DUMAINE. De Groote! de Groote!
DIKKOP. "De Groote", o ja! "Pompejus, die de Groote heet,
En vaak in 't veld met schild en zwaard mijn vijand zweeten deed;
Nu kom ik hier aan deze kust, en land toevall'ger wijs.
En leg mijn spiets hier aan den voet der maagden van Parijs."
Als uwe edelheid nu wilde zeggen: "Dank,
Pompejus," dan was ik klaar.
PRINSES. Grooten dank, groote Pompejus.
DIKKOP. Zooveel is het niet waard; maar ik hoop, ik heb het goed
gekend. Ik maakte een kleinen flater bij "Groote".
BIRON. Mijn hoed tegen een halven stuiver, dat Pompejus de beste der
Helden blijkt.
(Nathanaël komt op, als Alexander.)
NATHANAëL. "Oost, west en zuid en noord verwon ik na elkander;
De aard was, toen ik op aarde was, mijn knecht;
Mijn wapenschild getuigt, dat ik ben Alisander";--
BOYET. Uw neus getuigt van neen, want die staat veel te recht.
BIRON. O neuswijs ridder, die hem met den neus weerlegt!
PRINSES. De wereldvorst ontstelt; ga voort, goede Alexander.