KONING. Stilte! 228

DIKKOP. Zij mij gegund en allen, die van geen geraas houden.

KONING. Geen woord!

DIKKOP. Van een andermans geheimen, bid ik u.

KONING. (leest). "Zoo is het: berend van raafkleurige melancholie,

schreef ik aan de zwartdrukkende stemming de recht heilzame artsenij

uwer gezondheidschenkende lucht voor; en, zoowaar ik een edelman

ben, ik toog op een wandeling uit. Den tijd wanneer? Omstreeks

het zesde uur, als het vee het meest graast, de vogels het best

pikken, en de mensch zich aan dien schotel nederzet, welken men

avonddisch noemt. Zooveel wat den tijd wanneer betreft. Nu wat den

grond aangaat: ik meen, welken ik bewandelde; deze wordt bijgenaamd

uw park. Verder de plaats waar: ik meen, waar ik die ontuchtige en

hoogst verdorven gebeurtenis aantrof, die aan mijn sneeuwwitte pen

den ebbenhoutkleurigen inkt ontlokt, denwelken gij hier aanblikt,

beschouwt, waarneemt of ziet. Maar nu de plaats waar: deze bevindt

zich noord-noordoostwaarts ten oosten van den westerhoek van uw zinrijk

gekronkelden tuinaanleg; daar zag ik dezen laaggezinden herdersknaap,

dit gering elzenvorentje van uwen spotlust,"--

DIKKOP. Mij.

Veel Gemin, geen Gewin · 第 9 / 73 题