HOOFDSTUK I.

De geweldige aandoeningen, die in een zoo kort tijdsbestek Feodorowna's

boezem geschokt hadden, moesten haar, niettegenstaande de vrome

gelatenheid en zedelijke sterkte, waarmede zij zich aan haar lot

onderwierp, toch eindelijk overweldigen. Zij was op het ziekbed

neergezonken; eene hevige koorts gloeide in de tot het uiterste

gespannen zenuwen; de geneesheer hield haren toestand voor gevaarlijk.

Tot geen prijs wilde Axinia thans van de zijde der dierbare gebiedster

wijken, hoewel zij met recht de bangste vrees voor haar eigen lot moest

koesteren, wanneer Feodorowna bezwijken mocht, eer zij met haren Paul

het land verlaten had. Te minder nog kon zij zich aan dezen plicht

der dankbaarheid onttrekken, daar de kranke slechts hare nabijheid en

oppassing duldde en dadelijk in een onrustigen en dus gevaarlijken

toestand verviel, wanneer iemand anders hare legerstede naderde. De

tegenwoordigheid der moeder vooral scheen haar telkens sterker te

ontroeren en vervulde haar eindelijk met een zoo hevigen angst, dat

zij tot woeste ijlhoofdigheid oversloeg, wanneer zij deze slechts

in de verte bespeurde. In kalmer oogenblikken mocht Jeannette de

uitgeputte Axinia vervangen; maar niet zoodra verhief zich de hitte

der koorts weder, of, met de aan kranken eigen onstuimigheid, vorderde

zij de zusterlijke verpleging van de vriendin harer jeugd. Bijna eene

maand ging op deze treurige wijze voorbij; eindelijk begon Feodorowna

langzaam te herstellen, doch was door de ziekte zoo uitgeput, dat

men nog altijd voor haar leven te duchten had. Schoon toch de hevige

aanvallen der koorts geweken waren, scheen het nog immer twijfelachtig,

of het lichaam kracht genoeg zou hebben, om de uitterende afmatting te

boven te komen.—Het zachte jaargetijde was echter van eene heilzame

uitwerking; de Julimaand met haar koesterenden zonnegloed, die zelfs

der noordsche aarde een groenend tapijt ontlokt, deed de kwijnende kiem

des levens tot nieuwe bloesems ontspruiten. Feodorowna genas, bijna

tegen haren wil, en had niet het diep verborgen lijden, dat aan haar

hart knaagde, zijne sporen om wang en lip ingedrukt en den helderen

gloed van haar blauw oog eenigszins verduisterd, zoo zou de schoone

gestalte weder zoo liefelijk ontloken zijn als eene roos, waarin nog

de droppen van een voorbijgetogen onweder glanzen. Maar zij was niet

verfrischt door den dauw des hemels, zij was slechts door zijne stormen

geknakt.

Wie zelf lijdt, heeft een gevoelig hart voor de wenschen en het lijden

van anderen. Zoo gevoelde ook Feodorowna, dat thans haar eerste plicht

was, het laatste dreigende wolkje van den hemel van Axinia's geluk te

verdrijven en de verbintenis en afreis der gelieven te bespoedigen.

Gregorius gaf het jonge paar de kerkelijke inzegening, denzelfden dag

nog verliet het, rijkelijk begiftigd, het grafelijk slot, om zich

midden door het gewoel van den oorlog den weg te banen tot vreedzaam

geluk onder een zachteren hemel.

Feodorowna stond nu geheel alleen; want niettegenstaande het onmetelijke

offer, dat zij gebracht en de gewillige gehoorzaamheid, waarmede zij

zich aan het gebod der ouders onderworpen had, bleef de moeder nog

even koel als voorheen en scheen niet eenmaal medelijden te gevoelen

met het lijden, dat Feodorowna om harentwille zoo geduldig droeg. Het

is waar, zij had zich nooit anders betoond en de innigste liefde der

dochter ook in vroeger jaren niet dan met eene hoofsche vriendelijkheid

beantwoord; maar Feodorowna was daaraan gewoon geworden en had in deze

koude vormen slechts het overwicht van het moederlijk aanzien erkend en

geëerbiedigd; doch gevoelde thans, dat een beminnend, zich opofferend

kind een ander moederhart eischen mag. Zoo veranderde ook hare liefde

in een bangen, schuwen eerbied, en wat gedurende de ziekte zoo kenbaar

gebleken was, liet ook thans nog duidelijke sporen achter; een angstige

rilling greep haar aan, wanneer zij zich in de nabijheid van diegene

bevond, bij wie haar gewond hart troost en verzachting had moeten

vinden.

Ochalskoi en Dolgorow waren bij de armee; in de eerste dagen van

Augustus schreef de laatste, dat hij binnenkort op het goed zoude

komen, ten einde het huwelijk tusschen zijne dochter en den vorst te

voltrekken. De verhinderingen, die zulks tot hiertoe belet hadden,

waren grootendeels in de familie-betrekkingen van Ochalskoi gelegen,

die, ten gevolge van een verdrag, dat sinds onheuchelijke jaren in zijn

geslacht bestond, de toestemming van eenige naastbestaanden noodig had,

eer hij zich in den echt kon begeven. Daar het belang van sommigen

hunner hierbij ten deele in het spel kwam en zij uit baatzuchtige

inzichten eene vereeniging van den graaf met eene nadere verwante

gewenscht hadden, had het moeite gekost hunne bezwaren uit den weg te

ruimen, en was Ochalskoi niet zonder belangrijke opofferingen daarin

geslaagd. Thans was hem een verlof van drie dagen toegestaan, om zijne

echtverbintenis te sluiten, waarop zijne jonge gade met hare moeder

terstond over Kaluga naar zijne goederen in Azië zou afreizen, om

geheel uit de onrustige landstreek van het krijgstooneel verwijderd te

zijn. Dit was juist op het tijdstip, dat de groote russische armee zich

in allerijl naar Smolensko had teruggetrokken, ten einde niet door den

franschen keizer afgesneden te worden. In den nacht na haren reeds ten

deele volbrachten aftocht naar Moskou kwamen Dolgorow en Ochalskoi op

het kasteel aan. Den volgenden middag zoude Gregorius het jonge paar

inzegenen, de viering van den bruidsnacht moest hierop naar Dolgorows

uitdrukkelijke begeerte nog op het kasteel plaats hebben, maar den

morgen daarna zouden de mannen zich dadelijk weder naar het leger

terugbegeven, terwijl de vrouwen over Jelnia en Kaluga hare reis naar

Ochalskoi's goederen aannamen.

Zoo was dan het verschrikkelijk oogenblik gekomen, dat Feodorowna den

duisteren kerker zag ontsluiten, waarin zij haar leven verzuchten

zoude. Zelfs de zoete troost, dat zij door dit offer den grond gelegd

had tot het geluk van anderen, werd krachteloos bij de naderende

werkelijkheid. Tranen had de ongelukkige niet meer te vergieten;

slechts met eene koude ijzing blikte zij in de toekomst. Alles

vereenigde zich, om den dag recht vreeselijk te maken. In de verte

de doffe donder van het geschut uit de belegerde vesting, trad zij

aan het venster van haar vertrek, nog altoos talrijke ruiterscharen,

die als de laatste afdeelingen der terugtrekkende groote armee, op

den, een half uur van het slot verwijderden landweg naar Moskou in

woeste zwermen voorbijtogen. Het gezicht dezer horden van Tartaren,

Baschkiren, Kozakken en andere barbaarsche volksstammen, in wier

midden zij voortaan hare dagen zou slijten, vervulde haar met schrik

en afgrijzen. „O, waarom heb ik schooner landen, zachter zeden,

edeler, beschaafder menschen leeren kennen!” zuchtte zij uit eene

beklemde borst. „Gelukkig gevoelde ik mij ook dáár niet; slechts korte,

schoone droomen verlichtten voor oogenblikken den donkeren nacht mijns

levens. Slechts éénmaal had ik een zaligen droom! En nu! Gij zacht

flonkerende leidstar op mijn donker pad, die zoo snel weder in de

diepste duisternis verdwenen zijt, gij edele gestalte, die mij eens zoo

liefderijk de hand bood, gij vriend in bitteren nood, wien mijn hart

eeuwig zal toebehooren—o vergeef mij het verraad, waaraan ik mij thans

tegen u schuldig maak!—Gij zijt de leidsman mijns levens, sprak eene

heilige stem van dankbaarheid en liefde in mijne borst, u, u alleen

is mijn aanzijn gewijd, riep het luid in mijn binnenste, en toch—het

was eene ijdele begoocheling! De hand der Voorzienigheid, die ik

vertrouwde, verscheurde den band; een woeste storm verdreef de beelden

van den schoonen droom, het floers van nacht en vergetelheid omhult

alles!”

In droef gepeins verloren stond de rampzalige bruid aan het venster

en staarde op het woeste landschap, dat door het gewoel van den

krijg verlevendigd, naar den donkeren hemel, die door de wolken van

den slag verduisterd werd. Eensklaps voelde zij een zachte hand op

haren schouder. Het was Jeannette met het bruidskleed over den arm.

Feodorowna's knieën knikten, echter uitte zij geen luiden klaagtoon,

maar liet zich geduldig optooien als een offer, dat naar het outer

gevoerd wordt.

Juist had Jeannette haar den krans op de lokken gedrukt, toen Ochalskoi

binnentrad, om haar te begroeten en naar de kerk te geleiden, waar

Gregorius hen wachtte. Wanneer de nood daar was, vond Feodorowna

heldensterkte in hare groote ziel. Ernstig, zwijgend, doch zonder te

wankelen, zweefde zij aan Ochalskoi's arm de breede trappen af. In

de zaal werd zij door hare ouders en de verzamelde gasten opgewacht.

Het waren slechts eenige naverwante leden van beide familiën, meest

bejaarde mannen van hoogen rang, en verscheidene generaals, die men

op het feest genoodigd had. Met het bruidspaar aan de spits, begaf

men zich in statigen optocht naar de kerk. De dorpelingen waren van

alle zijden toegevloeid en vormden eene straat, door welke Feodorowna,

met weemoedige vriendelijkheid groetende, voorttrad. Men had bloemen

op het pad gestrooid; zij konden den donkeren afgrond niet bedekken,

dien de bruid aan hare voeten geopend zag. Ook de gasten en de menigte

waren ernstig, want een bruiloftsfeest, waarop de plechtige toon der

kerkklokken zich met het gedonder van den naburigen slag vermengt,

waarop duizende bloedige offers op den achtergrond vallen, terwijl

woorden van vrede en zegening van de lippen vloeien,—zulk een

bruiloftsfeest is waarlijk niet vroolijk te noemen. Gregorius sprak

met ernst, aandoening en warmte; alles luisterde in ademlooze stilte.

Spoedig was de kerkelijke plechtigheid geëindigd, en men begaf zich

langs denzelfden weg naar het slot terug, waar het middagmaal de gasten

wachtte.

Gedurende den maaltijd hield het donderen der vuurmonden aan, ja werd

nog heviger. De gravin werd angstig en vroeg, of het niet raadzamer

zoude zijn, terstond op te breken.

„Wij zijn hier volkomen in zekerheid,” antwoordde een oude generaal;

„Smolensko is de sleutel van dezen weg. Zoolang die poort niet geopend

is, kan de vijand niet verder voortdringen. Tegen kleine overvallen

zijn wij door de kozakken gedekt, die nog in tallooze zwermen den

rivieroever bewaken.”

„Ik wenschte toch,” sprak Dolgorow met sombere blikken, „dat men meer

ernstige aanstalten tot verdediging gemaakt had, ofschoon het met

mijne familieplannen zeer goed overeenkomt, dat het niet gebeurd is,

daar ik anders bezwaarlijk een dag zou gevonden hebben, waarop mij de

uithuwelijking van mijne dochter mogelijk geweest was. Maar het welzijn

van het vaderland acht ik hooger, en dat zou, dunkt mij, dringend

gevorderd hebben, dat men hier, waar alles ons gunstig is, een slag had

aangenomen. Ik kan mij, dit beken ik rondborstig, niet met de inzichten

van den veldmaarschalk vereenigen, die slechts in den terugtocht zijn

heil zoekt.”

„En voorzeker niemand van ons,” antwoordde de generaal met nadruk.

„Ware graaf Barclay de Tolly een geboren Rus, dan zou hij den smaad

van ons vaderland ook niet zoo geduldig verdragen. Doch hier, waar ik

slechts echte Russen bijeen zie, kan ik wel een woord in vertrouwen

spreken. Ik geloof, dat het den langsten tijd zoo geduurd zal hebben;

men verzekert, dat de keizer aan de dringende voorstellen van alle

standen en van de hoogste staats-ambtenaren eindelijk gehoor gegeven en

besloten heeft, het opperbevel aan een ander op te dragen.”

„Aan vorst Bagration?” vroeg Dolgorow driftig.

„Ik mag hem nog niet noemen,” was het antwoord; „doch het is een edel,

waardig Rus, en men is reeds in onderhandeling met hem getreden. Voor

een krijgsmakker van Suwarow zal het bewaard zijn, Ruslands ouden

wapenroem te handhaven.”

„Dan is het vorst Kutusow en geen ander,” riep Ochalskoi met vuur. „Den

waardigen grijsaard, hij worde onze veldheer of niet, zij dit glas

toegebracht!” Tegelijk stond hij op en hief den gevulden beker omhoog;

alle mannen volgden zijn voorbeeld en klonken.

„Wie ook onze aanvoerder zijn moge,” sprak Dolgorow met krachtige stem,

„wij willen onzen dronk zoo inrichten, dat hij altijd een waardigen

geldt: De zoon van Rusland, dien de smaad des vaderlands bloedig

wreekt!”

„Hij leve!” riepen de mannen en ledigden hunne glazen.

De gravin Dolgorow stond op; in hare oogen fonkelde een ongewoon

vuur; de anders zoo koude trekken verlevendigden zich. „Zoo wil ook

ik aan de oud-vaderlandsche gewoonte indachtig zijn,” sprak zij, „en

gij, Feodorowna, volg mijn voorbeeld.” Onder deze woorden rukte zij

den sluier van haar hoofd, scheurde dien door midden en verdeelde de

stukken onder de naast haar zittende mannen. Ook de bruid nam den

sluier, waaronder zij tot hiertoe haar bleek gelaat had trachten te

verbergen, van het hoofd. Een lichte blos kleurde hare wangen, toen

zij hem in stukken scheurde en verdeelde. „Neem, mijn gemaal,” sprak

zij met eene bevende stem, „dit aandenken uwer achterblijvende gade

met u in den kamp, ontvangt ook gij het, waardige helden van mijn

vaderland! Moge het u in het uur des gevaars herinneren, dat op uwe

dapperheid de edele verplichting rust, om het heiligdom van vrouwelijke

onschendbaarheid voor Ruslands dochteren te verdedigen, en dat u de

vurigste dankbaarheid wacht, wanneer gij, met lauweren bekranst, ons

eenmaal dit teeken der inwijding tot den kampstrijd vlekkeloos en door

edel vaderlandsch bloed geheiligd terugbrengt.”

Feodorowna sloeg de schoone oogen neder, toen zij deze woorden tot den

grijzen krijgsman richtte, die de eereplaats aan hare rechterzijde had

ingenomen. Deze greep hare hand, kuste ze vurig en antwoordde: „Met een

aandenken uit zulk eene hand gaat men den slag even vroolijk als een

bruiloftsfeest te gemoet. Spoedig hoop ik, schoone vorstin, dit teeken,

met echt russisch bloed versierd—want daarop zoude ik trotsch zijn—te

kunnen terugbrengen, om het, naar de gewoonte van ons vaderland, te

zien ingelost.”

Een hooger rood kleurde de wangen der jonge gade, want de vergunning

om driemaal de frissche lippen der vrouw of jonkvrouw te kussen, wier

veldteeken men aldus geverfd terugbracht, mocht den dapperen zoon des

vaderlands door geene dochter uit Ruriks stam geweigerd worden; een

gebruik, dat, schoon lang uit de zeden des tijds verdwenen, in de

geschiedkundige overlevering was bewaard gebleven en thans weder in

het leven werd teruggeroepen. Bij gewichtige gelegenheden toch plegen

de volken zich hunne oude gebruiken weer levendiger en dankbaarder te

herinneren; dikwijls niet zonder innerlijk zelfverwijt, dat zij zoo

lang, met zekere trouweloosheid jegens hunne waardige voorvaderen, de

heilige overleveringen vergeten en veronachtzaamd hadden.

Het was avond, toen de gasten van tafel opstonden en zich in de

aangrenzende vertrekken verdeelden. Met angstige beklemdheid zag

Feodorowna het uur nader en nader komen, waarin zij, alleen niet haren

echtgenoot, den laatsten vreeselijken strijd met haar hart zoude te

kampen hebben. Zij had zich juist in een nevenvertrek begeven, om,

van het gezelschap verwijderd, eenige oogenblikken met hare sombere

gedachten alleen te zijn, toen Jeannette haar kwam berichten, dat vader

Gregorius op hare kamer wachtte en dringend verlangde haar te spreken.

Hoe gaarne haastte zich Feodorowna, den wensch van den eerwaardigen,

geliefden grijsaard te vervullen! Ach, haar gansche hart drong haar tot

hem; want van hem alleen hoopte zij troost en sterkte voor de zware

beproeving, die haar te wachten stond.—Zij vond hem op hare kamer;

zijn gelaat was ernstiger dan gewoonlijk.

„Mijne dochter,” sprak hij haar aan, „het uur is gekomen, dat ik u van

hoogst gewichtige dingen spreken moet. Gij zijt onherroepelijk de gade

van vorst Ochalskoi, want de plechtige inzegening heeft u voor het oog

van God vereenigd. De dood alleen kan dien band verscheuren.”

„O mijn goede vader,” viel Feodorowna hem in de rede, „ik weet het;

maar ik zal in mijn plicht niet wankelen. Hem, aan wien mijn woord mij,

hoewel met een wederstrevend hart, verbonden heeft, zal ik getrouw en

onderdanig zijn tot aan het einde mijner dagen. Ach, ik hoop, het zal

niet lang zijn!” Door smart overweldigd leunde zij het moede hoofd aan

de borst van den grijsaard.

„Het is niet dat, waarover ik u spreken wil, lieve dochter,” hernam

hij; „want van de kracht uwer deugd ben ik verzekerd. Ik kwam om u een

geheim te openbaren, dat uwe voedster Ruschka op haar sterfbed onder

het zegel der laatste biecht in mijn oor gelegd en dat zij, mocht de

dood ook mij wegnemen, aan deze papieren toevertrouwd heeft. Ik had

haar bij mijn priesterlijken eed beloofd, het u eerst dan te zullen

ontdekken, wanneer uw huwelijk voltrokken was. Zulks is gebeurd, ik mag

dus thans mijne lippen openen. Gij zijt niet de dochter van Dolgorow,

gij zijt geen Russin. Duitschland is het land uwer geboorte, maar uwe

ouders rusten reeds lang onder de aarde. Graaf Dolgorow nam u als kind

aan, daar zijne echtgenoote hem geen hoop gaf zelf vader te worden. Dit

zijn de beeltenissen uwer ouders, mij door Ruschka ter hand gesteld.”

Met deze woorden gaf hij Feodorowna een brief en eene geopende

brieventasch met twee portretten, eene jonge vrouw en een officier

voorstellende.

Met strakke, verbaasde blikken, bevend, bijna bewegingloos stond

Feodorowna voor den priester en poogde te vergeefs te spreken; half

bewusteloos nam zij aan, wat hij haar toereikte en legde het voor zich

op de tafel neder. Eindelijk bracht zij, de gevouwen handen krampachtig

tegen de borst drukkende, met een angstigen kreet der vertwijfeling de

woorden uit: „Niet hunne dochter!—En toch.... o almachtige God!”

„Herstel u, mijne dochter,” sprak Gregorius, „verhef uw hart geloovig

tot God, die het lot der menschen wonderbaar beschikt.—Ik heb u het

gewichtigste, het noodwendigste ontdekt. Lees deze papieren door en gij

zult het overige vernemen. Ik verlaat u thans. Laat eerst den hevigen

storm tot bedaren komen, die nu in uwe borst woedt. Wanneer gij alleen

zijt, zult gij u zelve wedervinden. Als gij mij noodig hebt, laat mij

roepen.”

Met deze woorden verliet de grijsaard het vertrek; Feodorowna was niet

in staat hem iets te antwoorden; met moeite wankelde zij naar een zetel

en leunde het zware, door den onverwachten slag bedwelmde hoofd, in de

beide handen. Het duurde lang eer zij de papieren, die het geheim van

haar leven ontsluieren zouden, vermocht te ontvouwen. De beeltenissen

harer ouders lagen voor haar; onafgewend hield zij hare oogen daarop

gevestigd, maar de stroomende tranen verduisterden haar gezicht.

Eindelijk brak zij de vijf zegels van den aan haar gerichten brief open

en las, wat Ruschka met eene, door ouderdom bevende hand geschreven had:

„Mijn dierbaar Kind!

„Zoolang ik leefde, bond een strenge, vreeselijke eed mijne tong;

wanneer ik van de aarde weggenomen ben, zal mijne stem nog uit het graf

oprijzen, om u de geheimen te ontdekken, die op uwe geboorte rusten.

Gij zijt niet de dochter van den graaf en de gravin Dolgorow. Slechts

eenige dagen waart gij oud, toen zij u in Duitschland na den dood uwer

moeder als kind aannamen. De graaf was toenmaals reeds vier jaren

gehuwd; hij had de hoop om vader te worden, opgegeven. De ledigheid

van een kinderloozen echt, als ook zijne begeerte om vreemde landen

te leeren kennen, hadden hem tot het ondernemen van groote reizen

bewogen. In Mei van het jaar 1793 bevond hij zich te Pyrmont; hier

leerde hij uwe moeder kennen, die zich als weduwe met haar vijfjarig

zoontje, Benno genaamd—gij waart nog niet geboren—daar ophield,

om haar ondermijnde gezondheid te herstellen. Zij heette Louise

Waldheim; haar man was officier geweest en in een duel doodgeschoten.

Daardoor plotseling in een meer bekrompen toestand geraakt, zwak en

ziekelijk, de geboorte van een tweede kind te gemoet ziende, maakte

zij, niettegenstaande hare afgezonderde levenswijze, toch spoedig

de opmerkzaamheid van eenige rijke badgasten gaande. De gravin

Dolgorow, die de eerste verdieping van het huis gehuurd had, waarin

uwe moeder een klein kamertje bewoonde, deed haar het voorstel, als

gezelschapsdame bij haar te komen en daarbij tevens de verplichting

op zich te nemen, om den graaf en haar zelve in de duitsche taal te

onderwijzen, welke zij beiden toenmaals gaarne grondig wilden leeren.

Uwe moeder, door den nood gedwongen, nam dit voorstel aan; drie

maanden later, toen wij Pyrmont reeds verlaten hadden en Zwitserland

en Italië doorreisden, werdt gij geboren. In eene afgelegen herberg in

de omstreken van Freiburg, midden in Zwitserland, hebt gij het eerst

het daglicht gezien. Toen de verlossing uwer moeder naderde, wilde de

graaf haar eerst aan de zorg der eerlijke landlieden toevertrouwen, mij

achterlaten en de reis alleen met de gravin voortzetten, tot wij ons

weer bij hen zouden kunnen vervoegen: doch eene lichte ongesteldheid

der gravin zelve bewoog hem in onze eenzaamheid te deelen, tot uwe

moeder weer geheel hersteld zoude zijn. De arme vrouw herstelde echter

niet; op den elfden dag na uwe geboorte stierf zij. Ik was hare

verzorgster in de laatste dagen haars levens; stervende droeg zij

mij de zorg voor hare kinderen op en stelde mij hare gansche kleine

nalatenschap voor u ter hand. Daaronder waren ook de trouwringen van

haar en haren echtgenoot. Terstond na de begrafenis bemerkte ik,

dat de graaf zich met een gewichtig plan moest bezig houden. Hij

sloot zich meermalen met de gravin op, hield lange, niet zelden zeer

hevige redewisselingen met haar en sprak, wanneer ik tegenwoordig

was, dikwijls engelsch, dat ik niet verstond; nochtans bemerkte ik

duidelijk, dat gij het onderwerp van het gesprek zijn moest, daar zij

u gedurig met eene zonderlinge opmerkzaamheid beschouwden. Eenige

dagen daarna gaf de graaf, onder voorwendsel, dat hij in Italië

inboorlingen in zijn dienst wilde nemen, aan zijne beide duitsche

bedienden hun afscheid, schonk hun reisgeld en liet hen naar hun

vaderland terugkeeren. Eindelijk riep hij mij op een morgen alleen en

verklaarde mij, dat hij voornemens was, u als zijne dochter aan te

nemen. Natuurlijk was ik daarover zeer verheugd, wijl het lot der beide

kinderen mij reeds niet weinig verontrust had; maar spoedig veranderde

mijne vreugde in diepe droefheid, toen hij mij zeide, voor den broeder

op eene andere wijze te zullen zorgdragen, daar het volstrekt geheim

moest blijven, dat de gravin niet de echte moeder van het kind was.

„Dus moeten dan de kleinen gescheiden worden!” riep ik verschrikt en

bedroefd uit.—„Het zal geen ongeluk voor hen zijn, die elkander nooit

gekend hebben,” antwoordde de graaf. „Gij zijt de eenige, die van

het geheim weet, en ik eisch van u, dat gij mij op de gewijde hostie

zweert, het nimmer te zullen ontdekken. Breekt gij uw woord, herinner

u dan, dat gij en uwe broeders lijfeigenen zijn en dat ik u door één

woord weder in den staat der diepste slavernij kan terugslingeren.”

Deze bedreiging was vreeselijk. Mijne broeders waren door de gunst van

den ouden graaf, den vader van uw pleegvader, welgestelde kooplieden in

Petersburg geworden; maar de trotschheid der russische grooten, die er

roem op dragen, rijke lijfeigenen te bezitten, was oorzaak, dat hij hun

de vrijbrieven steeds geweigerd had. Ik wist, welk een verschrikkelijk

lot hun en mij zelve boven het hoofd hing, wanneer ik den eed weigerde.

Daar bovendien het besluit van den graaf uw geluk verzekerde, daar ik

bedacht, dat gij aan een broeder, dien gij nooit gekend hadt, niets

verliezen kondt, daar eindelijk de graaf mij beloofde, voor den knaap

grootmoedig zorg te zullen dragen, besloot ik, mij aan zijn wil te

onderwerpen. Doch thans, in het uur van mijn naderenden dood, nu gij,

mijn geliefd kind, verre van mij omzwerft, thans eerst bekruipt mij

een zware gewetensangst en kan ik niet besluiten, dien last met mij in

het graf te nemen. Ik weet, welke oorzaken den graaf bewogen, u tot

zijne dochter aan te nemen. De gravin kon een aanmerkelijk deel harer

goederen eerst dan erven, wanneer zij moeder was. Het was geen liefde,

het was eigenbaat, die hen dit plan deed ontwerpen. Voor twee jaren

eerst, kort voor uwe afreis naar Engeland, is haar die erfenis te beurt

gevallen, die nauwelijks toereikend was, om des graven door zucht tot

praal en verkwisting geheel versmolten vermogen eenigermate weder te

herstellen. Thans hoopt hij door u, wier schoonheid en engelachtige

goedheid aller harten moeten innemen, een rijken schoonzoon te winnen.

Gij zijt in den stand der rijken, der voornamen opgevoed, gij hebt

de voordeelen eener vrije geboorte verkregen. O lieve, zij zijn

onberekenbaar! Verneemt gij het geheim uwer geboorte te vroeg, zoo kunt

gij ze verliezen. Daarom zal het u eerst ontdekt worden, wanneer gij,

als de gade van een vrijen Rus, voor eeuwig van de rechten van uw stand

verzekerd zijt. Aan den vromen vader Gregoor heb ik gebiecht, wat mij

op het hart drukte; ik vertrouw het aan dit papier toe, opdat hij het

in de sakristij beware, het vernietige, wanneer gij ongehuwd sterven

mocht, en het u overgeve, wanneer niemand u dat, wat gij met het

verlies eens broeders gewonnen hebt, ontrooven kan.”

Feodorowna moest het blad uit de hand leggen, daar tranen haar

verhinderden verder te lezen. Het ongeduld echter, om meer, en vooral

ook het lot van haren broeder te vernemen, richtten haar spoedig weder

uit die afmatting op.

„Nadat ik den eed had afgelegd, dien de graaf van mij vorderde,

verliet ik zijne kamer. De lieve vijfjarige knaap, uw broeder, huppelde

mij vroolijk te gemoet en wees mij met zijn vingertje op de wieg, om

mij te doen opmerken, dat gij zoo gerust sliept. Thans dacht ik aan

de beide ringen. Een donker voorgevoel, waarvan ik mij zelve geene

rekenschap wist te geven, spoorde mij aan den knaap ten minste dat ééne

aandenken te laten. Haastig nam ik zijn kleedje en naaide den eenen

ring in den gordel daarvan vast. Wel mij, dat ik het gedaan had, want

eenige minuten later trad de graaf binnen en beval mij den knaap aan

te kleeden, daar hij met hem wilde uitrijden. Een veelbeteekenende

blik zeide mij, wat hij voorhad. Onder snikken en tranen voldeed

ik aan het bevel. De knaap begreep niet, waarom ik weende, maar

verheugde zich slechts in den schoonen rit. Zijn ongeduld, ja zijne

onstuimigheid—want hij was even wild en driftig als goedhartig—kon

het oogenblik, dat hij met den graaf in het rijtuig zou klimmen,

onmogelijk afwachten. „Mij drukt hier iets,” riep hij verdrietig, toen

ik hem het kleedje toeknoopte, en hij greep naar den ingenaaiden ring.

Bezorgd, dat hij zelf op die wijze mocht verraden, wat ik gedaan had,

sneed ik haastig met de schaar een ingelegden naad van het rokje los,

om de spanning te doen ophouden. Had de graaf mijn geheim ontdekt, het

zou slecht met mij zijn afgeloopen.—Tot mijne verwondering zag ik,

dat de reiswagen met postpaarden bespannen was. De graaf steeg met het

kind in, en ik heb het sinds dien tijd niet weer gezien. Wat er van hem

geworden is, weet ik niet, want den volgenden morgen reed ik, met de

gravin en u, den, zooals het heette, vooruit gereisden graaf na, dien

wij na drie dagen te Keulen weder aantroffen. Hij zweeg; ik dorst niets

vragen. Vandaar vertrokken wij naar Holland en staken vervolgens naar

Engeland over, daar de tijdsomstandigheden het gevaarlijk maakten naar

Italië te reizen. Eerst na drie jaren keerden wij naar Rusland terug

en gij gingt nu door voor de gravin Feodorowna Dolgorow en werdt als

zoodanig opgevoed. De ring, dien ik u, mijn dierbaar kind, bij mijne

afreis gaf en u zoo dringend bad, niet te verliezen, maar steeds uit

liefde tot mij te dragen, is de trouwring uwer moeder. Door hem kunt

gij wellicht nog eens uw broeder wedervinden. Meer heb ik niet te

ontdekken. Ik bezweer u echter, bewaar deze geheimen in het diepste van

uw hart en houd ook voor uwe pleegouders verborgen, dat gij daarmede

bekend zijt, want zij zouden aan mijne nog levende broeders vreeselijk

wraak nemen. Niemand weet iets van hetgeen ik u mededeelde dan gij

en vader Gregorius, wien het heilige zegel der biecht voor eeuwig de

lippen sluit.

En nu vaarwel, mijn geliefd kind. Vergeef mij, wat ik tegen u misdaan

heb, om der liefde wil, die ik steeds voor u koesterde. Mocht gij op

aarde zoo gelukkig zijn, als gij goed en schoon zijt, dan zult gij niet

zooveel tranen vergieten, niet zooveel angst en kommervolle nachten

doorbrengen, als ik in mijn leven geteld heb. Uwe oude, getrouwe,

zeventigjarige voedster

1812: Historische roman · 第 66 / 154 题