„Mag ik u mijn vriend en secretaris, de heer Wilson, voorstellen? Ik
ben baron Brand!” sprak Raffles den volgenden Woensdagmiddag, toen hij
in de huiskamer van Mevrouw Doorneveld stond tegenover haar en Betty.
„En dit”, liet hij er onmiddellijk op volgen met de gemakkelijkheid,
die den volmaakten gentleman eigen is, en hij boog voor Betty, „dit is
zeker onze toekomstige leerares in die taal vol harde g’s en andere
keelgeluiden?”
De dames lachten en ook Charly Brand kon nauwelijks zijn vroolijkheid
bedwingen.
„O, wacht even”, vervolgde Raffles op denzelfden ongedwongen toon, „u
moet niet denken, dat ik nog in ’t geheel geen Hollandsch ken, en hij
ratelde achter elkaar met den zotsten tongval en de gekste uitspraak:
„Klompen... molen... kaas... gracht... Wilt u nog meer?... Ik hoop
alleen maar, dat de freule héél streng zal zijn!”
Betty bloosde en lachend nam het viertal plaats om de gezellige
theetafel. Mevrouw vulde de fijne porceleinen kopjes en aldra ontspon
zich een levendig gesprek over Holland, zijn bewoners, zeden en
gewoonten, want Mevrouw Doorneveld en haar dochter konden zich in het
Engelsch even gemakkelijk uitdrukken als in haar moedertaal.
„U hebt in Amsterdam gewoond?” wendde Charly zich meer speciaal tot
Betty, die hij reeds eenige oogenblikken vol bewondering van terzijde
had aangekeken, „daar bestaan niet die duistere holen vol misdaad en
geheimzinnigheid, zooals wij die in Londen aantreffen en waarvan ook
Parijs zijn deel heeft!”
„Neen, bij ons worden betrekkelijk weinig misdaden gepleegd”, mengde
zich de barones in het gesprek, „maar daartegenover staat, dat ook vele
onontdekt blijven.”
Snel keek Raffles op.
Reeds bij het lezen van Betty’s volledige onderteekening was het door
zijn scherpzinnig brein geflitst, dat hij enkele jaren geleden in de
Londensche bladen lange artikelen had gelezen over een onontdekt
gebleven, aanzienlijken juweelendiefstal en dat de naam Doorneveld van
Oudenhoven in verband stond met deze misdaad.
Zou het misschien...?
Maar neen, dat kon hij toch niet doen... of toch... waarom ook niet...
daarin school toch niet de minste aanleiding voor deze dames om in hem
den gentleman-dief te vermoeden...
Charly onderhield zich oogenblikkelijk allergezelligst met de beide
dames en het viel geen van allen op, dat lord Lister zijn beide
gastvrouwen met scherpen blik opnam en voor zichzelven tot de
overtuiging kwam, dat dit tweetal inderdaad tot de allerhoogste kringen
moest hebben behoord.
Maar Raffles was geen man van langdurige aarzelingen en
besluiteloosheid.
Juist verhief de barones zich van haar stoel om nog eens de kopjes met
de geurige thee te vullen en dit was voor lord Lister een gereede
aanleiding om te vragen:
„Was het een uwer familieleden, die indertijd het slachtoffer werd van
den reusachtigen juweelendiefstal, waarvan geheel Europa gewaagde en
die tot heden helaas nooit is opgehelderd?”
Een pijnlijke trek verscheen op het gelaat der barones, die doodsbleek
werd, terwijl haar handen zoo beefden, dat het zilveren lepeltje van
het schoteltje viel.
Betty sprong op en ook Raffles beijverde zich om de barones behulpzaam
te zijn, weer in haar leunstoel plaats te nemen.
„Ik wist niet,” begon hij, „dat ik zulk een pijnlijke snaar aanroerde
en ik vraag u vergiffenis voor mijn groote onhandigheid en
onbescheidenheid tevens.”
„Neen,” sprak de grijze dame, „hier is van geen onhandigheid sprake.
Maar uw vraag heeft mij getroffen en u bent bovendien de eerste, die na
jaren dit onderwerp aanroert. Ja, inderdaad, dat was een ontzettende
gebeurtenis, die mijn man het leven kostte... die mij en mijn dochter
ruïneerde......”
„Dus uzelve? U?......”
„Ja!”
Een oogenblik van diepe stilte volgde en toen ham barones Doorneveld
het woord:
„Misschien komt het, omdat u de eerste zijt, die mij over deze
noodlottige gebeurtenis spreekt; misschien ook zijn het de
persoonlijkheden van u en uw vriend, die mij ertoe drijft, openlijk met
u te spreken en u de geschiedenis te verhalen van ons noodlot. Wilt ge
luisteren?”
„Niets liever dan dat!” sprak Raffles en Charly Brand boog toestemmend.
Meer dan een uur werd alleen de zachte stem van Mevrouw van Doorneveld
van Oudenhoven vernomen.
De thee in de kopjes werd koud, Charly vergat zelfs af en toe met een
blik vol bewondering naar het elegante jonge meisje te kijken en de
fijne trekken van Raffles gelaat spanden zich hoe langer hoe meer....
„En hier,” besloot eindelijk barones Elisabeth haar geschiedenis en zij
haalde aan een fijn gouden kettinkje uit haar beurs een ring te
voorschijn, „hier is het eenige voorwerp, dat aanwijzing zou kunnen
geven tot opsporing van hem of haar, die dit enorme waagstuk heeft
durven bestaan.”
„Mag ik dien zegelring eens zien?” vroeg Raffles.
„Met genoegen!”
En mevrouw Doorneveld overhandigde hem den ring, welken Raffles gretig
aannam en met langdurigen blik bekeek, terwijl zijn gedachten vlogen.
Even keek hij toen zijn vriend aan met een blik van verstandhouding,
dien Charly onmiddellijk scheen te begrijpen, want bijna onmerkbaar
knikte hij toestemmend tot den Grooten Onbekende, zooals lord Lister,
alias John C. Raffles, in Engeland werd geheeten.
Raffles overhandigde barones Doorneveld het geheimzinnige kleinood en
sprak toen tot haar en haar dochter de volgende merkwaardige woorden:
„Dames! U kent mij niet en desondanks hebt ge mij uw volle vertrouwen
geschonken, waardoor ik u heb leeren kennen. Mag ik van mijn kant dit
vertrouwen beantwoorden door u eveneens deelgenoot te maken van mijn
levensgeschiedenis, zooals die aan niemand dan aan mijn vriend en mij
bekend is?
Luistert!
Ik ben niet baron Brand en mijn vriend heet niet Mr. Wilson. Laat ik
met hem beginnen. Hij is Charly Brand geheeten, doet dienst als mijn
geheimsecretaris en is bij mijn verschillende ondernemingen mijn
rechterhand.
Ik zelf heet John C. Raffles......”
......„de Groote Onbekende, de gentleman-dief?” viel Betty uit. „O,
maar dan heb ik verleden week nog van u gehoord in de salons van
lady Wettington! Lady Aberdeen had verbazenden schik omdat u dien
Baxter van Scotland Yard weer zoo voor den gek hadt gehouden!”
De barones echter fronste even de wenkbrauwen en deelde niet in de
uitbundige vroolijkheid van haar dochter.
Raffles hoorde het een en zag het andere.
„Ik ben,” vervolgde hij, „van adellijken bloede, Lord Vincent Lister
was mijn vader, mijn naam is lord Edward Lister.”
En nu vertelde hij op zijn beurt het geheele verhaal van zijn leven,
hoe hij was opgevoed als erfgenaam van een aanzienlijk vermogen en
uitgestrekte bezittingen, hoe zijn vader door slechte familieleden op
schurkachtige wijze was bestolen en bedrogen, zoodat hun have en goed
ontvielen en niets dan de adellijke naam hun eigendom bleef.
Hoe hij zichzelf een duren eed had gezworen afstand te zullen doen van
dien adellijken titel en zijn leven voortaan te zullen wijden aan het
ontmaskeren van schurken, het verdedigen der onschuld en het straffen
der misdadigers uit de voorname kringen.
En toen hij had uitgesproken en zijn oogen, die tintelden van
geestdrift, sloeg op het gelaat der oude dame, ontmoette hij een blik
vol sympathie en hartelijke deelneming.
„Wij zijn kameraden in de ellende!” sprak de oude dame op ontroerden
toon, terwijl zij hem over de tafel haar fijne, blanke hand toestak,
die Raffles met warmte drukte.
„Laat ons voortaan vrienden zijn!”
„Ja, maar onder voorwaarde, dat ik uw zaak tot de mijne mag maken! Wilt
gij mij dezen ring toevertrouwen? Wilt gij mij voor uwe zaak laten
optreden?”
„Dat moogt ge, maar hoe? Gij zijt de Nederlandsche taal niet machtig,
gij kunt niet doordringen tot in die fijne, kleine geheimzinnigheden,
die verbonden moeten zijn met deze vreeselijke misdaad.”
„Daarom wil ik u een voorstel doen. Laat mij en mijn vriend voor eenige
maanden onzen intrek nemen onder uw dak. De voortdurende omgang met u
en uw dochter zullen ons binnen zeer korten tijd volkomen op de hoogte
brengen met de finesses van de Nederlandsche taal. Dit is de eenige
manier om zoo spoedig mogelijk het zoo moeilijke Nederlandsch machtig
te worden.
Ik hoop, dat u dit voorstel zult willen accepteeren en dat ge u een
beetje moeite zult willen getroosten om uw beide leerlingen voort te
helpen.”
Een oogenblik dacht de barones na.
„Ik kan u slechts danken voor dit edelmoedig aanbod, lord Lister,”
sprak zij. „Als gij en uw vriend tevreden wilt zijn met mijn eenvoudige
kamer, die tot uw dienst staat, zal ik zeer gaarne op uw voorstel
ingaan.”
„Ik stel mij voor,” antwoordde Raffles, „want ik ben een man van de
daad, om morgenmiddag omstreeks twaalf uur uit Regentstreet naar hier
te vertrekken en dan stel ik mij verder voor om door drukke conversatie
en ijverig studeeren in den tijd van rond drie maanden uwe moedertaal
volkomen meester te zijn. Dit moet! En dan houdt al het andere bij mij
op.
In Januari vertrek ik met mijn secretaris naar Nederland. Onder welke
omstandigheden en onder welke vermomming wij dat zullen doen, weet ik
nog niet! Dat is bovendien een quaestie van later zorg. Voorloopig kan
ik mij slechts met de vraag bezighouden, hoe wij het spoedigst op
end’op Hollanders kunnen worden: Hollanders naar de uitspraak en
Hollanders naar voorkomen en manieren.”
Wat op dezen Octobermiddag in het huis in Bakerstreet, waarvan de
barones en haar dochter een der étages bewoonden, door het boven
beschreven viertal werd besproken, werd al spoedig bewaarheid.
Geen 24 uren nadat de belangrijke gesprekken gevoerd waren, hadden John
C. Raffles en Charly Brand de sierlijke villa in Regentstreet verlaten
en voor „onbepaalden tijd” hun intrek genomen in de veel eenvoudiger
Bakerstreet.
En nu begon de studie!
Ook hier bleek weer, welk een wilskracht de Groote Onbekende kon
ontwikkelen, van hoe onverdroten ijver en werkzaamheid hij was, als het
er op aankwam, een doel na te jagen, een edel doel!
En Charly!
Ook hij was bezield met zulk een onvermoeiden studie-geest, dat reeds
na een week bleek, hoe bevattelijk de beide heeren waren.
Ze spraken reeds gebroken zinnetjes van de Nederlandsche taal en ze
begonnen er al schik in te krijgen, toen ze zich zóó verstaanbaar
konden maken, dat mevrouw Doorneveld haar bewondering uitte.
„Maar u behoeft lang geen drie maanden te studeeren,” zei ze.
En ook Betty meende, dat de heeren wel véél sneller „dat rare taaltje
met de harde g’s en de andere keelgeluiden” zouden machtig zijn.
„Neen, neen,” bracht lord Lister er dan tegen in, „geen quaestie van!
Wij blijven drie maanden onder uw leiding, want wij moeten uw taal
volkomen machtig zijn!”
Drie maanden bleven Raffles en zijn onafscheidelijke geheimsecretaris
Charly Brand bij barones Elisabeth Doorneveld van Oudenhoven en haar
dochter vertoeven. Veel werd er gesproken over de plannen der toekomst
en iederen dag weer werden de heeren op de hoogte gebracht van de
Hollandsche zeden en gebruiken en van de geheimen der Nederlandsche
taal!
Op een kouden dag in Januari, toen Londen zwart zag van de vale mist en
den ganschen dag de electrische lichten hun rossig schijnsel door de
dichte nevels boorden; den zestienden van Louwmaand vertrokken lord
Edward Lister en Charly Brand met de boot naar Holland.
De Groote Onbekende droeg aan een gouden koord een zegelring met
groenen steen om den hals.
In dien steen waren een slang en een arend gegraveerd......