Dan zou ze nog tot twee uur blijven soezen in bed.
Om drie kon dan da auto voorkomen; die reed van hier in vijf minuten
naar het Amstel-Hotel.
Ze richtte zich op om met langzame teugen de chocolade te drinken.
Zou George Bilkens werkelijk—wat zou dat toch zalig zijn!
Ze plaagden haar wel met den jongen Tomsen en ze had hem totnogtoe
altijd heel aardig gevonden.
Job Tomsen was een goeie, beste, brave jongen en hij had den laatsten
tijd in ’t oog loopend veel werk van haar gemaakt.
Maar Tomsen was geen George Bilkens.
Neen, neen, die arme Job kon die vergelijking niet doorstaan.
’t Was maar goed, dat hij voor zaken in Berlijn zat.
Als-ie gisteravond en vannacht op het bloemenfeest was geweest—enfin,
dat was misschien nog wel goed geweest—dan had-ie meteen kunnen zien
dat—maar neen, dat wilde ze nog niet uitspreken....
De pendule op den schoorsteenmantel liet twee korte, heldere slagen
horen.
„Twee uur!” zuchtte Dora.
Ze wipte het prachtige, koperen ledikant uit, schoot haar voeten in
fluweelen pantoffeltjes en ging naar het aangrenzend vertrek, de
badkamer, waar het marmeren bad rustte op een vloer van dezelfde
kostbare steensoort.
De geheele woning trouwens van Massaar was ingericht met de overdadige
weelde van den parvenu, die den bezoeker in elk meubelstuk, in elk
voorwerp van zijn huis wil toonen, dat geld voor hem de kleinste
kleinigheid—de nietigste bijzaak is, terwijl hij juist om niets zooveel
geeft als om het slijk der aarde.
Eer en goede naam, deugd en menschlievendheid staan bij hem op het
tweede plan, als hij de millioenen moet verwerven.
Maar zijn ze eenmaal in zijn bezit, die millioenen, dan is het
levensdoel van den parvenu geworden, de wereld te toonen, dat de gouden
schijven voor hem geen waarde hebben.
Massaar was een treffend voorbeeld van den parvenu.
Toen om drie uur de huisknecht kwam waarschuwen, dat de auto was
voorgereden, zette Dora voor den grooten psyche in haar kleedkamer den
blauw-fluweelen turban met witte aigrette op haar hoofd.
Ze droeg een tailor-made costuum van geribd blauw fluweel, omzoomd met
zibeline. Mof en boa waren van dezelfde bontsoort vervaardigd en de
schoentjes van grijs glacé-leer met zwart gelakten onderrand voltooiden
het smaakvol geheel.
Ze haastte zich naar den rood-gouden salon, waar haar moeder op bezoek
wachtte.
Mevrouw Massaar hield heden ontvangdag. Dora kuste mama vluchtig op de
wang en snelde de gang door naar de voordeur.
Stijf kneep ze een fluweelen doosje in haar gehandschoende vingers,
toen de luxe-kar over het asphalt van de Weteringschans voortsuisde.
„En hebt u goed gerust, miss Dora?” vroeg mr. Bilkens, toen de jonge
dame de zitkamer der gasten van het groote hotel binnentrad.
„Mijn zuster zegt, dat alle vermoeienissen weg zijn, nadat ze twee
sigaretten heeft gerookt. Wat zegt u van zoo’n geëmancipeerde jonge
dame?
„Rook je May?” vroeg Dora.
„Een enkelen keer,” luidde het kalme antwoord.
„Maar dat is verrukkelijk! Leer mij alsjeblieft ook rooken? Hè toe!”
„Met genoegen!”
„En hier,” zei Dora en ze trok haar linkerhand uit de groote mof te
voorschijn, „hier, mr. Bilkens, heb ik het beloofde voor u meegebracht.
Bekijkt u het nu maar, terwijl uw zuster zich kleedt om met mij te gaan
winkelen.”
George Bilkens’ blik ontmoette een oogenblik dien van zijn zuster,
vóórdat hij het doosje uit Dora’s handen nam.
Miss May verdween in haar slaapkamer en kwam een paar oogenblikken
later te voorschijn, gehuld in een kostbaren sealskin-mantel met dito
muts, die allerliefst stond op haar blonde krullen.
„U brengt mijn zuster weer terug?” vroeg George.
„Ja, zeker!”
„Dan mag ik misschien het sieraad tot zoolang in mijn bezit houden?”
„O, ja! Ik kom het om halfzes halen!
„U past er wel goed op?”
„Als op mij zelven!”
De Amerikaan bracht de dames tot aan de groote, glazen draaideuren, die
de hall van het bordes scheiden.
Daar boog hij voor de jonge dames, die in de auto stapten.
May Bilkens bracht een middag vol afwisseling door.
Zij reed met haar nieuwe Hollandsche vriendin naar Hirsch, waar Dora
verscheiden inkoopen deed.
Ze zag den winkel van Liberty, de bontzaak van Greve en den tea-room
van Ledeboer.
Maar ze was niet heel spraakzaam, de mooie Amerikaansche, ze deed erg
stilletjes en ze scheen met haar gedachten niet altijd bij de verhalen
te zijn, die Dora over de lippen vloeiden.
Herhaaldelijk raadpleegde ze haar met diamanten omzet horloge, dat ze
aan een fijne gouden schakelketting aan den linkerpols droeg en alleen
als Dora wat àl te spoedig met haar bestellingen klaar was, bleef ze
talmen, deed zelve nog allerlei inkoopen en rekte het bezoek in de
magazijnen zooveel mogelijk.
„Die sigaretten schijnen je toch niet heelemaal te hebben opgeknapt,”
plaagde Dora, (de jonge dames hadden bij het afscheid op het
Bloemenfeest afgesproken elkaar bij den naam te noemen).
„Zie je wel, dat toch eigenlijk meisjes niet moeten rooken!”
„Neen, eigenlijk niet!” zuchtte May.
„Vertel me nu eens eerlijk, waar die zucht naar toe gaat”, vroeg Dora.
„Ik geloof”, ze boog zich in de auto voorover naar het fijne gezichtje
van de Amerikaansche, „ik geloof, dat je tot over de ooren verliefd
bent op den neef van mijnheer Steenbergen.”
„God bewaar me”, viel May uit, maar toen, met zichtbare schrik zich
herstellend, vervolgde ze: „Hoe kom je er aan, Dora! Ik denk niet aan
verliefdheid. Ik heb een beetje haarpijn!”
„Hè, haarpijn! Wat een leuke, studentikooze uitdrukking! Zeg, May,
jullie Amerikaantjes bent toch echte origineertjes!”
En May, het origineele Amerikaansche meisje wist den middag zóó te
rekken, dat het bijna zes uur was, toen de auto zich op het Spui weer
in beweging zette om naar het Amstelhotel te rijden.
George Bilkens haastte zich terug naar den grooten salon op de eerste
verdieping, toen de automobiel met Dora Massaar en haar vriendin was
weggereden.
Hij haalde uit de groote kleerkast zijn elegante overjas en
cylinderhoed te voorschijn, en kleedde zich om uit te gaan.
Maar vóórdat hij de kamer verliet, schoof hij een ring aan den pink van
zijn linkerhand, een ring, dien hij tot dien tijd aan een dun gouden
koordje om den hals had gedragen.
En uit een wit-fluweelen, met zijde gevoerd doosje nam hij een broche
met gouden rand.
In dien rand was een grooten, smaragdkleurigen steen gevat en in den
steen waren gegraveerd een slang en een arend.
Lang, héél lang bekeek hij het kleinood, voordat hij het in zijn
vestzak verborg.
Toen trok George Bilkens zijn lichtgele kastoren-handschoenen aan en
verliet het hotel.
De fijne, koude winterlucht prikkelde zijn huid en deed hem goed.
Hij wandelde de Hoogesluis over, langs het Paleis voor Volksvlijt en de
Weteringschans.
Daarna ging hij de Museumbrug over en in de aandonkerende schemering
werd zijn oor geboeid door de lijnen van het Rijksmuseum, die scherp
afstaken tegen de vaalgrijze lucht.
„Amsterdam is mooi!” peinsde de Amerikaan, „indrukwekkend mooi op dit
punt van de stad!”
Daarna wandelde hij onder de Museumbogen door en vijf minuten later
stond hij onder den luifel van een dier moderne, villa-achtige huizen,
waarvan er in den laatsten tijd zoovele, tot sieraad der stad, zijn
verrezen in deze wijk.
Een pronkerige koperen plaat vermeldde in zware, gothische letters den
naam Massaar.