Dien middag, den dag na het groote bloemenfeest in het Concertgebouw,
het feest, waar gansch Amsterdam van vervuld was geweest, ontwaakte
Dora Massaar, toen een der dienstboden een bescheiden tikje op de deur
van haar slaapkamer deed hooren.
Dora gaapte en rekte zich.
Het klopje werd herhaald.
„Ja— —”
„’t Is half twee, juffrouw! Zal ik u de chocolade brengen?”
„Goed, Lize!”
Lize bracht, enkele minuten later, een kop geurige cacao.
Ze keek haar jonge meesteres vragend aan, in afwachting, of deze ook
nog verder van haar diensten gebruik wenschte te maken.
Toen het jonge meisje echter de oogen gesloten hield, verliet Lize,
heel stilletjes het vertrek.
De juffrouw zou wel bellen, als ze haar noodig had.
Maar Dora dacht nog niet aan kleeden of opstaan.
Ze mijmerde over den vorigen avond—den afgeloopen nacht—ze zag de
vurige en toch zoo zachtgloeiende, donkere oogen van George Bilkens—ze
hoorde de vleiende stem van George Bilkens—ze voelde het zachte drukje
van zijn slanke vingers op haar pols en haar arm......
„George”, fluisterde ze, „wat een mooie, echt-Engelsche naam;
Geor-ge......”
En wat was hij snoezig geweest, neen maar, gewoonweg een schat!
Hoe lang hadden ze samen wel in het hoekje van de champagne-zaal
gezeten—hoe belangstellend had hij naar haar verleden, naar het
verleden van haar ouders en naar hun doen en laten geïnformeerd.
Dat deedt je toch niet, als je geen bijbedoelingen hadt.
Hij vond het natuurlijk veel te onkiesch om informaties bij een of
ander bureau te gaan inwinnen!
Hij had het haar zelve gevraagd—en ze had hem volkomen eerlijk, zoo
volledig mogelijk ingelicht.
Ze had hem alles opgebiecht: hoe eenvoudig, bijna armoedig ze het
hadden, toen „papa” nog „vader” heette en als boekhouder werkzaam was.
Hij verdiende toen een salaris van een paar duizend gulden.
Ze hadden er wel ruimer van kunnen leven, maar vader speculeerde nogal
eens en hij had nooit geluk gehad.
Ze had hem ook verteld, dat ze de familie Doorneveld van Oudenhoven wel
had gekend—van uiterlijk natuurlijk alleen.
Die schatrijke Betty had ze altijd zoo benijd en die woonde nu ergens
in Londen.
Op een zolderkamertje of zoo iets, vertelden ze in Amsterdam.
George had in New York een Doorneveld gekend en van dezen het verhaal
van den juweelendiefstal gehoord.
Woedend, gewoonweg woedend werd papa, als je over die menschen
sprak—gek was dat toch.
Misschien was hij wel bang, ook nog eens z’n groot fortuin kwijt te
raken en werd-ie daarom altijd zoo zenuwachtig, als ze over deze
familie spraken, die hem eraan herinnerde, dat rijkdom vergankelijk is!
Ze had het George ook gevraagd, of hij die driftbuien niet gek vond; ze
vermeden het nu, zij en mama, zooveel mogelijk, over dien diefstal en
die familie te praten.
Maar George had er weinig op geantwoord—ze herinnerde zich tenminste
heelemaal niet meer, wat hij gezegd had.
En nu zou ze hem straks weerzien!
Een rilling van vreugde doortrilde haar.
Toch wel snugger, dat ze hem had aangeboden, die broche te laten zien
en daarvoor naar het Amstelhotel te tuffen.
May, die snoes, zou dan later met haar gaan winkelen en tea’en bij
Ledeboer of Hirsch.