ACHT EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.

Dit is het einde – het slot van alles.

Swift.

Daar Glossin zonder erfgenaam stierf en den koopprijs nog niet betaald

had, moest de heerlijkheid Ellangowan ten tweede male aan de

schuldeischers van Godfried Bertram overgegeven worden, hoewel velen

onder hen hunne aanspraken verliezen moesten, ingeval Hendrik Bertram

zijn recht als erfgenaam kon doen gelden. Bertram stelde zijne zaken in

handen van Pleydell en Mac-Morlan, maar onder uitdrukkelijke

voorwaarde, dat iedere behoorlijk bewezene schuld van zijn vader tot

den laatsten stuiver toe betaald moest worden, al zou hij zich daardoor

ook genoodzaakt zien, naar Indië terug te keeren. Toen Mannering deze

verklaring hoorde, drukte hij hem hartelijk de hand; en van dit

oogenblik af aan heerschte de beste verstandhouding tusschen hen.

De aanzienlijke nalatenschap aan baar geld van mejuffrouw Margaretha

Bertram en de milde ondersteuning van den kolonel stelden Bertram

gemakkelijk in staat, om de rechtmatige schuldeischers te bevredigen,

terwijl zijne wakkere gevolmachtigden voornamelijk in Glossin’s

rekeningen zoo vele valsche en te hoog gestelde posten vonden, dat het

geheele beloop der schulden aanmerkelijk verminderd werd. In deze

omstandigheden aarzelden de schuldeischers geen oogenblik, om Bertram’s

recht te erkennen en hem het huis zijner vaderen over te dragen. De

jonge heer kwam met alle zijne vrienden van Woodbourne, om, onder het

gejuich zijner pachters en andere landlieden uit de nabuurschap, zijn

erfgoed in bezit te nemen, en Mannering was zoo begeerig, het opzicht

over eenige veranderingen te hebben, welke hij Bertram aangeraden had,

dat hij met zijn gezin van Woodbourne te Ellangowan kwam, hoewel het

huis thans veel minder gemak en gerijfelijkheden opleverde.

De arme dominé was buiten zich zelven van vreugde. Hij vloog met twee

treden te gelijk den trap op naar een ellendig bovenkamertje, zijn

slaapvertrek in vroegere dagen, hetwelk hij, zelfs in zijne veel

ruimere en aangenamere kamer te Woodbourne, nooit had kunnen vergeten.

Eéne treurige gedachte kwam hier echter plotseling bij hem op – de

boeken! – Geen drie kamers te Ellangowan te zamen waren groot genoeg,

om deze schatten te bevatten. Terwijl dit ontmoedigend denkbeeld zijne

ziel geheelenal vervulde, werd hij bij den kolonel geroepen, om dezen

bij het nazien en berekenen van een plan tot een groot en prachtig huis

te helpen, hetwelk op de plaats van het zoogenaamde nieuwe slot van

Ellangowan in een met de pracht der naburige bouwvallen

overeenstemmenden stijl gebouwd zou worden. Onder de menigvuldige

kamers, die op de schetsteekening geschetst waren, was een der grootste

bestemd voor de Bibliotheek; en een aardig, vroolijk vertrek daar naast

droeg het opschrift: „Kamer van den heer Sampson.” Toen de goede man

dit zag, riep hij in verrukking uit: „Ver–ba–zend! Ver–ba–zend!

Ver–ba–zend!”

De heer Pleydell had zijne vrienden voor eenigen tijd verlaten, maar

keerde, volgens belofte, tegen Kerstmis, gedurende de vacantie van het

gerechtshof, terug. Toen hij te Ellangowan kwam, vond hij niemand te

huis dan den kolonel, die druk bezig was met plannen voor gebouwen en

tuinen, waarin hij zeer bedreven was en veel genoegen schepte.

„Aha!” zeide Pleydell, „vind ik u hier! waar zijn de dames? waar is de

schoone Julia?”

„Uitgegaan met den jongen Hazlewood, Bertram en den kapitein Delaserre,

een zijner vrienden, die hem voor eenige dagen is komen bezoeken. Zij

zijn naar Derncleugh gegaan, om het plan tot eene nieuwe hut te maken.

Wel, zijt gij in uwe zaak geslaagd?”

„Volkomen en zeer gemakkelijk. Onze jonge vriend is door de „macers”

tot erfgenaam verklaard en het besluit ter kanselarij berustende.”

„Macers? wie zijn dat?”

„Wel, het is eene soort van rechterlijke Saturnalia. Gij moet weten,

dat het een der vereischten is, als men macer, of deurwaarder, bij ons

hoogste gerechtshof wil zijn, om geene bekwaamheden te bezitten.”

„Dat is zonderling!”

„Nu hebben onze Schotsche wetgevers, denkelijk uit scherts, uit deze

onkundige mannen een bijzonder gerechtshof benoemd, om uitspraak in

zaken van verwantschap en afkomst, zoo als het geval van Bertram is, te

doen, waarbij dikwijls de neteligste en ingewikkeldste vraagstukken

voorkomen.”

„Zijn zij bezeten? Mij dunkt, dat moet zeer lastig zijn.”

„O, wij hebben een practisch hulpmiddel voor deze theoretische

ongerijmdheid. Bij zulke gelegenheden nemen één of twee rechters naast

hunne eigene deurwaarders zitting, als raadslieden, en besturen

eigenlijk het geheele werk. Maar gij weet wel, wat Cujaccius zegt:

Multa sunt in moribus dissentanea, mula sine ratione [36]. Doch hoe dit

ook zij, dit gerechtshof heeft onze zaak ten onzen voordeele beslist en

wij hebben, ter eere van het welgelukken onzer pogingen, meer dan één

flesch heerlijken wijn bij Walkers geledigd. Mac-Morlan zal schrikken,

als hij de rekening ziet.”

„Wees daarvoor niet bezorgd,” hernam de kolonel. „Dien schrik zullen

wij het hoofd wel bieden en bovendien het landvolk bij mijne vriendin,

vrouw Mac-Candlish te Kippletringan, vroolijk onthalen.”

„En Hans Jabos tot uw stalmeester nemen?”

„Misschien.”

„En waar is Dandie, de geduchte heer van het Liddesdal?”

„Teruggekeerd naar zijne bergen; maar hij heeft Julia beloofd, ons in

den aanstaanden zomer met zijne vrouw en ik weet niet hoeveel kinderen

te bezoeken.”

„Die aardige kroeskopjes! Dan moet ik ook komen, om blindemannetje en

schuilevinkje met hen te spelen. – Maar wat is dit?

Plattegrond-teekeningen en schetsen? – toren in het midden, eene

navolging van den adelaarstoren te Caernarvon – coras de logis – de

drommel! vleugels – vleugels? wel, het huis zal de geheele heerlijkheid

Ellangowan op den rug nemen en er medewegvliegen!”

„Wel nu, dan moeten wij er eenige zakken Indische rupijen tot ballast

inwerpen.”

„Aha! waait de wind uit dien hoek? Dan zal de schalk, denk ik, ook wel

met mijne schoone Julia gaan strijken?”

„Dat hebt gij geraden, Mijnheer Pleydell!”

„Die jonge guiten steken ons, mannen uit de oude school, altijd de loef

af. Dan moet Julia ten minste hare genegenheid voor mij op Lucie

overdragen.”

„Om de waarheid te zeggen, vrees ik dat ge ook daar uit het veld

geslagen zult worden.”

„Waarlijk!”

„Sir Robert Hazlewood heeft hier onlangs een bezoek bij Bertram

afgelegd, en dacht en oordeelde en was van gevoelen –”

„O Hemel! verschoon mij van de woordenvloed van den waardigen baronet.”

„Best. Hij begreep dan, dat er, daar het landgoed Singleside als eene

wig tusschen twee van zijne landhoeven in-, en een paar uren ver van

Ellangowan verwijderd is, wellicht een koop, eene ruiling, of andere

schikking, tot genoegen van beide partijen, gesloten kon worden.”

„Nu, – en Bertram?”

Bertram antwoordde, dat hij het eerste testament van Mejuffrouw

Margaretha Bertram, in de tegenwoordige omstandigheden zijner familie,

voor de meest gepaste schikking hield, en dat Singleside derhalve als

het eigendom zijner zuster beschouwd moest worden.”

„Die schalk!” hernam Pleydell, den bril afwisschende; „hij steelt mijn

hart zoo wel als mijne beminde. En vervolgens?”

„Vervolgens nam Sir Robert met vele fraaie woorden afscheid; maar

verleden week trok hij weder te veld met zijne geheele krijgsmacht –

met zijne koets met zes paarden, zijn gegalonneerd scharlaken vest en

zijne beste pruik – alles heel prachtig, zoo als het kinderboekje

zegt.”

„Ei! en wat was zijn oogmerk?”

„Na eene zeer wijdloopige voorrede, begon hij van de genegenheid te

spreken, welke Karel Hazlewood voor Lucie Bertram koesterde.”

„Ei, ei! hij eerbiedigde den kleinen God Cupido, toen hij hem op den

toren van Singleside zag zitten. En zal de arme Lucie bij dien ouden

zot en zijne echtgenoote, die zijn vrouwelijk evenbeeld is, inwonen?”

„Neen, daar hebben wij voor gezorgd. Singleside-house zal voor de jonge

lieden in orde gebracht worden en in het vervolg Hazlewood-heuvel

heeten.”

„En blijft gij zelf te Woodbourne wonen?”

„Slechts zoo lang, tot deze plannen volvoerd zijn. Zie, hier is de

teekening van een gemakkelijk huisje voor mij, waar ik in eenzaamheid

mijne grillen kan opvolgen, als ik het verkies.”

„En daar gij dan zoo nabij het oude slot zijt, zult gij ook zeker den

Donagild-toren tot nachtelijke beschouwingen der hemelsche lichamen

laten herstellen? Bravo, kolonel!”

„Neen, neen, waarde vriend! Het is nu gedaan met den sterrewichelaar.”

Guy Mannering of de Sterrewichelaar · 第 72 / 75 题