EEN THUISKOMST.

Mühlenwald, 14 April 1883.

Lieve Mama,

Uw laatste brief bracht mij een nare tijding. U staat er dus op,

dat ik thuis zal komen. Ik zal er verder niets tegen zeggen. 't

Is wel erg jammer. Ik ben hier nu pas elf maanden en zou nog

zoo dol graag een half jaartje erbij gebleven zijn. Wat is een

jaar? De andere meisjes hier op de kostschool lachen me allen

uit: ze zeggen allemaal dat ik dan wel altijd in 't kikkerland

had kunnen blijven. Ik ken nog niet eens goed Duitsch en ik heb

nog lang niet genoeg met al die nieuwe vriendinnen omgegaan, om

er nut van te hebben. U begrijpt wel, dat zoo iets heel anders

is dan in Holland--ik bedoel dien omgang. Er zijn hier meisjes

uit alle landen en iemand krijgt nog eens wat anders te hooren

dan op de school van Juffrouw Prinsen in Den Haag. Nu goed, ik

mag niet mopperen. Ik zal dus komen. U vindt het zeker wel goed,

dat ik a. s. Vrijdag vertrek. Ik kan niet eerder klaar komen met

al mijn inpakkerij. Ik kom dan 1.30 's middags.

O, Mama, 't is toch zoo jammer. 't Is hier zoo heerlijk en ik

houd zoo van de natuur. Ik moet nu weer in dat vervelende Holland

zitten koekeloeren. Maar ik zal niets meer zeggen. U wil 't nu

eenmaal zoo.

Clara van Merenstein: Haagsch-Indische Roman · 第 7 / 35 题