DIKKOP. Zij mij gegund en allen, die van geen geraas houden.
KONING. Geen woord!
DIKKOP. Van een andermans geheimen, bid ik u.
KONING. (leest). "Zoo is het: berend van raafkleurige melancholie,
schreef ik aan de zwartdrukkende stemming de recht heilzame artsenij
uwer gezondheidschenkende lucht voor; en, zoowaar ik een edelman
ben, ik toog op een wandeling uit. Den tijd wanneer? Omstreeks
het zesde uur, als het vee het meest graast, de vogels het best
pikken, en de mensch zich aan dien schotel nederzet, welken men
avonddisch noemt. Zooveel wat den tijd wanneer betreft. Nu wat den
grond aangaat: ik meen, welken ik bewandelde; deze wordt bijgenaamd
uw park. Verder de plaats waar: ik meen, waar ik die ontuchtige en
hoogst verdorven gebeurtenis aantrof, die aan mijn sneeuwwitte pen
den ebbenhoutkleurigen inkt ontlokt, denwelken gij hier aanblikt,
beschouwt, waarneemt of ziet. Maar nu de plaats waar: deze bevindt
zich noord-noordoostwaarts ten oosten van den westerhoek van uw zinrijk
gekronkelden tuinaanleg; daar zag ik dezen laaggezinden herdersknaap,
dit gering elzenvorentje van uwen spotlust,"--
DIKKOP. Mij.