GROOT FORMAAT #4e DRUK# Met 6 Oorspronkelijke Platen

#Ingenaaid f 3,—# #In Stempelband f 3,75#

Reeds van nature is de goed geschreven historische roman eene

aanzienlijke verschijning in de boekenwereld. Maar verschijningen

zoo aanzienlijk als #Spindler DE JOOD# zijn er in den loop der tijden

slechts weinigen aan te wijzen. De verdiensten van dat boek komen ten

goede aan meer dan een geslacht, dat boek wordt nimmer vergeten; het

geesteskind van zoo een schrijver kon niet met hem het graf in gaan.

Ondoenlijk, de bewondering te beschrijven, die de lezer van #Spindler's

DE JOOD# in zich voelt ontstaan; onmogelijk, een denkbeeld te geven van

de geweldig boeiende kracht, die van deze bladzijden uitgaat; alleen

degene die er zelf kennis mede maakt kan dat meesterwerk naar waarde

schatten.

Er mogen bladzijden in voorkomen van bloed en bladzijden van liefde,

die niet bestemd zijn onder de oogen te komen van kinderen, een

realistisch boek in de beteekenis die daaraan dikwijls wordt gegeven,

is SPINDLER'S werk niet, en waar realisme wordt aangetroffen, is dat

ongezocht en natuurlijk.

Belangwekkend als weinigen, zijn tijd en plaats waar #Spindler's DE

JOOD# ons heenvoert: de eerste jaren der 15e Eeuw, te Frankfort, Worms,

Konstanz en andere plaatsen; de strijd om gewetensvrijheid. Zeden,

tafereelen, personen en toestanden treden hier als in werkelijkheid

voor ons en niet gemakkelijk zal men een tweede werk vinden dat zoo

een krachtig afgebeeld stuk historisch leven te zien geeft, waarvan

de intrige zoo wonderlijk mooi is gedacht, dat zoo oneindig veel

afwisseling biedt, dat—als dit—telkenmale andere wendingen neemt dan

men verwacht, dat meer boeiend en onderhoudend van stijl is, dat den

lezer zoo volkomen onder zijn indruk brengt.

Boeiend zonder wederga is het van af de eerste zinsnede; met

onvermengde belangstelling, zeer dikwijls in heftige spanning, volgen

wij de daden en lotgevallen van Ben David, Dagobert, Zodick, Esther,

Wallrade en anderen, terwijl we te vergeefs trachten het geheim, dat

Bilger zoo lang blijft omhullen, te doorgronden. En na het beëindigen

leggen wij slechts noode het boek, dat ons zooveel genot bracht,

terzijde, terwijl het ons nog lang daarna blijft toe schijnen als

hebben we zelf eenigen tijd verpoosd in die oude tijden te midden der

hoofdpersonen uit #Spindler's DE JOOD#.

+------------------------------------------------------------+

| |

| OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |

| |

| Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn |

| gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden: bv. |

| met/zonder accent, met/zonder koppelteken, met/zonder |

| spatie. |

| |

| Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan |

| het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. |

| |

| De volgende correcties zijn in de tekst aangebracht: |

| |

| Bron (B:) -- Correctie (C:) |

| |

| B: aangeboden. |

| C: aangeboden had. |

| B: het dal van Aösta afdaalde, had |

| C: het dal van Aosta afdaalde, had |

| B: minder bedreven zijn.”—Van dit |

| C: minder bedreven zijn.”—„Van dit |

| B: greep de schoone geluierde met onstuimige |

| C: greep de schoone gesluierde met onstuimige |

| B: landaard ze behooren; nu eens waande |

| C: landaard ze behoorden; nu eens waande |

| B: noemen zeide zij met een vluchtig blosje, maar |

| C: noemen,” zeide zij met een vluchtig blosje, „maar |

| B: worden.” |

| C: worden?” |

| B: monsieur lecomte._” |

| C: monsieur le comte._” |

| B: riep Lodewijk met vuur; op de |

| C: riep Lodewijk met vuur; „op de |

| B: sprak de postillon en dreef de |

| C: sprak de postiljon en dreef de |

| B: behouden en sprak: Er zal geen gevaar |

| C: behouden en sprak: „Er zal geen gevaar |

| B: uitte eenige vreemde woorden. „Zij leeft!” |

| C: uitte eenige vreemde woorden. „Zij leeft! |

| B: goed en wel, monsignora,” antwoordde |

| C: goed en wel, monsignore,” antwoordde |

| B: lantaarn opnam. „Ik wil vooruitgaan. |

| C: lantaarn opnam. „Ik wil vooruitgaan.” |

| B: _Mama, mia! Un signore, |

| C: „_Mama mia! Un signore, |

| B: moeder zeide: „_Une bellissima |

| C: moeder zeide: „_Una bellissima |

| B: signora_!”—Ja wel, Giannettina,” |

| C: signora_!”—„Ja wel, Giannettina,” |

| B: Gianettina op haren schoot. |

| C: Giannettina op haren schoot. |

| B: hield de kleine Gianettina bij zich |

| C: hield de kleine Giannettina bij zich |

| B: verbond. Zijne krachten, schenen zeer |

| C: verbond. Zijne krachten schenen zeer |

| B: „Lodewijk riep haar met opzet |

| C: Lodewijk riep haar met opzet |

| B: dat hij in den beginne |

| C: dan hij in den beginne |

| B: en de hoogte bereikte. Haastig trad hij |

| C: en de hoogte bereikt. Haastig trad hij |

| B: nergens echter ontwaardde hij een begaanbaar |

| C: nergens echter ontwaarde hij een begaanbaar |

| B: hernam de grijsaard; wie zou mij armen, |

| C: hernam de grijsaard; „wie zou mij armen, |

| B: „dat bezorg ik voor u; breng gij den |

| C: „dat bezorg ik voor u; brengt gij den |

| B: wij Andermatt noch vóór den nacht |

| C: wij Andermatt nog vóór den nacht |

| B: ik zeggen mocht: „wij hopen op |

| C: ik zeggen mocht: wij hopen op |

| B: Uit de gebergten van den Gothard, |

| C: Uit de gebergten van den Gotthard, |

| B: over den grooten St. Bernhard, in welks |

| C: over den grooten St. Bernard, in welks |

| B: den Gothard alleen te laten |

| C: den Gotthard alleen te laten |

| B: gulhartigheid zijner reisgezellen dit |

| C: gulhartigheid zijner reisgezellen, dit |

| B: dus besloten, te eer daar hij het |

| C: dus besloten, te meer daar hij het |

| B: Wat den krijg betreft nog |

| C: „Wat den krijg betreft nog |

| B: Hebt gij eenige zorg, eenigen kommer. |

| C: Hebt gij eenige zorg, eenigen kommer.” |

| B: die vóór hem ligt.—Wanneer gij mij |

| C: die vóór hem ligt?—Wanneer gij mij |

| B: hij dan gelukkig zal zijn? |

| C: hij dan gelukkig zal zijn?” |

| B: de kamer te zien binnentreden.—„Groote |

| C: de kamer te zien binnentreden.—Groote |

| B: vriend van den Gothard!” riep hij |

| C: vriend van den Gotthard!” riep hij |

| B: den ouden te vinden: „een schilder, die |

| C: den ouden te vinden; „een schilder, die |

| B: bergen heeft omgezworven. Kom een glas |

| C: bergen heeft omgezworven. Kom, een glas |

| B: den sluier der schets en van den spot |

| C: den sluier der scherts en van den spot |

| B: kruid steke en den rommel |

| C: kruit steke en den rommel |

| B: waar de keizer verdwenen was „Bernard!” |

| C: waar de keizer verdwenen was. „Bernard!” |

| B: van de Reuss op den St. Gothard, nog zeer |

| C: van de Reuss op den St. Gotthard, nog zeer |

| B: Zwitserland op den St. Gothard heb leeren |

| C: Zwitserland op den St. Gotthard heb leeren |

| B: aangeboden hand; twee grootheden, die aan |

| C: aangeboden hand; „twee grootheden, die aan |

| B: Wat mij betreft ik houd het met de |

| C: Wat mij betreft, ik houd het met de |

| B: vroeg Bernard. Drie uur is, dunkt mij, |

| C: vroeg Bernard. „Drie uur is, dunkt mij, |

| B: dit was met Lodelijk het geval geweest, |

| C: dit was met Lodewijk het geval geweest, |

| B: Het gansche hof trekt, namelijk |

| C: Het gansche hof trekt namelijk |

| B: Pillnitz zelf kunnen krijgen. |

| C: Pillnitz zelf kunnen krijgen.” |

| B: antwoordde Lodewijk; maar ik heb |

| C: antwoordde Lodewijk; „maar ik heb |

| B: het kreupelhout slingerden. Hier omringden |

| C: het kreupelhout slingerden. Hier omringde |

| B: rotskegels van den Konig- en Lilienstein |

| C: rotskegels van den König- en Lilienstein |

| B: zich wel wachten, voor de kleeding |

| C: zich wel wachtten, voor de kleeding |

| B: ook wel schielijk voorbij zijn. |

| C: ook wel schielijk voorbij zijn.” |

| B: werk heerscht, daar gij, er mijne |

| C: werk heerscht, daar gij er mijne |

| B: wat Lodelijk zeer lief was. |

| C: wat Lodewijk zeer lief was. |

| B: Maria. „Maar wie is zij! Deze ééne |

| C: Maria. „Maar wie is zij? Deze ééne |

| B: eenigszins. Deze kemerkte wel, dat ik staag |

| C: eenigszins. Deze bemerkte wel, dat ik staag |

| B: ontdekken. |

| C: ontdekken.” |

| B: weder trotseeren; maar het was |

| C: weder trotseeren, maar het was |

| B: het als officier bij de lichte kavallerie |

| C: het als officier bij de lichte cavalerie |

| B: ik,” fluisterde Bernard; nu!” |

| C: ik,” fluisterde Bernard; „nu!” |

| B: gelegener tijd wil uitstellen. |

| C: gelegener tijd wil uitstellen.” |

| B: gehoord, antwoordde ik en het zou |

| C: gehoord,” antwoordde ik, „en het zou |

| B: te mogen vernemen. Daar hij zweeg |

| C: te mogen vernemen.” Daar hij zweeg |

| B: „Die zal niet uitblijven,” |

| C: „„Die zal niet uitblijven,” |

| B: mij van mijne vrijheid beroofde.” |

| C: mij van mijne vrijheid beroofde. |

| B: nu, sprak ik, als die heer mij beschuldigd |

| C: nu,” sprak ik, „als die heer mij beschuldigt |

| B: dan, riep ik, ik zal mijn |

| C: dan,” riep ik, „ik zal mijn |

| B: „„Ik moet uw verlangen |

| C: „Ik moet uw verlangen |

| B: verwacht ik, mijnheer, begon ik, |

| C: verwacht ik, mijnheer,” begon ik, |

| B: dat gij mij in |

| C: „dat gij mij in |

| B: „Gij hebt slechts mijne bevelen |

| C: „„Gij hebt slechts mijne bevelen |

| B: bezorgheid wegens moeder en zuster |

| C: bezorgdheid wegens moeder en zuster |

| B: verstaan kon: „„De wagen is |

| C: verstaan kon: „De wagen is |

| B: hem uitstrekkende; hoe kondt gij ons |

| C: hem uitstrekkende; „hoe kondt gij ons |

| B: Pillnitz? Wij ontmoeten elkaar immers |

| C: Pillnitz? Wij ontmoetten elkaar immers |

| B: sprak Rasinski; de regels, die ik |

| C: sprak Rasinski; „de regels, die ik |

| B: Ik weet niet of ik dit voor |

| C: „Ik weet niet of ik dit voor |

| B: de portier van het huis, waar St Luces |

| C: „de portier van het huis, waar St. Luces |

| B: op, ik trok toch den bonten |

| C: op, ik trek toch den bonten |

| B: oogen; dan behoeft gij |

| C: oogen; „dan behoeft gij |

| B: volkomen onschuldig,” zeide hij, door een |

| C: volkomen onschuldig,” zeide hij, „door een |

| B: hevigheid uit; eindelijk omarmen wij |

| C: hevigheid uit; „eindelijk omarmen wij |

| B: gij zijt zoo zacht, zoo goed, |

| C: „gij zijt zoo zacht, zoo goed, |

| B: had; laat ons van nu af |

| C: had; „laat ons van nu af |

| B: zij raad en ondersteuning noodig. en |

| C: zij raad en ondersteuning noodig, en |

| B: de smartelijk taak opleggen |

| C: de smartelijke taak opleggen |

| B: na zijne ontmoeting te Duoma d'Ossola |

| C: na zijne ontmoeting te Duomo d'Ossola |

| B: en greep hare hand; in dit |

| C: en greep hare hand; „in dit |

| B: snikte Maria; zij dienen in het |

| C: snikte Maria; „zij dienen in het |

| B: hervatte Rasinski; zij voeren de |

| C: hervatte Rasinski; „zij voeren de |

| B: aan zijne vaderlijke beschikking. |

| C: aan zijne vaderlijke beschikking.” |

| B: hervatte Lodewijk, waarom ik, schoon |

| C: hervatte Lodewijk, „waarom ik, schoon |

| B: haard der vaderen terugkeeren. |

| C: haard der vaderen terugkeeren.” |

| B: omhullen en meende met haar flonkerenden |

| C: omhullen en meende men haar flonkerenden |

| B: grondveste, zou voorzeker te |

| C: grondvestte, zou voorzeker te |

| B: voorhoofd in ernstige vouwen; recht |

| C: voorhoofd in ernstige vouwen; „recht |

| B: den overste Begnard, werd afgebroken. |

| C: den overste Regnard, werd afgebroken. |

| B: Begnard trad op de gastvrouw |

| C: Regnard trad op de gastvrouw |

| B: beter toevertrouwen De graaf heeft |

| C: beter toevertrouwen. De graaf heeft |

| B: liet zijne forschende blikken in het |

| C: liet zijne vorschende blikken in het |

| B: ondervinden, in welke eene mate |

| C: ondervinden, in welk eene mate |

| B: vloek van Casandra rusten?” |

| C: vloek van Cassandra rusten?” |

| B: Wilde zachter beeld, |

| C: Wilde ik een zachter beeld, |

| B: „Lodewijk schudde ernstig |

| C: Lodewijk schudde ernstig |

| B: evenlicht weder terugkeeren en |

| C: even licht weder terugkeeren en |

| B: kleinnood, dat daarin verholen |

| C: kleinood, dat daarin verholen |

| B: sprak Bernard, of Fortuna ons hier |

| C: sprak Bernard, „of Fortuna ons hier |

| B: onthaal overeenstemmen. |

| C: onthaal overeenstemmen.” |

| B: het vertrek op en- nederwandelen. |

| C: het vertrek op- en nederwandelen. |

| B: door een doorzuchtig hulsel. |

| C: door een doorzichtig hulsel. |

| B: die nog onder Kosciuzko gevochten |

| C: die nog onder Kosciuszko gevochten |

| B: Kosciuzko Polens zonen te wapen |

| C: Kosciuszko Polens zonen te wapen |

| B: nam uit zijn schuilhoek!” |

| C: nam uit zijn schuilhoek! |

| B: voeide hij zich door eene sterke |

| C: voelde hij zich door eene sterke |

| B: „Ik wll geen wraak |

| C: „Ik wil geen wraak |

| B: dood. |

| C: dood.” |

| B: hij, om Gods wil, men |

| C: hij, „om Gods wil, men |

| B: dom!” |

| C: dom!”” |

| B: verouderd, Stefanus; hier op het |

| C: verouderd, Stephanus; hier op het |

| B: een vreemd te zien. |

| C: een vreemde te zien. |

| B: dacht hij bij zich en zelf besloot zijne |

| C: dacht hij bij zich zelf en besloot zijne |

| B: terwijl de doodsteek, hem de borst |

| C: terwijl de doodsteek hem de borst |

| B: mijne geboorte af, in den nek. |

| C: mijne geboorte af, in den nek.” |

| B: kavalerie rukte vooraan, eene |

| C: cavalerie rukte vooraan, eene |

| B: sprak Delgorow. „Ik was bijna |

| C: sprak Dolgorow. „Ik was bijna |

| B: Izaäk,” zeide hij tot een |

| C: Isaäk,” zeide hij tot een |

| B: de graaf; „Waseliews dochter |

| C: de graaf; „Wasiliews dochter |

| B: ik doe het het ook, en de tijd |

| C: ik doe het ook, en de tijd |

| B: jeugd doorleefd had: Kathìnka,Olga en |

| C: jeugd doorleefd had: Kathinka, Olga en |

| B: welde de vader hem gedaan |

| C: welke de vader hem gedaan |

| B: die dienst ontzeiden. Feodorowna leide |

| C: die dienst ontzeiden. Feodorowna leidde |

| B: mij nog eens vriendelijk aan! |

| C: mij nog eens vriendelijk aan!” |

| B: sprak deze hem aan, u de |

| C: sprak deze hem aan, „u de |

| B: eenige oogenblikken; terwijl ik dit |

| C: eenige oogenblikken; „terwijl ik dit |

| B: uitgestrekt. Een baardig sapeur roerde |

| C: uitgestrekt. Een baardig sappeur roerde |

| B: keizer alle gedruisch. |

| C: keizer alle gedruisch.” |

| B: dat die zachte, wilwillende vrouw |

| C: dat die zachte, welwillende vrouw |

| B: dichter opéén en vormde weldra |

| C: dichter opéén en vormden weldra |

| B: onderzoek te doen. |

| C: onderzoek te doen.” |

| B: inzonderheid de minder frischheid der |

| C: inzonderheid de mindere frischheid der |

| B: is eene gravin Johanna Michielska, de |

| C: is eene gravin Johanna Micielska, de |

| B: op de herberg wijzende; ook |

| C: op de herberg wijzende; „ook |

| B: kunnen voleinden, toen Erlfhofen reeds |

| C: kunnen voleinden, toen Erlhofen reeds |

| B: vooreerst toch vinden wij vele |

| C: „vooreerst toch vinden wij vele |

| B: hernam Benno, en gij zult |

| C: hernam Benno, „en gij zult |

| B: vroeg Benno, is de rots hoog? |

| C: vroeg Benno, „is de rots hoog? |

| B: uitdrukking Arnheim's aandacht tot |

| C: uitdrukking Arnheims aandacht tot |

| B: Voor zoover mij bewust is |

| C: „Voor zoover mij bewust is |

| B: Er zijn tijden in ons leven, |

| C: „Er zijn tijden in ons leven, |

| B: buitgeld kan opbrengen. |

| C: buitgeld kan opbrengen.” |

| B: ontvouwd had: „Uw getrouwe L.” |

| C: ontvouwd had: „„Uw getrouwe L.” |

| B: te benemen. Ik moet aan uwe |

| C: te benemen. „Ik moet aan uwe |

| B: hoe welddadig, hoe zacht |

| C: hoe weldadig, hoe zacht |

| B: te slaan; maar misschien is dit |

| C: te slaan; „maar misschien is dit |

| B: met inspanning, wat ik voor mijn |

| C: met inspanning, „wat ik voor mijn |

| B: en geraakt; ofschoon ik u door |

| C: en geraakt; „ofschoon ik u door |

| B: maar al liet gij hen ook |

| C: „maar al liet gij hen ook |

| B: den man te volgen Gij hebt |

| C: den man te volgen. Gij hebt |

| B: wordt hij dagelijks somberder. |

| C: wordt hij dagelijks somberder.” |

| B: toon voort, gij zult mij niet |

| C: toon voort, „gij zult mij niet |

| B: den generaal Newerowski slaags geraakt, |

| C: den generaal Newerowskoi slaags geraakt, |

| B: ons slechts gelukt, Nemerowskoi af te |

| C: ons slechts gelukt, Newerowskoi af te |

| B: russische linien morgen eindelijk |

| C: russische liniën morgen eindelijk |

| B: Hij is niet bemind; de |

| C: „Hij is niet bemind; de |

| B: op het punt vanden teugel om |

| C: op het punt van den teugel om |

| B: russche armee hun vuur uitbraakten. |

| C: russische armee hun vuur uitbraakten. |

| B: Petrowski, anders komen wij |

| C: Petrowski, „anders komen wij |

| B: hij zal evenmin als Duroc, Daru, |

| C: „hij zal evenmin als Duroc, Daru, |

| B: haar vernietigen, als was zij mij |

| C: haar vernietigen, al was zij mij |

| B: even van Bernard's lippen vloeide, |

| C: even van Bernards lippen vloeide, |

| B: oppassing dulde en dadelijk in |

| C: oppassing duldde en dadelijk in |

| B: ook Feodorowna, dat is thans |

| C: ook Feodorowna, dat thans |

| B: was het laatste dreigende wolkje |

| C: was, het laatste dreigende wolkje |

| B: ten hemel hief: Geloften zijn heilig, |

| C: ten hemel hief: „Geloften zijn heilig, |

| B: wij immers volkomen in veiligheid. |

| C: wij immers volkomen in veiligheid.” |

| B: „Terwijl beiden in deze genoegelijke |

| C: Terwijl beiden in deze genoegelijke |

| B: vasten tijd? Ik had de dragonders |

| C: vastentijd? Ik had de dragonders |

| B: Lodelijk niet uit te brengen. |

| C: Lodewijk niet uit te brengen. |

| B: alleen waren; maar mijne tranen heb |

| C: alleen waren; „maar mijne tranen heb |

| B: de berken strooide dorre bladeren |

| C: de berken strooiden dorre bladeren |

| B: rollen!”———Komen Jaromir en Boleslaw |

| C: rollen!———Komen Jaromir en Boleslaw |

| B: den loop.—Onder het voortwandelen |

| C: den loop.”—Onder het voortwandelen |

| B: zeker zijn; hij moet moet zijn |

| C: zeker zijn; hij moet zijn |

| B: zijn bericht aflegde. De oude Kutosow |

| C: zijn bericht aflegde. De oude Kutusow |

| B: waren, gaven geen antwoord, |

| C: waren, gaven geen antwoord. |

| B: wicht ontschiet het ijzeren rad |

| C: gewicht ontschiet het ijzeren rad |

| B: doffe stilte rusten. Rook en |

| C: doffe stilte rustten. Rook en |

| B: Davoust's dappere scharen genomen. |

| C: Davousts dappere scharen genomen. |

| B: Bagration, die, op Kutusow's bevel, |

| C: Bagration, die, op Kutusows bevel, |

| B: Napels verzamelde zich de |

| C: Napels verzamelden zich de |

| B: achter Semenowski is nog altijd |

| C: achter Semenowskoi is nog altijd |

| B: sprak Rasinski, maar zij |

| C: sprak Rasinski, „maar zij |

| B: De koning van Napels, daarvan |

| C: „De koning van Napels, daarvan |

| B: stil gebed voor hen uitspreken. |

| C: stil gebed voor hen uitspreken.” |

| B: Mijne dr oomenzijn wellicht nog |

| C: Mijne droomen zijn wellicht nog |

| B: de soldaten herhaalde dien, maar het |

| C: de soldaten herhaalden dien, maar het |

| B: Een weinig hooi en half verdord |

| C: „Een weinig hooi en half verdord |

| B: te vinden. |

| C: te vinden.” |

| B: aftocht voor Kutusow's achterhoede |

| C: aftocht voor Kutusows achterhoede |

| B: zijn. Maar.... hier wenkte hij Rasinski |

| C: zijn. Maar....” hier wenkte hij Rasinski |

| B: hoop vergiftige kruispinnen. Vertel het |

| C: hoop vergiftige kruisspinnen. Vertel het |

| B: op en neder; de schurken, die u |

| C: op en neder; „de schurken, die u |

| B: De meid opende; eene vijfjarig |

| C: De meid opende; eene vijfjarige |

| B: Dat zal acht dagen duren; |

| C: „Dat zal acht dagen duren; |

| B: die de vrienden deel rillen. |

| C: die de vrienden deed rillen. |

| B: niets, zeg ik niets. Een der |

| C: niets, zeg ik, niets. Een der |

| B: folterende droomen sterven kan. |

| C: folterende droomen sterven kan.” |

| B: Later toch, toen Kutosow nogmaals |

| C: Later toch, toen Kutusow nogmaals |

| B: zoo iets wordt toegelaten, meende |

| C: zoo iets wordt toegelaten,” meende |

| B: langzaam op. „Ach, zuchtte zij, |

| C: langzaam op. „Ach,” zuchtte zij, |

| B: waar echter eenklaps al diegenen, |

| C: waar echter eensklaps al diegenen, |

| B: te stormen des levens gewoon |

| C: de stormen des levens gewoon |

| B: kennelijk verlegen, die poolsche namen |

| C: kennelijk verlegen, „die poolsche namen |

| B: O, _gij_ zijt |

| C: „O, _gij_ zijt |

| B: koud was Lodoika's omarming!” |

| C: koud was Lodoiska's omarming!” |

| B: uitgestrekt.—Nog ééne schrede |

| C: uitgestrekt.—„Nog ééne schrede |

| B: teederen aandrang „Kunt gij hem |

| C: teederen aandrang. „Kunt gij hem |

| B: niet los.” De mijne zijt |

| C: niet los. „De mijne zijt |

| B: „Mogelijk!”—doch ten laatste |

| C: „Mogelijk!—doch ten laatste |

| B: dezen nacht op het bivak liggen.—Goeden |

| C: dezen nacht op het bivak te liggen.—Goeden |

| B: uitgebloed?—Op den Gothard was ook |

| C: uitgebloed?—Op den Gotthard was ook |

| B: het droombeeld; en waarom komt gij |

| C: het droombeeld; „en waarom komt gij |

| B: de jongeliing daar, toen Rasinski |

| C: de jongeling daar, toen Rasinski |

| B: en sloeg met de kolf van van zijn |

| C: en sloeg met de kolf van zijn |

| B: gij gered zijt! riep hij: |

| C: gij gered zijt!” riep hij: |

| B: waarlijk te gevoelen. Het oogenbllk |

| C: waarlijk te gevoelen. Het oogenblik |

| B: „Alisette!” Waar zijt gij?” |

| C: „Alisette! Waar zijt gij?” |

| B: Jaromir's vermoeden, dat Alisette |

| C: Jaromirs vermoeden, dat Alisette |

| B: help mij haar naar beneden |

| C: „help mij haar naar beneden |

| B: woede te zamen en dreef ze vervolgens uitéén, den |

| waggelenden muur met vernielende woede omversleurend. |

| C: woede omversleurend. |

| B: dunkt, voegde zij er met den |

| C: dunkt,” voegde zij er met den |

| B: opwellende tranen te verbergen.” |

| C: opwellende tranen te verbergen. |

| B: vriend dit begeerd had.—Wanneer ik |

| C: vriend dit begeerd had.”—Wanneer ik |

| B: geleverd bij Mosaik, twee dagmarschen |

| C: geleverd bij Mosaisk, twee dagmarschen |

| B: allen ongedeerd. Eerstdaags meer.” |

| C: allen ongedeerd. Eerstdaags meer.”” |

| B: dank voor deze boodschap. |

| C: dank voor deze boodschap.” |

| B: Zoo werd ik de overbrenger. |

| C: Zoo werd ik de overbrenger.” |

| B: zeide zij, hoe moet ons dan het |

| C: zeide zij, „hoe moet ons dan het |

| B: behoort tot dit verbond? vroeg |

| C: behoort tot dit verbond?” vroeg |

| B: herfstlandschappen, zoo lief. |

| C: herfstlandschappen, zoo lief.” |

| B: moeten danken Hoe mij het hart |

| C: moeten danken. Hoe mij het hart |

| B: nabijheid van Beaucaure zoude zijn |

| C: nabijheid van Beaucaire zoude zijn |

| B: HOOFDSTUK VI. |

| C: HOOFDSTUK IV. |

| B: moederlijk hoofd tot haar neder. |

| C: moederlijk hoofd tot haar neder. |

| B: slagveld van Borodina zal de |

| C: slagveld van Borodino zal de |

| B: Johanna! Het Het morgenrood breekt |

| C: Johanna! Het morgenrood breekt |

| B: Maria! dagen had ik noodig, |

| C: „Maria! dagen had ik noodig, |

| B: den stoom der gebeurtenissen bewoge |

| C: den stroom der gebeurtenissen bewoge |

| B: gemoet hield dien half schertsend, |

| C: gemoet, hield dien half schertsend, |

| B: gruwel zonder voorbeeld. In hevige |

| C: gruwel zonder voorbeeld.” In hevige |

| B: zeide Rasinski na een pauze. Ik kon |

| C: zeide Rasinski na een pauze. „Ik kon |

| B: uitgezette post riep: Werda!” |

| C: uitgezette post riep: „Werda!” |

| B: de dienstzaken, antwoordde Boleslaw. |

| C: de dienstzaken,” antwoordde Boleslaw. |

| B: genomen heb. „Ik ben vooruit |

| C: genomen heb. Ik ben vooruit |

| B: ik weet alles, zeide Rasinski. |

| C: ik weet alles,” zeide Rasinski. |

| B: Heeft Lodewijk niets op u kunnen |

| C: „Heeft Lodewijk niets op u kunnen |

| B: hij het vrij en openhartig. |

| C: hij het vrij en openhartig.” |

| B: zoude zijn. „O, misken mij |

| C: zoude zijn. O, misken mij |

| B: Hoe? waarom niet!” |

| C: „Hoe? waarom niet!” |

| B: Rasinksi beloofde het; Jaromir |

| C: Rasinski beloofde het; Jaromir |

| B: te handelen. „_Mijn_ brief |

| C: te handelen. _Mijn_ brief |

| B: kracht om boete doen. Zoo gij niet |

| C: kracht om boete te doen. Zoo gij niet |

| B: dat men in deze vewarring alles |

| C: dat men in deze verwarring alles |

| B: mijne vensters stondeen hoop Russen; |

| C: mijne vensters stond een hoop Russen; |

| B: aantasten; Bessière, die zijne |

| C: aantasten; Bessières, die zijne |

| B: den weg naar Medijn banen. De |

| C: den weg naar Medyn banen. De |

| B: terugtocht over Mozaisk. Wij zullen |

| C: terugtocht over Mosaisk. Wij zullen |

| B: dringen voort. Delzon's broeder |

| C: dringen voort. Delzons' broeder |

| B: reeds bij de de piramiden? Wat daar |

| C: reeds bij de piramiden? Wat daar |

| B: vorst Von Schwartzenberg is de keizer |

| C: vorst Von Schwarzenberg is de keizer |

| B: Hij moet met de overigen reeds |

| C: „Hij moet met de overigen reeds |

| B: na eenigen tijd. Het zuiver blauw |

| C: na eenigen tijd. „Het zuiver blauw |

| B: reikte. „Hoe gaat het ulieden? |

| C: reikte. „Hoe gaat het ulieden?” |

| B: zeide Rasinski; zulke schilderingen |

| C: zeide Rasinski; „zulke schilderingen |

| B: grootmoedigheid des vijands aanbevolen. |

| C: grootmoedigheid des vijands aanbevolen.” |

| B: alzoo is Caulaincourt's grafnaald?” |

| C: alzoo is Caulaincourts grafnaald?” |

| B: zijne beklemde borst;—en ik |

| C: zijne beklemde borst;—„en ik |

| B: In Warsma was het Rasinski |

| C: In Wiasma was het Rasinski |

| B: merkte Boleslaw aan, want |

| C: merkte Boleslaw aan, „want |

| B: Bliski,” begon Rasinski; kent gij |

| C: Bliski,” begon Rasinski; „kent gij |

| B: hernam Bliski levendig, ik heb |

| C: hernam Bliski levendig, „ik heb |

| B: toe aan de golvende Belt, |

| C: tot aan de golvende Belt, |

| B: „dat in Scythie zich de lucht |

| C: „dat in Scythië zich de lucht |

| B: Het is mij toch zoo aangenamer,” |

| C: „Het is mij toch zoo aangenamer,” |

| B: het doen, zeide Rasinski. Bernard |

| C: het doen,” zeide Rasinski. Bernard |

| B: verblinde, onwillekeurig na en |

| C: verblindde, onwillekeurig na en |

| B: vinden legen de winterstormen; daar |

| C: vinden tegen de winterstormen; daar |

| B: handen en wangen, Onder weeklagend |

| C: handen en wangen. Onder weeklagend |

| B: vreemd torens en tinnen met |

| C: vreemde torens en tinnen met |

| B: tot Lodewijk, Smolensko ziet er |

| C: tot Lodewijk, „Smolensko ziet er |

| B: steen op den ander. |

| C: steen op den ander.” |

| B: nauw zijstraatje wees, beloven ook |

| C: nauw zijstraatje wees, „beloven ook |

| B: een ijzingwekkend gevoel moest Boleslaw |

| C: een ijzingwekkend gewoel moest Boleslaw |

| B: hernam Jaromir, ik heb zelf overal |

| C: hernam Jaromir, „ik heb zelf overal |

| B: elke gelegenheeid partij te trekken, |

| C: elke gelegenheid partij te trekken, |

| B: ging hij rond. Zou men ons hier |

| C: ging hij rond. „Zou men ons hier |

| B: Eindelijk kon het geluk mij |

| C: „Eindelijk kon het geluk mij |

| B: ons komen kan.—„Ach, zoo 'k |

| C: ons komen kan.—Ach, zoo 'k |

| B: den sergant half overluid. |

| C: den sergeant half overluid. |

| B: van den honger. „Ik wil het |

| C: van den honger. Ik wil het |

| B: heb u in Pilnitz en in Dresden |

| C: heb u in Pillnitz en in Dresden |

| B: „Sergeant”, riep hij na eenig |

| C: „Sergeant”, riep hij na eenige |

| B: antwoordde Bernard en ging met hen |

| C: antwoordde Bernard en ging met hem |

| B: intendant-generaal overtuigd. Hoe? Wij |

| C: intendant-generaal overtuigt. Hoe? Wij |

| B: is waar,”, viel hem Beaucaire |

| C: is waar,” viel hem Beaucaire |

| B: „Zeer wel” |

| C: „Zeer wel.” |

| B: had; kom, maak nu maar |

| C: had; „kom, maak nu maar |

| B: der eer en manmoedigheid Acht het |

| C: der eer en manmoedigheid. Acht het |

| B: er lagen eenig papieren op |

| C: er lagen eenige papieren op |

| B: de sergeant; maar hecht gij aan |

| C: de sergeant; „maar hecht gij aan |

| B: Wat ik ook bezorgen kan, |

| C: „Wat ik ook bezorgen kan, |

| B: stond zwijgend, Eene vreeselijke, |

| C: stond zwijgend. Eene vreeselijke, |

| B: „Vaarwel, broeder! riep Bernard |

| C: „Vaarwel, broeder!” riep Bernard |

| B: langs trokken. |

| C: langs trokken.” |

| B: den heuve om en zag in |

| C: den heuvel om en zag in |

| B: stil. Wie klopt nog zoo |

| C: stil. „Wie klopt nog zoo |

| B: den winter van Rusland te ontgaan,” daar |

| C: den winter van Rusland te ontgaan, daar |

| B: verbazing de handen omhoog? „Hoe?” |

| C: verbazing de handen omhoog. „Hoe?” |

| B: overzien zoude zijn? Hij ging naar |

| C: overzien zoude zijn?” Hij ging naar |

| B: de vlucht; „gij links, |

| C: de vlucht; gij links, |

| B: niet misschien Lacostes voetstappen |

| C: niet misschien Lacoste's voetstappen |

| B: waarmede wij hem ontspannen, |

| C: waarmede wij hem omspannen, |

| B: zijn gelaat, door verwarmde haren omgeven, |

| C: zijn gelaat, door verwarde haren omgeven, |

| B: der uwen redde mij.” Doch een |

| C: der uwen redde mij. Doch een |

| B: russische uniform en zijn baard |

| C: russisch uniform en zijn baard |

| B: waagde te voeren; waarom?” |

| C: waagde te voeren; „waarom?” |

| B: „God van genade! riep Lodewijk en |

| C: „God van genade!” riep Lodewijk en |

| B: Ik, nauwelijks wetende wat |

| C: ik, nauwelijks wetende wat |

| B: over den St. Gothard, het zekerste |

| C: over den St. Gotthard, het zekerste |

| B: uit de volheid harer ziel: O, |

| C: uit de volheid harer ziel: „O, |

| B: goedaardig,” hernam Feodorowna; maar |

| C: goedaardig,” hernam Feodorowna; „maar |

| B: spoedig zullen afrijden. |

| C: spoedig zullen afrijden.” |

| B: hebben, gij mag gene wraak aan |

| C: hebben, hij mag geene wraak aan |

| B: zacht; zie maar, hoe |

| C: zacht; „zie maar, hoe |

| B: den verstijfde neder hief hem |

| C: den verstijfde neder, hief hem |

| B: diepste medelijden; misschien keert het |

| C: diepste medelijden; „misschien keert het |

| B: hij voor de poort stilheid, |

| C: hij voor de poort stilhield, |

| B: zij alleen waren, aan uwe borst |

| C: zij alleen waren, „aan uwe borst |

| B: het leven terruggeroepen! Hier |

| C: het leven teruggeroepen! Hier |

| B: uit mijne liefdearmen wegrukt. |

| C: uit mijne liefdearmen wegrukt.” |

| B: moet ik met u dezen naam |

| C: moet ik u met dezen naam |

| B: verklaren,” hernam zij.—Zie hier, |

| C: verklaren,” hernam zij.—„Zie hier, |

| B: voorhoofd; moest ik dat nog afwachten? |

| C: voorhoofd; „moest ik dat nog afwachten? |

| B: het was schoon daar, zeide zij |

| C: het was schoon daar,” zeide zij |

| B: hernam Bernard. En gisteren nog |

| C: hernam Bernard. „En gisteren nog |

| B: getracht hadden af te wenden. |

| C: getracht hadden af te wenden.” |

| B: dan hun hart, hnn hoofd en in |

| C: dan hun hart, hun hoofd en in |

| B: mijn vriend,” hernam Lodewijk? |

| C: mijn vriend,” hernam Lodewijk. |

| B: Maakt gij onze vlucht mogelijk, |

| C: „Maakt gij onze vlucht mogelijk, |

| B: spoedig mogelijk bericht. |

| C: spoedig mogelijk bericht.” |

| B: in balling te zenden.” |

| C: in balling te zenden?” |

| B: hield.—Dat is eene kanonnade, |

| C: hield.—„Dat is eene kanonnade, |

| B: prinses, Willhofen,” vroeg hij |

| C: prinses, Willhofen?” vroeg hij |

| B: woord, om Bernard's zichtbare |

| C: woord, om Bernards zichtbare |

| B: ik, zonder schoenen. Hij luisterde; |

| C: ik, zonder schoenen.” Hij luisterde; |

| B: schrede terugtrad; om 's hemels wil, |

| C: schrede terugtrad; „om 's hemels wil, |

| B: hernam Lodewijk, vrees ik van die zijde |

| C: hernam Lodewijk, „vrees ik van die zijde |

| B: geslotene deur verwondert. |

| C: geslotene deur verwondert.” |

| B: zeide Dolgorow, zijn mij twee |

| C: zeide Dolgorow, „zijn mij twee |

| B: „Hoe zoude ik niet? |

| C: „Hoe zoude ik niet?” |

| B: Het is mij oneindig veel |

| C: „Het is mij oneindig veel |

| B: deze overwachte aankomst, midden |

| C: deze onverwachte aankomst, midden |

| B: zeide hij, staan wat laat |

| C: zeide hij, „staan wat laat |

| B: verbreken—nieuwe, oneindige dierbaarder, |

| C: verbreken—nieuwe, oneindig dierbaarder, |

| B: ontegenprekelijkste bewijzen voor de |

| C: ontegensprekelijkste bewijzen voor de |

| B: de poort, Grijpt de verraders!” |

| C: de poort, grijpt de verraders!” |

| B: zich over den gevallenene heen en |

| C: zich over den gevallene heen en |

| B: Doch wat is er gebeurd.” |

| C: Doch wat is er gebeurd?” |

| B: losgemaakt. „O, mijne ouders, |

| C: losgemaakt. O, mijne ouders, |

| B: hij te doen. |

| C: hij te doen had. |

| B: terugtrokken, een dicht masbosch |

| C: terugtrokken, een dicht mastbosch |

| B: onvermoeide voorzog hem had weten |

| C: onvermoeide voorzorg hem had weten |

| B: wezen Alisettes pleegdochter en in |

| C: wezen Alisette's pleegdochter en in |

| B: geheel verpletterd; dat is Uwe straffende |

| C: geheel verpletterd; „dat is Uwe straffende |

| B: dus begon hij, dat ik met den |

| C: dus begon hij, „dat ik met den |

| B: hevigste gemoedsbeweging, meer dan |

| C: hevigste gemoedsbeweging, „meer dan |

| B: zon bij Mosaïsk op,” fluisterde |

| C: zon bij Mosaisk op,” fluisterde |

| B: ruim gezicht over de landstreek. |

| C: ruim gezicht over de landstreek.” |

| B: gedaan had. Wij zullen het warm |

| C: gedaan had. „Wij zullen het warm |

| B: massa's der marketensters, der zieken |

| C: massa's der marketentsters, der zieken |

| B: hij bij Mosaïsk aan de spits |

| C: hij bij Mosaisk aan de spits |

| B: wederzien,”—Lodoika's naam uit |

| C: wederzien,”—Lodoiska's naam uit |

| B: de rivier kon overttrekken, daar |

| C: de rivier kon overtrekken, daar |

| B: aan: Houdt u slechts rustig, |

| C: aan: „Houdt u slechts rustig, |

| B: het is Alisettes dochter. In |

| C: het is Alisette's dochter. In |

| B: vernam Jaromir Alisettes ondergang en |

| C: vernam Jaromir ondergang en |

| B: O, geloof mij in de diepte van |

| C: O, geloof mij, in de diepte van |

| B: Dniepers aanrukken,” hervat Ransinski, |

| C: Dniepers aanrukken,” hervat Rasinski, |

| B: Door Rasinki's toedoen waren de |

| C: Door Rasinski's toedoen waren de |

| B: de inhoud verre van gerusttellend was. |

| C: de inhoud verre van geruststellend was. |

| B: dezen Tartarus onherroepelijk sluit. |

| C: dezen Tartarus onherroepelijk sluit.” |

| B: de ongelukkige Alisettes lot kende, |

| C: de ongelukkige Alisette's lot kende, |

| B: oogenblik de zekerkeid van den |

| C: oogenblik de zekerheid van den |

| B: Welesowa is de rivier niet |

| C: Weselowa is de rivier niet |

| B: was zijn antwoord, „„en,” |

| C: was zijn antwoord, „„en,”” |

| B: gekomen.”” |

| C: gekomen.””” |

| B: althans de voorste. Daar achter |

| C: „althans de voorste. Daar achter |

| B: en de generaal Eblè beloofde, het |

| C: en de generaal Eblé beloofde, het |

| B: Studianak zelf was met kanonnen, |

| C: Studianka zelf was met kanonnen, |

| B: oever het eerst wenschte bereiken; |

| C: oever het eerst wenschte te bereiken; |

| B: De cavallerie mengde zich in |

| C: De cavalerie mengde zich in |

| B: Zee midden in den Noorpool-oceaan; en de |

| C: Zee midden in den Noordpool-oceaan; en de |

| B: ijskoud afgrijnzen versteende borst en |

| C: ijskoud afgrijzen versteende borst en |

| B: eigen leiden verstompt, dat hunner |

| C: eigen lijden verstompt, dat hunner |

| B: aarde en staarde onwrikbaar op |

| C: aarde en staarden onwrikbaar op |

| B: Bianca door angst en ontzetting |

| C: Bianca, door angst en ontzetting |

| B: hij Bianca toe, en heeft nooit een |

| C: hij Bianca toe, „en heeft nooit een |

| B: als de muren van Troye, doch |

| C: als de muren van Troje, doch |

| B: meent gij?” Versteend moest gij |

| C: meent gij? Versteend moest gij |

| B: redding trachten te ontsluiten. |

| C: redding trachtten te ontsluiten. |

| B: ontdekken. „Lodewijk! riep hij, „Lodewijk, |

| C: ontdekken. „Lodewijk!” riep hij, „Lodewijk, |

| B: gevaren was bewaard gebleven, |

| C: gevaren was bewaard gebleven. |

| B: glimlachje. Maar wij kunnen hier |

| C: glimlachje. „Maar wij kunnen hier |

| B: scheppen inmiddels toch weder adem. |

| C: scheppen inmiddels toch weder adem.” |

| B: benevelde begrippen der leidende nu toch |

| C: benevelde begrippen der lijdende nu toch |

| B: vol aandoening; gij hebt het gedaan, |

| C: vol aandoening; „gij hebt het gedaan, |

| B: die zij over Jaromir's val |

| C: die zij over Jaromirs val |

| B: doe, snikte het meisje. |

| C: doe,” snikte het meisje. |

| B: overtuigenden toon. Het is het hoogste |

| C: overtuigenden toon. „Het is het hoogste |

| B: hem,” eindigde zij, dat ik |

| C: hem,” eindigde zij, „dat ik |

| B: neergebogen en legte de bevende |

| C: neergebogen en legde de bevende |

| B: tot Zimbin voort. Hier vond |

| C: tot Zembin voort. Hier vond |

| B: Te Zemblin gelukte het Lodewijk, |

| C: Te Zembin gelukte het Lodewijk, |

| B: terugdrijven, verontruststen den aftocht. |

| C: terugdrijven, verontrustten den aftocht. |

| B: welken de verbitterste vijand van |

| C: welken de verbitterdste vijand van |

| B: zijne kracht op het lijf. |

| C: zijne kracht op het lijf.” |

| B: „dien ik op den St. Bernard |

| C: „dien ik op den St. Bernhard |

| B: te voet gingen, hem, hunne rossen |

| C: te voet gingen, hem hunne rossen |

| B: geen half uur, of ook Boleslaw's |

| C: geen half uur, of ook Boleslaws |

| B: weg voortloopend pad in; dat |

| C: weg voortloopend pad in, dat |

| B: oog op.—Rasinski.... gij, mijne |

| C: oog op.—„Rasinski.... gij, mijne |

| B: van een klein zij vertrek. |

| C: van een klein zijvertrek. |

| B: lijk naar binnen en legde het |

| C: lijk naar binnen en legden het |

| B: „Rasinski sprong op hem toe, |

| C: Rasinski sprong op hem toe, |

| B: geven. |

| C: geven.” |

| B: het den oude over. Dit briefje |

| C: het den oude over. „Dit briefje |

| B: hem meer te vragen, |

| C: hem meer te vragen. |

| B: die, zwak en krachtelooos, zonder |

| C: die, zwak en krachteloos, zonder |

| B: stelde zich met wanhopige grimmigheid |

| C: stelden zich met wanhopige grimmigheid |

| B: antwoordde snel: Ik ben wakker, leg |

| C: antwoordde snel: „Ik ben wakker, leg |

| B: kameraad! „Heisa, hier is |

| C: kameraad! Heisa, hier is |

| B: deze ontzet; maak u weg, |

| C: deze ontzet; „maak u weg, |

| B: oprichten. Bezin u, zamel |

| C: oprichten. „Bezin u, zamel |

| B: „Bianca deed het. Met |

| C: Bianca deed het. Met |

| B: mompelde hij; het was zoo stil |

| C: mompelde hij; „het was zoo stil |

| B: zich in den laaien gloed |

| C: zich in den laaienden gloed |

| B: Bernard en richte zich mede |

| C: Bernard en richtte zich mede |

| B: „Ach, ik heb heb het lang |

| C: „Ach, ik heb het lang |

| B: doodvriezen, dan hebben wij rust! |

| C: doodvriezen, dan hebben wij rust!” |

| B: Als de wind ons zoo scherp |

| C: „Als de wind ons zoo scherp |

| B: antwoordde Lodewijk ernstig, „Gij schat |

| C: antwoordde Lodewijk ernstig. „Gij schat |

| B: als ik macheloos neerzink.—Dan |

| C: als ik machteloos neerzink.—Dan |

| B: sprak Lodewijk; het is de melodie |

| C: sprak Lodewijk; „het is de melodie |

| B: hebbem laten rusten, doch |

| C: hebben laten rusten, doch |

| B: anders worden wij voor altijd |

| C: „anders worden wij voor altijd |

| B: die hun anders zoude belet hebben, |

| C: die hun anders zouden belet hebben, |

| B: derhalve snelde zij met haastige, |

| C: derhalve snelden zij met haastige, |

| B: werkelijk een einde genomen? |

| C: werkelijk een einde genomen?” |

| B: Jaromir te voeden. Tot hiertoe |

| C: Jaromir te voelen. Tot hiertoe |

| B: Lodewijk bij den armen wees, hevig |

| C: Lodewijk bij den armen, wees, hevig |

| B: Driftig wilden hij zich omwenden |

| C: Driftig wilde hij zich omwenden |

| B: glinsterden in haar oog eene zachte |

| C: glinsterden in haar oog, eene zachte |

| B: schetsen. De gravin stond |

| C: schetsen.” De gravin stond |

| B: Ik heb immers nog |

| C: „Ik heb immers nog |

| B: wonen!”—Mij dunkt ook, dat ik |

| C: wonen!—Mij dunkt ook, dat ik |

| B: riep Paul: „misschien kan |

| C: riep Paul; „misschien kan |

| B: „Rasinski!” Gij hier, en levend!” |

| C: „Rasinski! Gij hier, en levend!” |

| B: „Wij allen, allen, riep Bernard. |

| C: „Wij allen, allen,” riep Bernard. |

| B: toe: Voorwaarts, voorwaarts, |

| C: toe: „Voorwaarts, voorwaarts, |

| B: verzocht Bernard; uwe verschijning kon |

| C: verzocht Bernard; „uwe verschijning kon |

| B: noodzakelijke rust gunnen zou.” |

| C: noodzakelijke rust gunnen zou. |

| B: lijder op. |

| C: lijder op.” |

| B: eene schrede achterwaarts. „Is |

| C: eene schrede achterwaarts. Is |

| B: doch het ware zoete tranen, |

| C: doch het waren zoete tranen, |

| B: smart en angt te hevig ontroerd, |

| C: smart en angst te hevig ontroerd, |

| B: antwoordde hij; doch op zijn ede |

| C: antwoordde hij; „doch op zijn ede |

| B: smartelijke ontboezeming: Ook wij, hoop |

| C: smartelijke ontboezeming: „Ook wij, hoop |

| B: stom en koud als een marmerbleeld, aan |

| C: stom en koud als een marmerbeeld, aan |

| B: Jaromir's rustbed zat en zijne verstijfde |

| C: Jaromirs rustbed zat en zijne verstijfde |

| B: rukten gesloten op. Rasinski met |

| C: rukten gesloten op, Rasinski met |

| B: maar met nog nog vuriger |

| C: maar met nog vuriger |

| B: Germanjes landouwen welven moest!” |

| C: Germanjes landouwen welven moest! |

| B: Kon ik u oog in oog |

| C: „Kon ik u oog in oog |

| B: „Maria en Bianca verlangden |

| C: Maria en Bianca verlangden |

| B: broeders!”—En gij, vriendelijke |

| C: broeders!—En gij, vriendelijke |

| B: vaarwel. En gij, Maria? |

| C: „vaarwel. En gij, Maria? |

| B: hart wijden? Doch thans niet! |

| C: hart wijden? Doch thans niet!” |

| |

+------------------------------------------------------------+

1812: Historische roman · 第 154 / 154 题