1) aan 2) woog, gewicht bezat

[p.26_illustratie]

[Illustratie: Uit: Van een pompoen en eycke (bladz. 6)

(naar een oude kopergravure).]

[p.27]

Des soo verschiet syn innigh bloet 1),

25 En hy seyd': Godt, vergeeft 'et my!

Ick spreke los en al te vry,

Ick spreke tegen uw beleyt,

En dat ick segh heeft geen bescheyt;

Want had'et na myn sin gegaen,

30 Het ware nu met my gedaen;

Eylaes! myn onbesuyste hooft,

Dat ware van syn breyn berooft;

Ich lage met de neus in 't zant,

Alleen door enckel onverstant.

35 De mensch is dickmael soo gestelt,

Soo wel, in stadt als op het velt,

Dat hy verscheyde dingen siet,

En 't meerendeel en prijst hy niet;

Het schijnt, indien hy scheppen mocht

40 De hemel met de gantsche locht,

En 't aertrijck en het jeughdigh groen,

Hy zoud 'et vry al beter doen.

Ghy, stof en asch! ghy, aerden pot!

Ghy, oordeel vellen over Godt!

45 Die noyt ter deegh heeft ondertast,

Een hayr dat aen uw leden wast.

Ghy, segh ick, die noyt kleine mier,

Noyt hebt doorgront het minste dier,

Soudt ghy berispen Godes werck?

50 Het minste dinck is u te sterck.

Ey lieve, 't is een quade slagh,

Die noyt een mensche plegen magh.

Jacob Cats · 第 18 / 86 题