1) hoogte

[p.25]

30 Haer jongens 1) tot een middagh-mael.

Wel let, o Princen al gelijck!

Een yeder op syn eygen rijck

Ey, neemt uyt onbedachte waen,

Geen hart verschil of oorlogh aen;

35 Krijght oock met uw gebueren niet,

Want dat baert veeltijts groot verdriet;

Want yemant grooter daer ontrent,

Aen wien uw onmacht is bekent,

Kan hem 2) licht voegen in den strijt,

40 Als ghy verswackt en moede zijt,

En vallen u dan op het lijf,

En nemen, al tot tijt-verdrijf,

Ja nemen 't uwe bey gelijck,

En voegen 't by sijn machtigh rijck,

45 Soo datje niet alleen en mist

Al dat, waerom ghy hebt getwist,

Maer oock uw eygen boven dien;

En dat is meer dan eens gesien.

Nu, vorsten van het Christen-rijck!

50 Ghy wordt gebeden al gelijck,

Niet meer te krijgen onder een,

Maer pays te maecken in 't gemeen;

Op dat het jock 3) van Mahomet

Niet breeder uyt en wert geset,

55 Gelijck, door enckel onverstant,

Soo menigh rijck en machtigh lant.

Het Christendom is afgeruckt;

Want 't heeft den Alcoran 4) geluckt,

Om dat men hier gedurigh vocht,

60 En hem geen afbreuk doen en mocht.

Jacob Cats · 第 15 / 86 题