Clara begrijpt er niets van. Zou 't een verkeerd huisnummer wezen? Ze
kent 't nieuwe kwartier niet, want Mama is pas drie maanden geleden
verhuisd. Maar er is geen vergissing mogelijk: daar staat duidelijk
L. van Merenstein op 't naamplaatje..... De koetsier kan niet langer
wachten. Ze geeft hem wat hem toekomt en hij rijdt weg. Daar staat
ze alleen met haar koffertje--de andere bagage is nog aan 't station.
"Hoe vreemd, dat Mama me niet afgehaald heeft en zelfs niemand heeft
gestuurd.... Zou ze m'n brief wel ontvangen hebben?" Angstig kijkt het
jonge meisje naar boven: de gordijnen zijn opgetrokken, er is niets
bijzonders te zien. "Och, natuurlijk niet, Mama zal uit zijn, en de
meid is zeker om een boodschap. 't Is een vervelende geschiedenis!"
Terwijl ze zoo in onzekerheid staat te denken, wat ze doen zal,
komt er een dikke juffrouw uit den winkel beneden op haar toe:
"Doen ze u niet open, juffrouw?" vraagt ze vriendelijk.
"Mama is niet thuis, schijnt 't, en de meid ook niet...", antwoordt
Clara niet zonder vreugde.
"O, is Mevrouw van Merenstein uwé's Mama? Kom u maar hier voorloopig
binnen. 't Is zoo winderig en koud op straat. Zou u niet 's eventjes?"
"O, met pleizier. U is wel vriendelijk."
Clara volgt de beleefde matrone naar de "mooie kamer" vlak achter
den kruidenierswinkel.
"Wacht, ik zal Kees, de' loopjongen, hier vóor op de' uitkijk zetten,"
zegt de laatste. "Kees!"
Kees komt en gaat vóor op een stoel zitten. Hij krijgt order uit
te kijken naar "de meid van Mevrouw hierboven of Mevrouw zelf, als
die komt."
Juffrouw Pietersen, de kruidenierse, is dadelijk ingenomen met haar
onverwachte gast. Ze was alleen thuis en verveelde zich een beetje.
"Wel, wel," begint ze 't gesprek in de mooie kamer. "U is dus de
oudste dochter van Mevrouw boven?"
"Nee, niet de oudste, de tweede, juffrouw. Mijn oudste zuster is
in Indië."
"Wat zegt u?" De goede vrouw weet niet goed, wat ze antwoorden
moet. Ze is éen oor en oog voor 't jonge meisje. "Wat een stem! 't
Is om 'n mensch z'n heele leven goed te doen, meer dan tien preeken
van den dominee. En wat een lief figuurtje, wat een handjes, wat een
voetjes. Een dochter van dat "Indische mins" boven, wel, wel!"
Clara wàs innemend.
Nauw zestien jaar had ze de gestalte van een Hebe. Ze was slank en
toch vol; rijzig en fier, en toch met een waas van kinderlijkheid. Het
rijke blonde haar was hoog opgemaakt--sinds kort nog maar--en gouden
lokjes kwamen onder 't fluweelen hoedje te voorschijn, naar de
mode dier dagen. De oogen waren groot, grijsachtig blauw, en van een
wonderzachten, helderen opslag. Lange bruine wimpers en wenkbrauwen in
sierlijke, onberispelijke bogen, donker uitkomend op de blanke huid,
vormden een eenige omlijsting. Het neusje fijn, spits toeloopend en de
neusvleugels, bijna doorschijnend rozerood, tartten den beeldhouwer,
terwijl 't mondje met even opgetrokken bovenlip iets droomerigs aan
't heele gelaat zou gegeven hebben, als niet de oogen iets levendigs
hadden bij al hun zachtheid. Pareltjes van tanden, een rond kinnetje,
koonen, waar de fijnste perzik grof bij leek, een volle hals, blank
als een lelie, wat is meer noodig, om een jong meisje bekoorlijk te
maken, wat meer dan die lieve hartveroverende, zieldoordringende stem,
die edele gebaren, zoo vol maagdelijke ingetogenheid, onschuld en
reinheid daarbij, om de gelukkige bezitster van al die heerlijkheden
onweerstaanbaar te maken? Maar er was meer: smaak en eenvoud in haar
kleeding: een donkergrijs reiskostuumpje, daarover een donkerblauw
manteltje en gelijkkleurige hoed met zwarte voile, alles keurig van
snit en fatsoen, en gedragen zooals alleen een dame dat kan.
Welk een beeld van aanvallige jeugd, van jonkvrouwelijke
schoonheid! Welk een tegenstelling ook met de vrouw, die haar het
leven geschonken had. Lichamelijk en zedelijk en geestelijk!
Mevrouw van Merenstein was klein, de dochter groot van gestalte,
de eerste eenigszins gezet, de laatste teeder gebouwd, schoon niet
mager, de moeder had zeer regelmatige trekken evenals Clara, maar
ze miste de schitterende blankheid van huid, miste ook het zachte
der oogen; want de hare hadden iets onrustigs, iets gloedvols zonder
innigheid. Beider neus was klein, beider mond evenzoo, en toch welk
een verschil! Oogen, neus en mond bij de moeder spraken van hartstocht,
heerschzucht, oppervlakkige wuftheid en zinnelijkheid, bij de dochter
van teederheid, aanhankelijkheid, ernst.
Kon men Mevrouw van Merenstein met een Spaansche vergelijken, Clara
deed denken aan het Germaansche type van schoonheid.
Juffrouw Pietersen besefte iets van dat alles. Ze had bepaald "schik"
in het jonge meisje. Genoegelijk zat ze tegenover haar, met een
elleboog op tafel en de éene hand onder haar vette kin, te kijken en
te luisteren--dit laatste, als ze zelf niet praatte voor "'t goed
fatsoen." O, die stem! 't Goedige mensch begreep de bekoring niet,
die ervan uitging, maar ze voelde die des te beter. 't Was als muziek
ruischende, streelende, rustig stemmende muziek, lieflijk ernstig als
een "berceuse" van Chopin, gespeeld op een kerkorgel door de hand van
een kunstenaar. De kunstenaar was hier Hij, die de eeuwige bron is
van alle kunst, het instrument volmaakter dan ooit menschenhand wrocht.
Clara zat reeds meer dan een kwartier bij de gastvrije
kruideniersvrouw. Ze vond het mensch erg vriendelijk en goed, en 't
deed haar goed, weer eens naar hartelust Hollandsch te kunnen spreken
en hooren, na al dien tijd van Duitsch en Engelsch en Fransch; maar
ze verlangde naar huis.
"Jawel, juffrouw, u heeft gelijk, maar zou de loopjongen nog niets
gezien hebben?"
Kees werd geroepen. Hij had wel de meid van "boven" gezien, maar ze
was een heel eind verder in de straat. De lummel stond verlegen te
draaien vóor de "mooie juffer". En ze keek hem zoo aan. Hij werd er
"raar" van....
"Maar Kees, roep 'r dan toch hier. Je weet toch, dat de juffrouw
wacht."
"O zoo, ja, ziet u, ik dacht dat ik alleen maar waarschuwen moest,
als de meid thuiskwam...."
"Och, ezel.... neem me niet kwalijk, juffrouw, dat ontglipt me daar,
hoor. Nou jongen, ga haar dan roepen, vlug wat!"
Kees kijkt 's naar de mooie juffer, even steelsgewijze.
Clara lacht en zegt met haar lieve stem:
"Toe, dat wil je toch wel even voor me doen? Ik zal je straks wat
geven."
"O, dat hoeft niet, juffrouw," zegt Kees met een vuurroode kleur. "Ik
wist niet...." Meteen is hij weg, de straat op.
Een oogenblik later verschijnt hij met de meid van Mevrouw Van
Merenstein.
Dientje, die van de afwezigheid harer meesteres geprofiteerd had,
om even naar de kazerne te loopen, om haar "minnaar" te spreken,
en daarna om een praatje te maken met een winkelierster in de buurt,
put zich uit in excuses.
"Ik had noodzakelijk boodschappen te doen, ziet u, en Mevrouw had 't
uitdrukkelijk gezegd, 't kon niet wachten, en ik wist niet, dat u...."
"Nu ja, dat is allemaal niets," valt Clara haar in de rede.
Ze neemt de dienstbode even op. "Jawel, netjes gekleed en ziet er wel
aardig uit, maar toch iets, dat me niet bevalt.... vreemd." 't Lichte
was 't, wat haar hinderde: haar maagdelijke ziel kon de definitie niet
vinden. Ze had vroeger nooit zoo op die dingen gelet, ze herinnerde
zich niet, ooit ergernis of weerzin gevoeld te hebben over of tegen
haar huiselijke omgeving bij Mama of al wat zoo dagelijks om haar
heen plaats had.
Merkwaardig! Een klein jaar van huis, en nu begon ze met iets
onaangenaams, iets onverklaarbaar antipathieks te voelen tegen die
dienstmeid; wat kon haar eigenlijk die meid schelen en toch--de
stuitende aanblik van dat behaagzieke, brutale, lichte ding was
haar als een valsche welkomstgroet bij haar thuiskomst. Waren dan
de talrijke voorgangsters van Dientje anders geweest? 't Verschil
zal wel niet groot geweest zijn--zoo heer, zoo knecht. Neen, het
jonge meisje zelf was veranderd, de verandering van omgeving had haar
gansche gedachten en gevoelsleven gewijzigd; evenals een plant in een
anderen bodem en in een ander klimaat soms andere eigenschappen krijgt
dan te voren. Of eigenlijk, gedachten èn gevoelsleven waren door de
wisseling der omstandigheden eerst begonnen zich te ontwikkelen:
't onnadenkende kind was door weldadige invloeden, die te voren
nooit gewerkt hadden, ontpopt tot haar waren aard. De zon van liefde
had de bloesems doen ontluiken aan een plant, die wellicht anders
nooit gebloeid had! En hoe verandert scheen haar nu alles toe,
hoe weinig was zij er zich van bewust. Ze had een zonderling gevoel
van weemoedigheid, van teleurstelling, en de gewaarwording van een
kind, dat met stralenden blik juichend op een vreemdelinge toeloopt,
in den waan dat het zijn lieve moeder is en dan afgeschrikt wordt
door koelheid, waar 't hartelijkheid verwacht had. 't Nare weer--die
motregen--haar tegenspoed aan de deur van haar huis, hadden Clara min
of meer ontstemd; ze schreef het onaangename, dat ze voelde, daaraan
uitsluitend toe, en trachtte haar humeur te bezweren door zich te
bepraten--och, onzin, wat geef ik om dat weer..... een vergissing
van Mama--maar de stemming bleef.
En de stemming vergezelde haar, toen zij Dientje volgde als de hand
van een onzichtbaren, boozen genius, die haar jonge hartje benauwde en
drukte. Dientje was verbazend gedienstig en spraakzaam. "De juffrouw"
moest alles zien in 't huis en zij bracht haar overal, tot eindelijk
in haar eigen kamertje, door "Mevrouw" zoo mooi ingericht, "expres
voor de juffrouw". Maar 't jonge meisje bleef wonder-onverschillig bij
't zien van al dat fraais--eenvoudig fraais, trouwens--maar toch zoo
dat het eenvoudige kind er anders blij mee geweest zou zijn.
Dientje vatte het niet.
"En nu zal ik Mevrouw 's gaan waarschuwen. Die is bij Mevrouw Rijkezak,
dat weet u wel... zoo'n.... hoe zal ik dat zeggen...." (ze woû
"zoo'n zwarte" zeggen, maar vond dat bij nader inzien wat realistisch)
"... zoo'n Indische...."
"Nu, goed," viel Clara ongeduldig in. Ze zat in haar kamertje op de
sofa, na zich van hoed en mantel ontdaan te hebben, en ze snakte
ernaar, om alleen gelaten te worden. "Ga maar dadelijk naar Mama,
en zeg dat ik er ben."
Dientje gehoorzaamde schoorvoetend. In de gang had ze even behoefte
aan een zachte ontboezeming--zoo iets schijnt velen dienstbaren een
troost--en ze mompelde:
"Dat's me 'n rare, die juffer. En zoo groos! Wat kijkt ze zuur.... Nou,
dat 's een andere dan de ouwe, hoor. Ze mot zich niet wat verbeelden,
omdat ze nou mooi is. Dat is de ouwe ook--nou, asjeblieft en niet
zuinig--en die kijkt nooit zuur...."
Het voorwerp dier bittere gepeinzen zat intusschen in gedachten
verzonken op het rooskleurig sofaatje in haar kamer. 't Was "snoezig",
dat vertrekje, een echt nestje. Moeder Van Merenstein had ook daarin
haar smaak getoond. De kamer was wellicht drie meter bij vier, met
éen raam op straat uitziende. Achter een keurig Japansch schermpje
stond het ledikant, met lichtrozeroode gordijnen, in sierlijke
plooien afhangende van een rond schild als hemel en opgehouden door
donkerroode geborduurde banden. Van binnen--even zichtbaar achter
het scherm--was de voering zeer donkerrood en een mooie gewerkte
sprei bedekte de dekens. Tegenover het Japansche scherm bij 't raam
en naast de schoorsteenmantel stond, schuin tegen den wand, de sofa
met haar groote kussens, aan den anderen kant geflankeerd door een
alleraardigst boekenkastje, met een paar planken en wat neteldoek
in elkaar getooverd. Op de vloer lag een licht grijs karpet, juist
passend en vroolijk afstekend bij 't rozerood der meubeltjes en
harmonieerend met de grijze gordijnen aan het venster. De beide
stoeltjes waren namelijk ook zoo bekleed. Aan het grijze behang
aan den éenen kant hingen hier en daar plaatjes, een paar Japansche
borden en een boekenrekje, terwijl de plaats tegenover den spiegel in
't midden werd ingenomen door een groote aquarel--een fijn, zonnig,
fleurig landschap in Italië. Eindelijk stond op een hoektafeltje
een "schat" van een lampje met kanten kapje. 't Was alles zoo echt
jonkvrouwelijk, zoo frisch en liefelijk, en toch zoo eenvoudig. En
te denken, dat die inrichting 't werk was van die vrouw zonder ziel,
Clara's moeder! Geen behanger of stoffeerder had haar geholpen: zelf
had ze de gordijnen voor 't venster gehangen, het behangselpapier
uitgezocht en opgeplakt, zelf het bed voorzien van een hemel, en van
een paar latten, een hoepel en wat roode en rozeroode stof in elkaar
gezet, zelf de sofa en de stoeltjes bekleed, hier dit verbeterd, daar
wat weggemoffeld, ginds van een nietsje een sierlijk ietsje gemaakt. Ze
had daar pleizier in gehad, pret als een jong meisje en ze was trotsch
op het resultaat, zoowel hier als in de overige inrichting van haar
huis, waar ook zoowat alles door haar wondervingers was gefatsoeneerd
of geregeld. Ze was dan ook bekend als iemand, die tooveren kon met
onbeteekenend materiaal en wonderweinig onkosten. 't Ging haar zoo
natuurlijk af ook! 't Was haar als een onafscheidelijke, ingeboren
eigenschap; ze kon niet anders dan smaakvol wezen in alles, wat tot de
oogen spreekt, en ze wist evenmin als de vroolijke, sierlijke klaproos,
dat ze wuft was, een ergernis voor 't ernstige koorn om haar!
Met matten blik, flauw en lusteloos, keek Clara haar kamertje
rond. Ze was moê van de reis en had een onbestemd drukkend gevoel;
een neiging tot weemoed en droef verlangen, waarvan ze zich geen
rekenschap kon geven.
Ze was dus thuis, heusch thuis? Ja, maar waarom dan dat gevoel van
onrust, die onvoldaanheid? Telkens vlogen haar gedachten terug naar
't stille plaatsje daar in Duitschland, in die goddelijke natuur,
bij die hartelijke goede luitjes, dien waardigen Herr Director en
zijn zorgvolle, vrome, beminnelijke gade. Wat waakten die twee, en
hun beide dochters, die als onderwijzeressen in het kleine instituut
onder Papa's leiding en Mama's voorlichting werkzaam waren, voor dat
kolonietje van meisjes, uit drie, vier landen van Europa, daar gekomen,
om in die uitstekende kostschool de laatste jaren harer opvoeding
door te brengen! Clara had daar kunnen zien wat huiselijkheid,
ernst en degelijkheid waren, en ze had voor die brave lieden daar een
kinderlijke genegenheid vol innige erkentelijkheid opgevat, zooals zij
die nimmer voor haar moeder gevoeld had. Ze voelde zich nu verlaten,
eenzaam, als uit een zonnig lentelandschap in een dompigen kelder
overgebracht....
En toch was ze thuis! Met geweld verdrong ze den vloed van weemoedvolle
gedachten, die haar kwelden: ze moest opgewekt zijn, wat drommel,
bij Mama thuis, en dat den eersten dag!
Juist stond Clara met een ongeduldige beweging van haar zitplaats op,
als wilde ze ontloopen aan haarzelve, toen de deur in eens met een
vaartje opengedaan werd. Ze had niet eens iemand hooren aankomen!
"Mama!"
"Liefste schat, ben jij daar?! Ja, wat een vergissing, wat een
teleurstelling voor je, kasian.... Hier, Toetie, mijn hartje,
mijn dier!"
Clara, die nog ietwat beteuterd was van dien plotselingen
hartelijksovervloed, liet zich gedwee kussen, drukken en
beruiken. Zooals men weet, beruikt de Javaansche het voorwerp harer
teederheid op 't gelaat en zoo deed Mevrouw van Merenstein ook, als
ze recht innig wilde zijn, en dat kwam nog al 's voor, zoo bij kuren.
Eindelijk, toen ze uitgehartelijkt had, keek ze op eens haar dochter
sterk aan, op een afstandje, met haar beide handjes op Clara's
schouders--een heele toer voor 't kleine hittepetitje, en, zonder
eenigen overgang, schril, riep ze:
"Maar wat kijk je sip, kind! Kom, vroolijk zijn, hoor. Je ben toch
niet boos, omdat ik je brief te laat ontvangen heb? Ik kon 't immers
niet helpen. Dat had die Dientje gedaan: die had je brief in de bus
laten zitten. Zoo 'n meid! Drie dagen lang, verbeeld je.... en ik
had niet op de' datum gelet, weet je... Maar," hier een schaterlachje
"dat 's wat moois, ha, ha, ik vergeet die goeie Bets..."
Bets was de volumineuse, goedig volle-maanachtig glimlachende Mevrouw
Rijkezak, bij wie Moeder van Merenstein koffie gedronken had, en die
nu meegekomen was, "om die lieve Toetie eens te zien, ja."
"Nou, maar geen complimenten, ja Moeder", zegt Bets, "dat is je
dochter, die pas uit Dijsland is, ja? Ja, Allag, Toetie, ken jij
mij nog?"
Toetie voelt zich erg Clara van Merenstein, buigt en glimlacht
flauwtjes.
"U is Mevrouw....?" vraagt ze beleefd.
"Och, kind, Mevrouw Rijkezak, immers! Die ken jij toch nog uit
Indije. Niet? Och, kasian, ze is 't vergeten", weer dat ongemotiveerd
schaterlachje. "Die Toetie, die Toetie, je bent toch een raar kind,
ja?"
"Weet jij dan niet meer van mijn mooie huis, in Jokja, waar jij altijd
met jouw zusje komt spelen en altijd kwee-kwee van mij krijgt?" Dikke
Bets schatert. "Och, jij, jij fopt maar, ja?"
"Heusch niet, Mevrouw. Ik kan me dat niet meer herinneren," Clara
heeft moeite haar lachen te bedwingen--'t mensch is zoo inkoddig--ze
wordt er zenuwachtig van en voelt zich ongemakkelijk.
"Och wat "Mevrouw"! Jij zeg maar "Tante", als vroeger, niewaar
San?" Mevrouw van Merenstein heette Jeanne van haar voornaam.
Clara had daarop niets in te brengen dan een lachje, en de andere
geeft voorloopig verdere pogingen tot toenadering op. Ze wendt zich
tot haar zielsvriendin en zegt vol overtuiging:
"Je hebt een mooie dochter, San; mijn dochters zijn niet zoo
mooi"--"neen, dat weet ik" denkt San--"maar dat ligt aan mijn man. Mijn
man is zoo leelijk, ja, kasian! Als hij maar goed was met mij, och,
dan was dat allemaal niks. Als hij maar dàt maakt, niewaar San, dàt"
en ze maakt een welsprekend gebaar met duim en wijsvinger, en vindt
die beeldspraak zóo aardig, dat ze erom giert.
Dan, plotseling, tot Clara:
"Och, die mannen, die mannen! Jij moet goed uitkijken, ja, als jij
éen man neemt: leelijk niks, maar goed, en dat, zie je?" Weer dat
gebaar. "Ha, ha, die Toetie, zij weet nog niet van mannen, niewaar
San?"
Zoo gaat het door.
Clara zegt een enkel woord, glimlacht en is verbijsterd. Is dat
haar moeder, dezelfde, die ze een jaar te voren verlaten heeft,
en die vrouw met haar onwelluidend orgaan, haar hortend en stootend
Hollandsch, haar barbaarsche opmerkingen, die baboe in dameskleeren,
Mama's intieme vriendin?
"Kom Mama, en Mevrouw, laten we naar de voorkamer gaan. Vindt u dat
goed?" zegt ze, om iets te zeggen en weg te gaan uit haar kamertje:
ze voelt iets als ontheiliging van haar lief verblijf, iets als
bezoedeling van haar reinste ikheid, daar opeens zoo ruw verstoord.
Het drietal begeeft zich naar de voorkamer.
Daar verhaalt Mevrouw van Merenstein van het telegram uit Indië. Wijd
en breed wordt er over geredeneerd tusschen de beide hartsvriendinnen,
en Clara krijgt de mededeeling van de verloving harer oudste zuster,
en dat 't zoo'n goede partij is, die onbekende aanstaande zwager. 't
Laat haar koud.
Ze is verward en voelt zich ellendig. En al haar pogen, om 't niet
te schijnen, stemt haar hoe langer hoe ellendiger. Voor de tiende
maal schreeuwt haar verstand haar toe, dat ze thuis is, maar haar
hart blijft ongeloovig.