel

belovend. O, hij zou hard werken, en hij moest haar eenmaal winnen!....

Mevrouw van Merenstein lag wakend in haar bed en overwoog de

middelen, die ze in 't werk moest stellen, om Clara spoedig uit

Willem Victor's bereik te brengen. Ze zou 't meisje "in de wereld"

brengen, zoo spoedig mogelijk, en zoo zou ze wel spoedig den "ware"

voor haar gevonden hebben, en dan zou die kalverliefde wel uit zijn,

als ze al mocht opgekomen wezen.

Clara lag eveneens slapeloos op haar leger. Willem's beeld was voor

haar geest. In de akelige eenzaamheid van haar zieltje scheen hij

haar redder. Door hem zou ze tot geluk komen, als dat ooit voor

haar weggelegd was .... Ze wist niet, hoe ze aan die gedachte kwam,

maar hoe meer zij erbij verwijlde, des te inniger drong zich de

overtuiging aan haar op, dat zijn en haar denkbeelden op dat punt

geheel eenstemmig waren.

En ze sliep in met illusiën.

Clara van Merenstein: Haagsch-Indische Roman · 第 14 / 35 题