VOORBEDE.

In ootmoed buig ik mij voor U, Liefde, als heiligste Openbaring

Gods. Gij, die den kunstenaar bezielt, vervul ook mijn gemoed. Niets

mag daarin achterblijven dat strijdig is met Uwe wet. De kunstenaar

moet liefhebben en niets dan dat! Bestraald door 't zachte, maar

blijde licht der liefde, wordt alles in dit leven belangwekkend, al

het leed en al de vreugde der wereld. De zoete ontroering wordt door u

alleen gewekt, zij, die alleen in staat is mijn ziel te verheffen tot

de hoogte, waarvan zij gelijkmoedig, in machtige kalmte, kan neerzien

op al het stoffelijke. Dat is geen vreugde, geen droefenis: 't is een

weelde die daarboven gaat. O, ik voel mij U nader, God, wanneer Uwe

Liefde mij doorstraalt. Ik kan, ik vermag dan de tolk te wezen Uwer

taal. Als gij mij inblijft, Liefde, dan zal mijne pen niet falen,

en de beelden, die zij teekent, zullen liefde wekken bij anderen.

Ik ben zoo vaak U ontrouw geweest, en ik kan niet buiten U! O,

dat mijn ziel heil heeft kunnen zoeken buiten U! Wreed, neen

rechtvaardig straftet Gij mij door ver te blijven als ik weder om U

riep, boetvaardig en berouwvol. En dan opeens, daar waart Gij weder

terug en deedt mij juichen! Mijn ziel was weer een reine woning

voor U! Gij verwaardigdet U daarin te wijlen, waar zooveel slechts

in gehuisd had! O, Goddelijke, daarin openbaardet Gij Uw wezen:

Gij had deernis met mijne arme ziel. En 't was weer licht daarbinnen.

Ik weet het: Gij zijt niet grillig, dat is de mensch alleen. Waar gij U

afwendt, daar heeft de zonde post gevat. Buig dan, zonde, belager van

mijn geluk, verlaat mij, gun mij de hemelvreugde van een kunstenaar,

van een edel mensch. Gij zult wijken, want ik dien U, Liefde.

Clara van Merenstein: Haagsch-Indische Roman · 第 5 / 35 题