Het was een heldere dag in het midden van Januari. Mooi, vriezend weer,
zooals men het dien winter nog niet had gekend.
Des nachts had het een beetje gesneeuwd, zoodat zij, die des morgens al
vroeg aan den arbeid togen, Amsterdam’s straten bedekt hadden gezien
met een dunne witte laag.
Doch slechts heel kort was dat wit smetteloos gebleven. Reeds in den
morgen was het als bij tooverslag veranderd in vieze, bruin-grijze
modder, welke vooral in de geasphalteerde straten urenlang was blijven
liggen.
Nu echter, in den namiddag, nadat de heldere Januarizon den geheelen
dag had geschenen en de wind had geholpen om den boel schoon te vegen,
waren ook de laatste sporen van sneeuw en modder verdwenen. Men hoopte
eindelijk eens lekker vriezend weer te houden, zoo’n ouderwetschen
winter!
Op het groote plein vóór het Centraalstation was het levendig en druk.
Zoo juist was de trein van Vlissingen aangekomen en de reizigers
verlieten het statige stationsgebouw.
Witkielen snelden hun, die handbagage droegen, bereidwillig tegemoet,
rijtuigen en auto’s stonden gereed.
Onder hen, die zich naar de wachtende voertuigen begaven, om in een
daarvan plaats te nemen, ten einde zich stadwaarts te begeven, bevonden
zich een heer en dame. De jonge man kon hoogstens veertig jaar oud
zijn, terwijl zijn gezellin drie- à vier-en-twintig jaar mocht tellen.
Hij had een rijzige, goed gebouwde gestalte, donker haar, zwart
puntbaardje en een paar opvallend levendige zwarte oogen.
De dame daarentegen was rossig blond en het eenvoudige, maar zeer
elegante donkerblauwe reistoilet, dat zij droeg, zat onberispelijk; een
lange sluier van dezelfde kleur was losjes om een klein vilten hoedje
gedrapeerd en flatteerde het knappe gelaat zeer.
De heer droeg een valies van fijn bruin leder.
Het tweetal begaf zich, na zich even te hebben georienteerd, naar een
gereedstaande auto, op welks zijkanten men in gouden letters
„Amstelhotel” las.
Zij schenen op dat uur de eenige nieuwe gasten voor het hotel te zijn,
en na eenige minuten wachtens verliet de auto het stationsplein om
langs den Voorburgwal naar de plaats van bestemming te rijden.
Hoogstens tien minuten later opende een der keurig gekleede
hotelbeambten het portier.
De heer en dame bestegen de hooge stoep van het hotel en werden door
een kellner onmiddellijk naar de voor hen gereserveerde vertrekken
gebracht.
Het waren drie ruime, aan elkaar grenzende kamers op de eerste
verdieping met prachtig uitzicht op den Amstel.
Deze drie vertrekken, een salon en twee slaapkamers, waren den vorigen
dag op telegrafisch verzoek in gereedheid gebracht voor Mr. Georges
Bilkens uit New-York en zijn zuster, Miss May Bilkens.
In onderdanige houding bleef de kellner nog een oogenblik op den
drempel staan om de bevelen van de nieuw aangekomen logeergasten af te
wachten, doch het eenige verzoek, wat hem in goed Hollandsch door Mr.
Bilkens werd gedaan, was:
„Miss Bilkens en ik wenschen heden op onze kamer te dineeren!”
Buigend verliet de hotelbeambte het vertrek.
Mr. Bilkens had zich naar een der hooge vensters begeven en scheen van
het mooie uitzicht te genieten. Daar vóór hem lag de breede rivier,
waarop grootere en kleine booten rustig voortgleden.
Ontelbare witte zeemeeuwen vlogen in wijde kringen boven het water,
terwijl hun veeren schitterden in de namiddagzon.
Op eenigen afstand reden electrische trams over een brug en nog verder
scheen het water der rivier saam te vloeien met de grijsblauwe lucht.
Zwijgend nam de slanke gedaante bij het venster dit alles in zich op en
toen, zich omkeerend naar het jonge meisje, dat voor den spiegel iets
aan haar toilet verschikte, sprak hij:
„Amsterdam schijnt een mooie stad te zijn. Het weinige, dat ik er op
onzen weg van het station naar hier van zag, maakt op mij een
aangenamen indruk.”
En, tot vlak bij de jonge vrouw tredend, vervolgde hij op fluisterenden
toon:
„Ik hoop, Charly, dat we spoedig vrienden zullen zijn met de
Amsterdammers en dat ons tijdelijk verblijf hier goede vruchten zal
dragen!”
Mr. Bilkens had al sprekende zijn gouden sigarettenkoker te voorschijn
gehaald en daaruit een sigaret genomen, welke hij nu aanstak.
„Arme Charly,” sprak hij, nog steeds op fluisterenden toon met een
guitig lachje, „jij zult je gedurende eenigen tijd het genot moeten
ontzeggen, je geliefde havanna’s te rooken. Een sigaret zou er nog mee
door kunnen voor mijn blonde zuster, maar......”
„Ik zal hopelijk gelegenheid te over hebben om zoo af en toe te kunnen
genieten van een goede sigaar, Edward,” viel de ander hem eveneens
lachend in de rede.
„Wacht maar, ’s avonds, als ik eindelijk mijn elegante japonnen kan
verwisselen voor een gemakkelijk huisjasje, als ik mijn blonde
lokkenpracht af kan leggen....”
Hoofdschuddend, maar met een schalksche uitdrukking in de donkere oogen
keek Lord Lister zijn vriend aan.
„Blijf de grootste voorzichtigheid in acht nemen, mijn jongen, en speel
je rol even uitstekend als je dit reeds zoo herhaalde malen deedt.
En nu, lieve May,” vervolgde hij op luider toon, nu een bescheiden
tikken op de deur de komst van den kellner verkondigde, „laten wij ons,
voordat wij aan tafel gaan nog eerst wat gaan verfrisschen. Wij hebben
dat wel noodig na de vrij lange reis.”
Een half uur later zaten Lord Edward Lister, alias John C. Raffles,
alias Mr. Georges Bilkens, en zijn vriend Charly Brand, in hun salon in
het Amstelhotel aan een goed verzorgd diner. Den vorigen avond waren
zij uit Londen te Vlissingen aangekomen en hadden zich onmiddellijk
naar Amsterdam begeven, waar zij wilden trachten licht te brengen in
den geheimzinnigen diefstal van de familiejuweelen der familie
Doorneveld van Oudenhoven.
Raffles’ plan was om reeds den volgenden dag kennis te maken met den
bankier Steenbergen, in wien huis zich het drama had afgespeeld. — —
De maaltijd van de beide vrienden was afgeloopen. De kellner had de
koffie en likeuren voor hen neergezet en het vertrek verlaten.
Lord Lister leunde achterover in een der wijde fauteuils, het eene been
over het andere geslagen en peinzend kijkende naar de asch van zijn
sigaret.
Charly bladerde in een keurig ingebonden jaargang van Elsevier’s
Maandschrift en las met het grootste gemak de onderschriften der
platen.
Hij voelde zich niet behaaglijk in de nauwsluitende vrouwenkleeren,
maar ter wille van zijn vriend en van het goede doel, dat zij beoogden,
getroostte hij zich gaarne deze kleine ongemakken.
De electrische lampen verspreidden een aangenaam licht in de deftig
ingerichte hotelkamer.
Zware fluweelen gordijnen hingen voor de ramen en een kostbaar tapijt
bedekte den vloer. Men had een der rijkste salons gereserveerd voor den
New-Yorkschen multi-millionnair en diens zuster, Amerikanen, die, naar
Raffles den directeur van het hotel had medegedeeld, zelf van
Hollandsche origine waren en die de taal hunner ouders en grootouders
evengoed spraken als het Engelsch.
Miss May Bilkens sloeg het geïllustreerde tijdschrift dicht, dronk haar
kopje leeg en vroeg:
„Hoe zou je er over denken, Edward, als we vanavond nog eens een kijkje
in onze nieuwe woonplaats gingen nemen?”
Lord Lister wierp zijn half opgerookte sigaret in het aschbakje en
antwoordde:
„Ik wilde je juist voorstellen, om vanavond niet meer uit te gaan.
Laten we liever nog een uurtje in de conversatiezaal doorbrengen en
tijdig onze slaapvertrekken opzoeken.
Ik wilde morgenochtend reeds vroeg een bezoek brengen bij bankier
Steenbergen en nu nog een kleine studie maken van den plattegrond van
Amsterdam.”
Samen verlieten zij hun kamer en begaven zich naar de gezellig
ingerichte conversatiezalen van het groote hotel aan den Amstel, waar
menige bewonderende blik gevestigd werd op het mooie jonge meisje, dat
aan den arm van haar broer, den schatrijken Amerikaan, binnentrad.
Het was nauwelijks halftien den volgenden morgen, toen een klerk van
bankier Steenbergen dezen in zijn particulier kantoor een visitekaartje
overhandigde, waarop deze niets anders las dan „Georges Bilkens, New
York”.
Eenige oogenblikken later trad een vreemdeling het kantoor van den
bankier binnen.
Deze bood zijn bezoeker een stoel aan en vroeg in het Engelsch, terwijl
hij met zijn groote blauwe oogen den slanken heer kalm opnam:
„Wat verschaft mij de eer van uw bezoek, mr. Bilkens?”
In onberispelijk Hollandsch, waaraan bijna het vreemde accent niet te
bespeuren was, antwoordde Raffles:
„Ik woon te New York en ben op mijn doorreis naar Berlijn.
Hoelang mijn verblijf te Amsterdam zal duren, weet ik nog niet. Daar ik
echter een vrij aanzienlijk bedrag bij mij heb, wenschte ik dit
tijdelijk op uw bank te deponeeren.”
Al sprekende had Lord Lister met zijn scherpen blik het uiterlijk van
den bankier bestudeerd. En bliksemsnel ging het door zijn hersens:
„Neen, dit is geen misdadiger!
Deze man met dat hooge, edele voorhoofd, het regelmatige, fijnbesneden
gelaat en de eerlijke, oprechte blik is op en top een gentleman.
Die klare oogen liegen niet!
Op dezen man drukt niet het stempel, dat hij zijn vriend zou hebben
geruïneerd en diens dood op zijn geweten zou hebben......”
Toen de beide heeren hun zaken hadden afgedaan, vertelde Raffles den
bankier van zijn plan om eens iets meer van Nederland, het land zijner
ouders en voorouders, het land, welks taal hij zoo goed meester was, te
leeren kennen.
Hij vertelde, dat dit zijn eerste bezoek was aan Amsterdam en dat hij
en zijn zuster, met wie hij zijn intrek had genomen in het Amstelhotel,
vol belangstelling waren voor de zeden en gewoonten van het volk, welks
bloed ook door hun aderen stroomde.
Bankier Steenbergen had aandachtig naar de mededeelingen van zijn
nieuwen cliënt geluisterd en antwoordde, toen deze zweeg:
„Wanneer ik u en uwe zuster in eenig opzicht van dienst kan zijn, dan
zal het mij genoegen doen, indien u van mijn diensten gebruik wilt
maken.
Beschik gerust over mij!
Voorloopig zal het mij en zeker ook mijn vrouw hoogst aangenaam zijn,
als gij ons de eer wilt aandoen, morgen met uw zuster het middagmaal
bij ons te komen gebruiken. Wij kunnen u dan misschien behulpzaam zijn
bij het maken van plannen omtrent uitstapjes hier in de omgeving, want
voor den vreemdeling biedt Holland veel bezienswaardigs.”
Raffles dankte den bankier voor diens groote welwillendheid en nam de
uitnoodiging voor zijn zuster en hem gaarne aan.
Dien dag besteedde hij verder door met Charly Brand, alias Miss May
Bilkens, eenige merkwaardigheden van Neerland’s hoofdstad te gaan
bezichtigen.
Uren brachten zij zoek in het Rijksmuseum en de meesterwerken onzer
groote kunstenaars brachten vooral Lord Lister, wiens artistieke smaak
zeer ontwikkeld was, in verrukking.
Maar Amsterdam zelf, met zijn typische, sierlijk gebogen Heeren- en
Keizersgrachten, zijn schilderachtige stadsgezichten en, in het oude
gedeelte, zijn opmerkelijken huizenbouw, boeide hem.
Deze stad, die in haar hart het karakter van vroeger bleef bewaren, die
haar eigenaardig oud-Hollandsch uiterlijk niet geheel heeft verloren,
trok hem aan met onweerstaanbare kracht.
Nergens nog, op geen enkele zijner vele reizen, had hij ze
aangetroffen, die smalle hooge huizen, zwaar zich verheffende op de
fundeeringen en als het ware elkander steunende en schragende,—de hooge
steenen stoepen beneden en de karakteristieke topgevels, die grillig
gebogen lijnen vormen—het oud-Hollandsche, dat den landgenoot aantrekt
en den vreemdeling boeit.
Den volgenden dag bezochten zij het merkwaardige Noord-Hollandsche
eiland Marken, waar de oude zeden en gewoonten, de huiselijke
inrichting en kleederdracht der vaderen zoo trouw zijn bewaard
gebleven.
Die mannen in hun wijden broek, niet veel verder dan tot de knieën
reikende; die vrouwen en meisjes met de wijde rokken, de kleurrijke
jakjes en de bolle mutsen met loshangende haarkrullen aan
weerszijden... zij passen zoo wonderwel in die ouderwetsche, hoogst
eigenaardige omgeving!
Raffles en zijn vriend waren hoogst voldaan over al wat zij in die twee
dagen van Holland hadden gezien en vol geestdrift bespraken zij dien
avond, toen zij in de gezellige eetkamer van bankier Steenbergen zaten,
al het bezienswaardige, dat hun oog zoo had geboeid.
Behalve Mr. Bilkens en diens zuster waren dien dag een goede kennis van
den bankier met vrouw en dochter te dineeren gevraagd.
Het was een kleine, corpulente heer, in wiens appelronde hoofd een paar
kleine spleetoogjes zich onrustig heen en weer bewogen en wiens lange,
spitse neus scherp vooruitstak boven zijn dunne, roode snor.
Hij was aan Raffles en Charly Brand voorgesteld als de heer Willem
Massaar, rentenier.
Zijn echtgenoote, een groote, niet onknappe vrouw met onbeduidend
uiterlijk en burgerlijke manieren, zat aan Raffles’ rechterhand,
terwijl het jonge meisje, dat veel op haar moeder geleek, maar den
spitsen neus van haar vader had geërfd, een plaats naast Miss May had
gekregen.
Charly was in druk gesprek gewikkeld met het jonge meisje, dat niet
veel ouder dan achttien jaar kon zijn en dat nu reeds dweepte met de
mooie Amerikaansche dame, die reeds zooveel van de wereld had gezien.
Zij bewonderde luid het prachtige blonde haar en de kostbare avondjapon
van miss May en, toen zij aan een van Charly’s gevulde, blanke polsen
een kostbaren gouden armband, bezet met diamanten, ontdekte, moesten
ook de andere leden van het gezelschap dit kleinood van groote waarde
bewonderen.
De armband, die inderdaad buitengewoon mooi en kostbaar was, was eenige
oogenblikken het onderwerp van het gesprek.
Het ontging Raffles niet, dat de vader van het jonge meisje als met
kennersblik het sieraad taxeerde, maar tevens zag hij, hoe over het
voorhoofd van den gastheer een wolk scheen te trekken en zijn blik
somber werd.
De bankier schonk slechts weinig aandacht aan den armband—zijn blik
staarde een oogenblik als afwezig voor zich uit en met zachte stem
sprak hij:
„Mij kan het zien van juweelen geen vreugde meer verschaffen!
Integendeel!
Sinds een geheimzinnige juweelendiefstal, nu ruim drie jaar geleden
onder mijn dak werd gepleegd—nadat ik mijn vriend, die ten gevolge van
dien diefstal plotseling werd geruïneerd, dood in mijn armen hield,
getroffen door een hartverlamming, ten gevolge van den schrik......
sinds dien dag roepen diamanten en juweelen in mij steeds bitter
droevige herinneringen op.
Maar,” vervolgde hij, terwijl hij met de fijne, welverzorgde hand door
de reeds grijzende haren streek, „ik wil mij nu niet door mijn gevoel
en door de herinnering laten meeslepen!
Kom, vergeeft het mij, mijne vrienden,—ik ben een slecht gastheer...
laat ons over iets anders spreken!”
„Hebben alle nasporingen van politie en justitie niets gegeven? Is er
nooit eenige spoor van den misdadiger ontdekt?” vroeg Raffles, zich tot
den gastheer wendend.
„Ik herinner mij flauw, krantenartikelen over dat geval gelezen te
hebben, maar de bijzonderheden schieten mij niet meer te binnen.”
„Ik weet het nog, alsof het pas gisteren was gebeurd,” riep nu de heer
Massaar op luiden toon uit.
„Geheel Nederland was er vol van, allerlei gissingen werden
uitgesproken, maar het is met deze misdaad gegaan als met zoovele
andere: als er eenige tijd verstreken is, bloeden de gesprekken erover
dood, het leven biedt zooveel merkwaardigs op allerlei gebied, dat men
zijn aandacht niet al te lang op hetzelfde punt kan bepalen.
En hier is iets vóór te zeggen!
Wanneer de een of andere misdadiger, op welk gebied hij dan ook een
misdaad pleegde, zijn werk zóó handig heeft volbracht, dat alle
mogelijke nasporingen vruchteloos blijven, verdient hij, dunkt mij, dat
hij ongestraft kan genieten van het zich toegeëigende.”
Een oogenblik zwegen allen.
Niemand had blijkbaar lust om te antwoorden op de eigenaardige
theorieën van den kleinen, dikken heer met de onrustige oogen en de nu
hoogroode kleur.
Achterovergeleund in zijn wijden stoel, wierp Raffles een scherpen,
onderzoekenden blik op hem.
Toen stak hij als achteloos zijn hand uit naar net porceleinen kopje,
dat dichtbij hem op tafel stond en dronk het met kleine, langzame
teugen leeg.
Het gesprek liep verder nog eenigen tijd over verschillende
onderwerpen.
Vol geestdrift vertelde Dora Massaar het Amerikaansche meisje van een
groot bloemenfeest, dat binnen eenige dagen in Amsterdam gehouden zou
worden en waaraan ook zij zou mogen deelnemen.
„Waar zal dat feest plaats vinden?” informeerde Raffles, die het
verhaal van Dora Massaar had gevolgd, vol belangstelling.
„In het Concertgebouw, dat leent er zich uitstekend toe,” antwoordde de
opgewonden jonge dame.
„O, u moest eens zien, Miss Bilkens, wat een beeldig toiletje mama voor
mij heeft uitgezocht.
Ik zou graag willen, dat u met ons mee kondt gaan, maar ik weet niet of
papa...”
„Mag ik u en uwe zuster introducties voor dat feest bezorgen?” wendde
zich nu bankier Steenbergen tot Lord Lister.
„Het zal voor u beiden misschien interessant zijn, zulk een Hollandsch
feest bij te wonen. Bovendien,” en hij keek met een vriendelijken
glimlach naar den knappen Amerikaan, „bovendien zijn de Amsterdamsche
jonge dames zulk een bezoek overwaard.”
Lord Lister en Charly Brand betuigden zich beide zeer ingenomen met dit
voorstel en toen eenigen tijd later een huisknecht de auto van den heer
en mevrouw Massaar aankondigde, nam men afscheid van elkaar in het
vooruitzicht, op het bloemenfeest in het Concertgebouw de kennismaking
te zullen hervatten.
Mr. Georges Bilkens en zijn blonde zuster bleven nog een oogenblikje
zitten, daar zij hun auto iets later hadden besteld.
Ongemerkt bracht Raffles het gesprek terug op de zooeven vertrokken
gasten en de bankier vertelde, dat de heer Massaar eerst sinds eenige
jaren zoo gefortuneerd was.
Hij had vroeger een bescheiden betrekking bekleed aan een der
Amsterdamsche bankhuizen. Toen had hij plotseling een groot fortuin
geërfd van een verren bloedverwant in Australië.
Nu bewoonde de familie Massaar een prachtige villa in het
Museumkwartier, hield eigen auto en de eenige dochter gold voor een der
rijkste erfdochters van Amsterdam.
Aandachtig had Lord Lister naar de mededeelingen van den bankier
geluisterd.
Af en toe was een bijna onmerkbare glimlach op zijn gelaat verschenen,
doch hij had geen opmerkingen gemaakt en ook geen verdere vragen
gedaan.
Het was bijna elf uur, toen de Amerikaan en zijn zuster afscheid namen
van bankier Steenbergen en diens echtgenoote, die beide hun gasten
vergezelden tot in de helder verlichte vestibule van het statige
heerenhuis.
De auto bracht hen pijlsnel naar hun hotel terug.
In hun eigen kamers teruggekomen, haastte Charly zich om zijn elegant
avondtoilet te verwisselen voor een ruime, gemakkelijke kamerjapon.
Met een zucht van verlichting liet hij zich op den divan neervallen en
met innig genot stak hij een geurige havanna op.
Lord Lister liep eenige keeren zwijgend heen en weer in de ruime salon,
af en toe zachtjes tusschen de tanden fluitend.
Hij had de handen op den rug gevouwen en zijn slanke gestalte scheen
nog rijziger te zijn dan anders.
Plotseling bleef hij vlak voor Charly staan, die in zalig nietsdoen
genoot van den geur van zijn sigaar en, terwijl hij zijn vriend de hand
op den schouder legde, sprak hij:
„Mijn jongen, ik geloof, dat ik het wild ruik!”
„En ik geloof, dat jij gek bent!” was alles, wat Charly antwoordde.