LIEFDE.

Het was weder avond. Wij zaten op den zachten berg, rustig vertrouwd

in de groote stilte van den plechtigen tijd. De bergen ver om ons

lagen deemoedig in devotie, als roerloos neergeknield onder den hemel,

onder de langzaam dalende zegening van den nacht. De eenzame boomen,

hier en daar langs heuvelen, stonden onbewegelijk te wachten, in

vrome aandacht. De zee ruischte vaag en onbestemd, verloren in hare

eigen grootheid. Er was vrede in de lucht, en geluiden droomden op

als van gebed.

De Wijze was statig als een boom in de natuur, en hij was eerwaardig

als de avond zelf.

Ik was gekomen om hem weêr te vragen. Want mijne ziel kon niet

rusten als ik niet bij hem was, en er was beroering in mij van groot

geweld. Nu ik naast hem zat durfde ik bijna niet spreken. Het leek mij

of het niet meer noodig was, of alles al van-zelf was geopenbaard. Was

alles niet goed en eenvoudig in dezen avond, was het niet mijne

eigen essence die ik zag in de schoonheid om mij heen, en ging het

nu niet alles verdroomen in het eindeloos?--Maar ik verbrak het,

en stootte met mijn stem de teêre stilte open. "Vader," zeide ik

droevig, "al uwe woorden zijn in mij en hunne geur vervult mijne

ziel. Zij is mijn oude, eigen ziel niet meer. Ik ben als gestorven

en ik weet niet wat er toch in mij gebeurt, elken dag, elken nacht,

dat ik zoo lucht word en zoo leeg van binnen. Vader, ik weet het,

het is Tao, het is het sterven en heerlijk weer herrijzen, maar het

is geen Liefde, en zonder Liefde lijkt mij Tao een duistere Leugen."

De oude zag om zich heen in den avond en lachte zacht.

"Wat is dan Liefde?" vroeg hij mij kalm. "Weet gij dat wel

goed?"--"Neen, ik weet het niet goed," antwoordde ik. "Ik weet

het in 't geheel niet, maar daarom is het juist van zoo'n groote

zaligheid. Ja, laat ik het maar zeggen, ik bedoel liefde voor eene

maagd, voor eene vrouw. Nog weet ik wat het was, Vader, toen ik de

Maagd zag en voor het eerst mijne ziel zich verroerde. Het was als

een zee, als een groote hemel, als de dood. Het was het Licht en ik

was blind geweest. Het deed pijn, vader, mijn hart klopte zoo en mijne

oogen brandden. De wereld was een vuur, en alle dingen waren vreemd,

en begonnen te leven. Er was een groote vlam, die uitsloeg in mijne

ziel. Het was zoo bang en zoo lief, maar zoo eindeloos groot. Vader,

ik geloof dat het grooter was dan Tao."

"Ik weet wel wat het was," zeide de Wijze. "Het was de Schoonheid,

de Vorm van den vormeloozen Tao op aarde, die in u het rhythme in

beweging riep, op welk gij tot Tao zult ingaan. Gij hadt dit ook

kunnen gevoelen door het zien van een boom, van een wolk, van een

bloem. Maar omdat gij een mensch zijt, die van passie leeft, kon

het u alleen door een ander mensch, eene Vrouw, geopenbaard worden,

ook omdat gij dezen vorm gemakkelijker begrijpt, en hij u vertrouwder

is. En omdat de passie de zuivere contemplatie overheerschte, werd

uw rhythme opgedreven tot een wild gestorm, als van een woeste zee,

die niet weet waar zij heengaat. Het essentiëele van de geheele emotie

was niet Liefde, maar Tao."

Maar de kalmte van den ouden man maakte mij koortsig, en wond mij op

tot een wreed antwoord.

"Gij kunt dit zeer prachtig zeggen in theorie, maar omdat gij het

nooit gevoeld hebt, weet gij niet waar gij eigenlijk over spreekt."

Hij zag mij aan met een vasten blik, en legde medelijdend de hand op

mijnen schouder.

"Gij zoudt wreed zijn, jonge man, als gij tegen een ander spraakt. Ik

heb liefgehad vóór gij ademde op deze wereld. Toen leefde er eene

maagd, zoo wonder om te zien, alsof zij de Vorm was zóó uit Tao

geboren. Ik dacht dat zij de wereld was, en de wereld was dood om

haar heen. Ik zag niets dan háár, en er waren geen boomen, geen

menschen, geen wolken. Zij was schooner dan deze avond, zachter dan

die lijnen, die daar droomen om de bergen, teêrder dan die fijne,

wachtende kruinen der boomen, en haar licht was zaliger om te voelen

dan het licht van gindsche ster. Ik zal u niet zeggen, wat er gebeurd

is. Het was feller dan een hel, maar onreëel, en het is nu voorbij

als een storm. Ik dacht dat ik sterven zou, ik wilde vluchten voor

mijn smart in den dood. Maar een dageraad is gekomen over mijn ziel,

en alles werd licht en vertrouwd. Er was niets verloren. Alles was

nog als vroeger. De schoonheid, die ik niet voor mij dacht, leefde

nog even smetteloos in mij. Want niet van die vrouw, van mijne ziel

was die schoonheid geweest. En ik zag die overal glanzen op de wereld,

in onsterfelijken gloed. De natuur was niets anders dan wat ik die vage

verschijning van eene vrouw had gedacht. En mijne ziel was één met de

natuur en zweefde op denzelfden rhythmus den eindeloozen Tao tegemoet."

Ik zeide, door zijne kalmte kalm: "Zij, die ik liefhad, is gestorven,

Vader, en zij is nooit mijne vrouw geweest, die mijn ziel heeft geknakt

als een kind een bloem. Maar ik heb nu eene vrouw, een wonder van

sterke goedheid, een vrouw mij vertrouwd als het licht en de lucht. Ik

heb haar niet lief, zooals ik nu nog mijn arme doode liefheb. Maar

ik weet dat zij reiner mensch is dan die andere. Hoe komt het dan,

dat ik haar niet liefheb? Zij heeft mijn droeve, wilde leven tot een

zachten rustigen gang gemaakt naar den dood. Zij is simpel en waar

als de natuur, en haar gezicht is mij lief als het zonlicht."

"Gij hebt haar wèl lief," sprak de Wijze, "maar gij weet niet wat

Liefde en liefhebben is. Ik zal het u zeggen. Liefde is niets anders

dan het Rhythme van Tao. Ik heb u gezegd, uit Tao zijt gij gekomen,

tot Tao zult gij wederkeeren. Als gij jong zijt en het om uwe ziel nog

duister is, en gij voelt den schok van de eerste beweging, dan weet

gij niet waar gij heen gaat. Gij ziet de Vrouw voor u. Gij denkt dat

het de Vrouw is, waarheen het Rhythme u drijft. Maar als gij die Vrouw

hebt genomen, en uw lichaam tegen het hare heeft gebeefd, voelt gij

toch het Rhythme onverbiddelijk in u, en gij weet, dat gij verder

moet, altijd verder en verder, om het stil te doen zijn. Dan komt

er eene groote droefheid in de zielen der twee menschen, en zij zien

elkander vragend aan, waar zij nu heen zullen gaan. Zacht vouwen zij

dan hand aan hand, en door hetzelfde Rhythme bewogen zullen zij gaan

door het leven naar hetzelfde doel. Noem dit Liefde als gij wilt,

wat is een naam? Ik noem het Tao. En de zielen van gelieven zijn

als twee witte wolkjes, zacht voortdrijvend naast elkander, die,

door denzelfden wind bewogen, in het eindeloos hemelblauw verdwijnen."

"Maar dit is niet de Liefde," zeide ik, "die ik bedoel. Liefde is

niet verlangen om de liefste naar Tao te zien verdroomen. Liefde is

verlangen om altijd bij haar te zijn, zielsbegeerte om twee zielen

samen één te doen zijn, lijfsverlangen om op één adem in zaligheid

op te gaan. Maar altijd met de liefste alléén, niet met anderen,

niet met de natuur. En als ik in Tao kon vergaan zou al dit Geluk

voor goed verloren zijn. O laat ik blijven op de goede aarde, bij het

veilig Lief, het is er zoo licht en vertrouwd, en Tao is mij nog zoo

duister en mystiek."

"Het lijfsverlangen sterft," antwoordde hij, onbewogen. "Het lichaam

van uwe Liefste zal verwelken, en vergaan in den kouden grond. De

bladeren der boomen verbleeken in den herfst, en droef neigen de

kwijnende bloemen naar de aarde. Hoe kunt gij zoo liefhebben, wat

niet eeuwig bestaat? Maar gij wéét ook niet, hoe gij lief hebt,

noch wat gij liefhebt. De schoonheid van eene vrouw is slechts een

vage weêrglans van de vormelooze schoonheid van Tao. De emotie,

die zij in u opwekt, dat verlangen om op te gaan in hare schoonheid,

dat zich-voelen-uitspreiden, waardoor uwe ziel zou willen wègzweven

in horizonnen van geluk met de Liefste, geloof mij, het is niets

anders dan het Rhythme van Tao. Gij weet het alleen maar niet. Gij

zijt nog als de rivier, die enkel hare blinkende oevers kent, en niet

beseft welke kracht haar beweegt, maar die onvermijdelijk eenmaal

zal verstroomen in den grooten oceaan. Waarom die drang naar geluk,

dat menschengeluk, dat één moment duurt, en dàn weer weg is? Chuang

Tsz' heeft het gezegd: "Het hóógste Geluk is géén geluk." Is het

niet klein en verachtelijk, dat opleven één moment in geluk, en weêr

neervallen, en weêr opstaan, dat wankelende, sukkelende willen en gaan

der menschen? Wil niet geluk van eene vrouw. Zij is de annonciatie van

Tao aan u gedaan. Zij is de zuiverste Vorm van Tao gemanifesteerd,

die in de geheele natuur bestaat. Zij is de zachte macht, die het

Rhythme in u opwekt. Maar zij zelve is een heel arm mensch, zooals gij,

en gij zijt voor haar dezelfde annonciatie, die zij voor u is. Zie

haar toch niet aan als Tao zelve, als het allerheiligste, waarin gij

zoudt willen opgaan. Gij zoudt haar verstooten als gij eindelijk

zaagt wie zij was. Als gij eene vrouw waarlijk wilt liefhebben,

heb haar dan lief als hetzelfde arme wezen dat gij ook zijt, en zoek

niet met haar geluk. Of gij het in Liefde ziet of niet, hare essence

is Tao. Een dichter ziet eene vrouw, en door het Rhythme bewogen,

aanschouwt hij de schoonheid zijner Liefste álom, in de boomen, de

bergen, en de horizonnen, want de schoonheid van de vrouw is dezelfde

als die van de natuur. Het is de vorm van Tao, het groote Vormelooze,

en wat uwe ziel verlangt in de emotie van het aanschouwen, dat vage

vreemde gevoel, het is niet anders dan het één zijn met die schoonheid,

en met de essence van die schoonheid, den Tao. En hetzelfde is wat

in uwe vrouw gebeurt. Gij zijt voor elkander de engelen, die elkaar

naar Tao geleiden, zonder het te weten."

Ik zweeg een tijd, en peinsde. Er was in de zachte kleuren en de

stilte van den avond een groote droefheid. Aan de kim scheen, waar de

zon verdwenen was, een streep vaag rood licht, als een stervende smart.

"Wat is dan toch die droefheid overal in de natuur?" vroeg

ik. "Is het niet in de schemering of heel de aarde weent van

smartelijk verlangen? Zij treurt met kwijnende kleuren, met neigende

boomenkruinen, met aandachtsvolle bergen. De menschenoogen worden van

wondere weening bevangen als het groote leed van de natuur voor hen

schemerende is. Het is wel of de natuur verlangt naar haar Lief. Het

is of alles droefheid is, de zeeën, de bergen, de wolken."

En de Wijze sprak: "Het is dezelfde smart als die, welke weent in de

harten der menschen. Uw eigen verlangen beeft ook in de natuur. Het

heimwee van den avond is het heimwee van uw ziel. Uw ziel heeft

haar Lief, den Tao verloren, waar zij eenmaal één mede was. En uw

ziel wil weder in haar Lief verdroomen. Is dit geen immense Liefde,

in Tao geheel wèg te zweven, zóó één te wezen met uw Lief, dat gij

haar eigen wezen zijt en zij het uwe, zóó eindeloos, dat geen dood

of leven uwe éénheid weer kunnen verbreken, zóó stil en rein dat gij

geen verlangen meer voelt beven in u, omdat de volmaakte zaligheid

is bereikt, en alles een gewijde, vlakke, rustige vrede is? Want Tao

is één eeuwige, zuivere ziele-oneindigheid van pure essence.

"Is dit niet reiner dan de liefde voor eene vrouw, die arme, droeve

liefde, waarin gij elken dag het reine zieleleven ziet bevlekt door

duistere, bloedige passie? Alleen als gij in Tao zijt opgegaan zijt

gij alleen voor eeuwig rein verbonden aan de ziel van uwe Liefste,

zonder ééne besmetting, en met de zielen van alle menschen, die uwe

broeders waren, en met de ziel van de natuur. En de enkele momenten

van zaligheid, die alle gelieven op aarde heel even maar voelen,

zij zijn een niets bij de eindelooze zaligheid, in welke de zielen

van àlle gelieven in elkaar verdwijnen en ééne oneindigheid worden

van allerpuurste reinheid."

Een horizon van zaligheid lichtte op voor mijne ziel, verder dan de

weifelende kimmen der zee, verder dan de hemelen.

"Vader," riep ik ontroerd, "kàn het zijn dat alles zóó heilig is, en

ik het niet heb geweten? Ik heb zoo verlangd, ik ben zoo moê geweest

van schreien, en mijn borst heeft zoo gehijgd van bang gesnik. Ik

ben ook zoo angstig geweest. Ik heb gehuiverd voor den dood. Ik heb

getwijfeld of alles wel goed kon zijn, waar ik zooveel lijden om mij

heen zag. Ik heb gedacht dat ik verdoemd was door die wilde passies,

dat lijfsverlangen, dat in mij brandde en uitsloeg, en dat ik haatte,

maar laf dienen moest. Ik heb met ademloozen angst mij bedacht hoe

ééns het bloementeeder lichaam van mijne vrouw verkwijnen moest,

en wegteeren in den kouden grond. Ik dacht, dat ik nooit meer voelen

zou die zalige rust van in hare oogen te zien, waarin haar ziel zoo

glansde. En was toen heusch, heusch altijd Tao in mij als een goede

hoeder, en was het Tao die glansde in haar oog? Was Tao in alles wat

mij omgaf, in de luchten, in de boomen, in de zee? Is de essence van

de aarde en de hemelen dan de essence van mijn Lief en van mijne

ziel? Brandt het dáarna zoo in mij van vreemd verlangen, dat ik

niet kende, en mij rusteloos voortdreef? Ik dacht dat het mij wilde

wegnemen van mijn Liefste, en ik haar nu niet meer liefhad. Maar was

het dan werkelijk het Rhythme, dat ook mijn Liefste beweegt, op welk

de gansche natuur ademt, en de zonnen en planeten lichtende door de

eindeloosheid gaan? Dan is alles gewijd, dan is in alles Tao, wat ook

mijne ziel is. O Vader, vader, het wordt zoo licht in mij. Ik geloof

dat mijn ziel reeds vermoedt wat komen zal, en ook de hemelen boven

ons, en de groote zee. Zie, hoe de boomen om ons aandachtig staan,

en zie de lijnen om de bergen in teedere devotie. De geheele natuur

beeft van heiligheid, en ook mijne ziel siddert van zaligzijn, want

zij heeft haar Liefste gezien."

Ik zat langen tijd zwijgend, in stil vergeten. Het was mij toen of

ik één was met de ziel van mijn' leermeester en met de natuur. Ik

zag niets, noch hoorde, en ik was verlangeloos, zonder wil, in diepe

rust. Ik werd wakker door een zacht geluid naast mij. Er viel een

vrucht uit den boom achter ons. Toen ik opkeek zag ik in schitterend

maanlicht. De Wijze stond naast mij, en neeg zich liefderijk tot

mij over.

"Gij hebt u veel te veel vermoeid, mijn jongen," zeide hij

bezorgd. "Het is veel te véél voor u in zoo korten tijd. Gij zijt van

afmatting in slaap gevallen. Ook de zee slaapt, zie, geen rimpeltje

breekt haar egale rust, en roerloos ontvangt zij de wijding van

het licht in haar droom. Maar gij moet wakker worden, het is laat,

uw bootje ligt klaar, en uw vrouw wacht u thuis in de stad."

Ik antwoordde, nog half droomend: "Laat ik toch hier blijven, laat ik

terugkomen met mijne vrouw, en hier altijd blijven. Ik kan nu niet meer

terug naar de menschen. O Vader, ik beef, ik zie hun schamplachend

gezicht, hunne schennende oogen, hun ongeloof, hun ontwijding. Hoe

kan ik dit wonderteere, gevoelige van mijn ziel nog dragen door het

duistere volk? Hoe zal ik het ooit goed kunnen verbergen onder lach

of woord, dat zij het niet zien en bevlekken met hun smadelijken hoon?"

Toen zeide hij ernstig, eene hand leggend op mijnen schouder: "Luister

heel goed, mijn jongen, naar wat ik u nu zeg, en vóór alles geloof

in mij. Ik zal u pijn doen, maar ik kan niet anders. Gij moet stellig

teruggaan in het leven, en onder de menschen zijn. Gij hebt hier al te

veel met mij gesproken. Ik heb u misschien al wat te veel gezegd. Gij

moet nu zelf opgroeien, en alles vinden. Als gij maar eenvoudig zijt

vindt gij alles vanzelf als een kind een bloem. Op dit oogenblik voelt

gij heel diep en zuiver wat ik u gezegd heb. Zooals gij nu zijt leeft

gij in een van de hoogste momenten van uw leven. Maar gij kunt nog

niet sterk genoeg zijn om het te dragen. Gij zult weer terugvallen,

en het ziele-voelen zal weer idee worden en theorie. Langzaam,

langzaam aan zult gij slechts zoover komen, dat het weer zuiver

gevoeld wordt, en voor altijd blijft. Als het zoover is moogt gij

gerust hier komen, en doet gij beter voor goed te blijven, maar dan

zal ik lang gestorven zijn.

"Gij moet in het leven opgroeien, niet daarbuiten, want gij zijt

nog niet rein genoeg om boven het leven te rijzen. Zooeven waart

gij zoover. Maar aanstonds komt de reactie. De menschen moogt gij

niet schuwen, zij zijn uwe gelijken, al voelen zij niet zoo zuiver

als gij. Gij kunt onder hen gaan als een makker, en hunne handen

drukken. Maar laat nooit uwe ziel aan hen zien, als zij nog te

achterlijk zijn. Zij zouden u niet bespotten uit slechtheid, maar

uit heilige overtuiging, niet bewust als zij zijn van hun ontzaglijke

misère, hunne goddeloosheid en verlatenheid van alle heilige dingen,

waar gij juist van leeft. Gij moet zóó sterk van zekerheid zijn, dat

niets u kan hinderen. Gij zult het niet worden dan na veel bitteren

strijd. Maar uit uwe tranen zal uwe kracht komen, en door smart

zult gij tot rust ingaan. Vóór alles, bedenk dat Tao, dat Poëzie,

dat Liefde één en hetzelfde is, al tracht gij het met die vage namen

te noemen, dat het altijd in en òm u is, dat het u nooit verlaat,

dat gij veilig behouden zijt in die heilige omgeving. Gij zijt met

weldaden omringd, en gij zijt verzorgd met eene liefde, die eindeloos

is. Alles is heilig door de essence van Tao die er in leeft."

Hij sprak zoo zacht en overtuigend, dat ik niets terug kon zeggen. Ik

liet mij gehoorzaam door hem leiden naar het strand.--Mijn boot lag

stil op het vlakke water te wachten.--

"Goeden dag, mijn jongen, vaarwel," zeide hij vriendelijk, met zeer

vaste stem. "Denk om alles wat ik u gezegd heb."

Maar ik kon zóó niet gaan. Opeens dacht ik er aan, hoe eenzaam hij daar

leefde, en ik voelde tranen van medelijden in mijne oogen komen. Ik

greep zijne hand.

"Vader, ga met mij mede," smeekte ik. "Mijne vrouw en ik zullen voor u

zorgen, wij zullen zoo goed voor u zijn, en als gij ziek zijt zullen

wij u verplegen. Blijf niet hier, zoo alleen, zonder liefde om van

te leven!"

Hij lachte zacht, schudde het hoofd, als een vader om een kind, en

zeide lief, maar onbewogen: "Gij zijt al weêr teruggevallen. Ziet

gij wel dat gij nog in het leven moet gaan? Ik heb u zooeven gezegd

hoe groot de Liefde is, die mij omgeeft. En gij vindt mij alleen en

verlaten. Maar ik ben zoo veilig tehuis in den Tao als een kind bij

moeder. Gij zijt heel lief, een goede jongen, maar gij moet wijzer

worden, véél wijzer. Denk niet om mij, het behoeft niet, al ben ik

heel dankbaar voor uw bezorgdheid. Denk maar vooreerst om uzelven. En

doe nu wat ik u zeg.--Geloof dat ik zeg, wat goed voor u is. Vaarwel,

in uw boot is iets voor u om u te herinneren aan uwe dagen hier."

Zwijgend boog ik mij over tot zijne hand, die ik kuste. Ik meende

haar even te voelen beven, als bewogen door ontroering, maar toen ik

hem aanzag was zijn gezicht rustig en sereen als de maan.

Ik stapte in mijn bootje, en de roeier nam de riemen.--Met vluggen

slag dreef hij mij door het vlakke water.--Ik was een eind ver, toen

mijn voet tegen iets stootte, en ik er om dacht, dat er iets voor mij

in de boot was. Ik nam het op. Het was een kistje. Haastig schoof

ik het open. En in het zacht-rustige maanlicht blonk in mystieken

glans het wondere porselein van het Kwan-Yin beeldje, hetzelfde,

dat de oude man zoo voorzichtig had bewaard, en dat hij zoo liefhad.

In statige rust van strenge, maar teedere lijnen zat de reine Kwan-Yin,

in fijn porselein, transparant als van aether gemaakt, in de glanzende

bladen van den lichten lotus.--Het blonk in den puren maneschijn als

van zuiver zielelicht.--

Ik durfde het niet gelooven, dat dit heilig ding mij was gegeven. Ik

wuifde mijn zakdoek, en mijn hand maakte gebaren om den Wijze

te danken. Hij stond roerloos aan het strand, en staarde voor zich

uit. Ik wachtte verlangend naar één wenk, één teeken, om mij nog even

lief te doen in een' groet. Maar hij bleef onbewegelijk,--

Staarde hij naar mij? Staarde hij naar de zee?.....

Ik schoof het kistje dicht, en hield het zachtjes vast naast mij,

alsof het een liefde van hem was, die ik meênam. Ik wist nu, dat

hij mij liefhad, maar zijne roerlooze kalmte was te groot voor mij,

ik voelde mij droef, dat hij niet weder gewenkt had.

Ik dreef verder en verder. Al vager werd zijne gestalte. Eindelijk

zag ik hem niet meer.

Hij bleef achter, eenzaam in de natuur, met de mijmeringen van zijn

ziel, alleen in de oneindigheid, zonder menschelijke liefde, maar

dicht aan den grooten boezem van Tao.

Ik dreef terug naar het Leven, en naar de menschen, mijne broeders

en gelijken, in wier aller zielen Tao leeft, onsterfelijk en

essentiëel. Reeds blonken de kustlichten van de haven, en het

stadsgerucht kwam vaag over de zee.

Toen voelde ik eene groote kracht in mij, en beval mijn' roeier toch

sneller te gaan. Ik was gereed. Was ik niet veilig in de stad als op

het land, in de straten als op de zee? In alles is Poëzie, is Liefde,

is Tao. En de geheele wereld is één groote heiligheid, en veilig als

een goed, sterk Huis.--

Wijsheid en Schoonheid uit China · 第 22 / 24 题