4. VAN HET RIET EN EYCKEN-BOOM.

Een omgewayden eycke-boom,

Quam drijven met een snellen stroom,

Quam drijven in het groene riet,

Gewassen aen de gulle 1) vliet,

5 En siende, dat het dun gewas

Niet van den wint beschadight was,

Soo sprack terstont dit eycken hout:

Ik ben geslingert uyt het Wout,

Ick ben getrocken uyt den gront,

10 Hoe vast dat ick gewortelt stont,

Ick ben met krachten neêr gedruckt,

En in der haest daer heen geruckt

En ghy, een swack een tanger 2) kruyt,

Dat hier ontrent den oever spruyt,

15 Staet fris en weet van geen verdriet;

Ey! segh my doch hoe dit geschiet.

De riet-bos loegh 3) om dit gespreck,

En seyd': ick weet een beter treck 4),

Als hooge boomen uws gelijcks,

20 En dat alleen vermits ick wijck,

Vermits ick buygh, en duyck, en nijgh,

Tot dat ick beter weder krijgh;

Maer ghy zijt hart en bijster trots,

En staet gelijck een stege 5) rots.

25 En of al schoon 6) een Noorden wint

Op eerden sijn gewelt begint,

En dat hy fel en vinnigh blaest,

En door de groene bossen raest,

1) snelstroomende 2) tenger 3) lachte

4) praat, verhaal 5) onbeweeglijk 6) ofschoon al.

[p.29]

Ghy past 1) niet op sijn groote macht,

30 En toont dat ghy hem niet en acht;

En daerom wordt hy bijster gram,

En valt dan op uw dicken stam,

En schudt uw tacken met gewelt,

Tot hy u plat ter aerden velt:

35 Daer light dan uw verheven boom,

En wordt een speeltje voor de stroom,

En krijght daer op een schamper jou 2),

Vermits hy niet eens bucken wou.

Ghy, vrienden, wie je wesen meught,

40 Weest buyghsaem, 't is een nutte deught,

Soo dat schier al de werelt sucht,

En als het dondert in de lucht,

Dan buyght u, buyght gelijck een riet,

Soo valt op u het onweêr niet.

Jacob Cats · 第 20 / 86 题