DIKKOP (tot Nathanaël). O geestelijke heer, gij hebt Alisander, den
wereldvorst, omvergeworpen. Daarvoor zult gij van de wandtapijten
worden uitgekrabd, en uw leeuw, die met een houwbijl op een nachtstoel
zit, zal aan Caxtor gegeven worden; die zal de negende Held zijn. Een
wereldvorst, en bang om te praten! Maak u van schaamte uit de voeten,
Alisander! (Nathanaël gaat heen.) Ja, met verlof van uw edelheid,
een mal goedhartig man, een beste man, ziet gij, maar gauw uit het
veld geslagen! Hij is een opperbeste buur, ja, zeker, en een goed
kegelaar; maar als Alisander,--nu gij ziet, hoe het is;--die rol is
hem wat te zwaar.--Maar er komen nog Helden, die wel anders van zich
af zullen spreken!
PRINSES. Ga wat op zijde, goede Pompejus.
(Holofernes komt op, gewapend, als Judas Maccabæus; en Mot, gewapend,
als Hercules.)
HOLOFERNES. "Den grooten Hercules ziet gij in dezen kleuter,
Die Cerb'rus met de knots versloeg, den driekop-canis;
Die, toen hij nog een zuig'ling was, een wicht en peuter,
Aldus twee slangen doodde met zijn kleine manus.
Quoniam de onmondigheid het spreken hem verbiê,
Ergo kom ik en spreek hier deze apologie."
(Tot Mot.) Wees statig bij uw exit en verdwijn.
(Mot treedt ter zijde.)
"Judas ben ik",--
DUMAINE. Een Judas!
HOLOFERNES. Niet Iscarioth, heer.--
"Judas ben ik, gebijnaamd Maccabæus."
DUMAINE. Dus, valt de bijhang weg, eenvoudig Judas.
BIRON. Een kussende verrader!--Toon uw Judasschap!