R. 100.

„Raffles is weer aan het werk,” sprak detective Marholm tot zijn

college Roland, toen hij den brief van den directeur der Engelsche Bank

had gelezen.

Marholm verving tijdelijk den inspecteur van politie Baxter, die op

reis was naar New-York en die reeds herhaaldelijk had verklaard, dat

Raffles hem nog eens krankzinnig zou maken.

Alle vindingrijkheid der politie had tot dusverre niet gebaat om

Raffles gevangen te nemen en het oude, beroemde detectivebureau, dat

bekend stond als het beste ter wereld, werd door Raffles steeds

belachelijk gemaakt.

„Wat zijt gij van plan te doen?” vroeg detective Roland. „Denkt gij,

het Victoria-hotel te bezetten en de komst van Raffles af te wachten?”

Marholm lachte.

Hij was de persoon in Scotland Yard, van wien Raffles zei, dat hij den

heldersten kop had en de eenige voor wien John Raffles achting

gevoelde.

Detective Marholm was klein van gestalte en bezat de eigenaardigheid,

plotseling te voorschijn te komen uit gaten en schuilhoeken, waar men

hem het minst vermoedde om zoodoende de door hem achtervolgde

misdadigers gevangen te nemen.

„Gij lacht,” sprak detective Roland, „en ik begrijp daaruit, dat gij

het voor onmogelijk houdt, Raffles bij het afhalen van den brief in

handen te krijgen.”

„Juist,” antwoordde Marholm.

„Houdt gij Raffles voor een idioot of voor iemand, die pas komt kijken?

Gij miskent dezen genialen misdadiger. Maar ik stel er belang in om te

zien, op welke wijze hij in het bezit van den brief zal komen. Zoo

eenvoudig is de zaak niet.

„Ik ken den postambtenaar in het Victoria-hotel als een zeer

voorzichtig mensch.

„Ik zal zelf met u daarheen gaan om te kijken, hoe John Raffles zijn

post-restant-brief afhaalt.”

Een half uur later bevonden de beide detectives zich bij den

dienstdoenden ambtenaar aan het postkantoor „Victoria-hotel”.

Het kantoor bevond zich in de nabijheid van den hoofdingang van het

hotel. Aan het loket stond een ambtenaar. Langs den langsten muur zag

men in een honderden vakjes ingedeelde kast, waarvan elke afdeeling een

nummer van een der hotelkamers droeg.

Naast de tafel bevond zich een kleine ingang voor den ambtenaar, buiten

wien niemand het kantoorlokaal mocht binnengaan.

Voor het loket was de doorgang naar den wintertuin van het hotel.

Detective Marholm deelde den ambtenaar mede, waarom zij waren gekomen

en vroeg hem meteen, of er reeds een brief onder de initialen R. 100

was aangekomen.

De beambte zocht in een der vakken en ontdekte, dat de ochtendpost

werkelijk een dergelijk stuk had meegebracht

„Bij dezen brief moet gij opletten,” sprak detective Marholm, „op het

oogenblik, waarop naar dit stuk wordt gevraagd, geeft gij ons een

teeken. Wij zullen ons dan verder bezighouden met den persoon, die om

den brief komt.”

Zij hadden ongeveer twee uur gewacht, toen bijna op hetzelfde oogenblik

verschillende kruiers en loopjongens aan het loket kwamen die alle

denzelfden wensch hadden, namelijk den brief R. 100 af te halen.

Besluiteloos stond de ambtenaar tegenover al deze menschen.

Hij had slechts één brief en deze werd door vier verschillende menschen

opgeëischt.

Dat was een moeilijke zaak voor hem, die hij niet zoo dadelijk wist op

te lossen.

Onder de wachtenden ontstond twist, want ieder van hen eischte den

brief met het adres R. 100, omdat Raffles, die hen had gezonden, aan

elk van hen een pond had beloofd.

Zij eischten den brief van den ambtenaar en detective Marholm, die de

twistende groep was genaderd, amuseerde zich over deze truc van

Raffles.

„Wat moet ik doen?” vroeg de postambtenaar hem, „hier zijn vier

menschen, die denzelfden brief komen afhalen. Hoe moet ik dit zaakje

behandelen?”

„Dat mag de duivel weten!” lachte Marholm. „Doe, zooals in een

Oostersch sprookje wordt verteld en behoud den brief!”

„Ja,” sprak de postambtenaar, „dat zal ik doen.”

Hij wendde zich tot de vier mannen aan het loket.

„Gaat terug, naar den heer, die u heeft gezonden en zegt hem, dat hij

zelf den brief moet komen halen.”

„Daar zult gij lang op kunnen wachten”, meende Marholm.

Met veel lawaai ging het viertal heen.

Na ongeveer een half uur herhaalde zich hetzelfde tooneel.

Dezen keer werd echter brutaler opgetreden door de afgevaardigden van

Raffles, die volgens strenge bevelen van dezen schenen te handelen.

Zij stelden zich niet tevreden met het antwoord van den loketambtenaar

en bedreigden dezen.

Op dit oogenblik kwam een postbode het hotel binnen. Hij wilde naar het

loket gaan om brieven af te geven, maar, daar de twistende mannen hem

den weg versperden, opende hij de zijdeur en trad het kantoorlokaal

binnen.

De ambtenaar had zijn handen vol met de kerels, die aan het loket tegen

hem stonden te tieren en lette niet op den binnenkomende.

„Hier is de post,” sprak deze tot den ambtenaar, terwijl hij een bundel

brieven voor hem neerlegde.

Daarop ging hij heen.

Detective Marholm en zijn collega hielpen bereidwillig om de twistende

lieden naar buiten te brengen. Daarop ging Marholm naar het loket terug

waar de postambtenaar met verbaasd gelaat bezig was, het hoopje

brieven, dat de besteller hem juist had gebracht, na te zien.

„Wat is dat voor een vervloekte nonsens?” bromde hij. „De besteller

heeft bij mij een stapeltje open brieven neergelegd; ik weet niet, wat

ik ermee moet doen. De couverts zijn gedeeltelijk met oude couranten

gevuld, gedeeltelijk leeg.”

Detective Marholm antwoordde:

„Wat vertelt gij daar? Hoe kan een besteller nu leege couverts

brengen?”

„Kijk dan zelf,” antwoordde de beambte, „hier hebt gij,” en bij deze

woorden schoof hij Marholm het pak brieven toe, „met couranten gevulde

couverts en dergelijke rommel. Zoo’n post heb ik nog nooit in mijn

leven ontvangen.”

Detective Marholm keek de brieven door en zag, dat de beambte gelijk

had.

Haastig vroeg hij daarop:

„Waar is de brief R. 100?”

De beambte zocht in het bepaalde vak naar den brief, die daarin moest

liggen, maar verschrikt week hij achteruit.

„Dat is goochelarij, neen, hekserij!” riep hij vol verbazing uit,

„zooeven lag de brief daarin en nu—”

„Raffles!” sprak detective Marholm, „de besteller, die u zooeven de

brieven bracht, was Raffles!

„Hij heeft die lui op u afgezonden en had hun van te voren de noodige

bevelen gegeven. In een onbewaakt oogenblik heeft hij den brief uit het

vak genomen.

„Kom, collega Roland, ik zei u reeds vooruit, dat er hier nog wel iets

voor ons te leeren zou zijn!”

Lord Lister No. 0027: Letter R. 100 · 第 6 / 20 题