"Wat is Poëzie?" vroeg ik den Wijze.
Wij zaten boven op de rots, onder de schaduw van eene welving. Vóór
ons de zee, eene eindelooze lichtschittering in de zon. Gouden zeilen
zweefden er zacht voort. En lucht vlogen er witte meeuwen, in edele
golvingen. In den blauwen hemel kwamen groote, blanke wolken aan, puur
als sneeuw, en dreven in statige stoeten, langzaam, in gelijkmatige
beweging.
"Wat is Poëzie?"
"Het is zoo eenvoudig, zoo natuurlijk als de zee, als de vogelen,
als de wolken," zeide de Wijze. "Ik geloof niet dat gij dit zoo
moeilijk zult voelen als Tao. En gij behoeft slechts om u te zien
over de aarde en in de luchten om het te weten. Poëzie heeft bestaan
vanaf het bestaan van hemel en aarde.
[27] "Sedert hemel en aarde bestonden werd er opperste schoonheid
geboren. De zon en de maan, de wolken en de roode ochtend- en
avondnevelen beschijnen elkander. En tóch is er géén kleur die ze
verft--als gewaden--dat ze zoo wonderbaarlijk en onuitputtelijk
afwisselend zijn en het Groote-te-Ziene onder den hemel vormen.
Zoodra er geluid is, moet dat voortgekomen zijn uit beweging. Het
allergrootste hiervan is de wind en de donder. Alle openingen in
de wereld brengen geluid voort als ze bewogen worden.
"Luister maar eens naar den stroom, die in de bergen op de rotsen
voortstroomt. Wordt hij in beweging gebracht, dan beantwoordt zijn
geluid--hoog of laag, kort of lang--wel niet (precies) aan de wetten
van de muziek, maar vormt uit zich zelve een maat en rhythmus.
"Dit is het Natuurlijke (Van-Zelve) Geluid van Hemel en Aarde. Het
wordt gemaakt uit Beweging.
"Welnu, als het menschelijke hart tot het uiterste ledig, en tot het
uiterste vol geest is, en het wordt bewogen, dan komt er Geluid uit
voort. Is dit niet wonderbaarlijk en hoogst afwisselend, dat er de
Literatuur van wordt tot stand gebracht?
"Welnu, Poëzie is het Geluid van het Hart!
"Dit is toch heel eenvoudig, en gij zult het wel begrepen
hebben. Poëzie is overal te hooren en te zien, want de geheele natuur
is één groot poëet. Maar juist omdat het zoo eenvoudig is, is het ook
zoo streng en onveranderlijk. Waar de bron is van beweging, welt het
geluid van het vers. Elk ander geluid is geen poëzie. Het geluid moet
komen van-zelf,--Wu, Wei,--het moet niet met allerlei kunstgrepen
worden gemaakt. Er zijn er velen, velen, die door onnatuurlijke
actie geluid voortbrengen, maar deze zijn geen dichters, maar doen
als apen of papegaaien. Weinigen zijn de ware dichters uit wie het
vers van-zelf welt vol muziek, geweldig als de stroom bruist van de
rotsen, als het onweer geluidt in de lucht, of zacht, als het teêr
geruisch van regen in den avond, als het vage winde-wuiven van een
koeltje in zomernacht. Hoor, hoor de zee onder ons, zingt zij geen
wonder lied? Is het niet één poëem, één zuivere muziek? Ziet gij die
golven overal gaan, in eindelooze beweging, de een na de ander, en
over haar heen, en weer verder, en andere, die weêr aankomen, en weer
verdwijnen in muziek, hoort gij die ruischende rhythmen? O! Groot en
eenvoudig moet de dichter zijn, als de zee! Hij beweegt als de zee,
op de natuurlijke beweging die van Tao is, en waarop hij zich stil,
niet-zelf werkende moet laten gaan, als een kind zoo gehoorzaam. Groot,
groot is de zee. Groot, groot is de dichter. Maar grooter, grooter
is Tao, die niet groot is."
Hij zweeg en stond luisterend naar de zee. Ik zag, hoe de muziek
hem vervulde.
Ik had veel gedacht, sedert ik zijne eerste woorden over Tao had
gehoord. Ik was bang geweest, dat zijne immense, hooge filosofie
doodend zou zijn voor den kunstenaar, en ik, als ik mij zoo van-zelf
naar zijne wijsheid liet toedrijven, ook geen pure emotie als dichter
zou kunnen voelen, en niet meer kinderlijk verbaasd en gelukkig zou
kunnen zijn bij het aanschouwen van schoonheid.
Maar hij stond in pure verrukking, alsof hij voor den eersten keer de
zee zag, en luisterde aandachtig naar de golven, met lichtschitterende
oogen.
"Is dit niet schoon," sprak hij weêr, "is dit niet schoon, het geluid
dat voortkwam uit Tao, het geluid-looze? Het licht, dat uitschijnt
uit Tao, het licht-looze? En de verzen, de sonore muziek der woorden,
geboren uit Tao, het woordelooze? Leven wij niet in één eindeloos
Mysterie, dat ééns tot ééne simpele, absolute Waarheid zal worden?"
Ik zweeg een langen tijd. Maar ik kon het nog niet goed vatten. Het
leek alles zoo eenvoudig, dat het té eenvoudig voor mij was. En ik
vroeg hem twijfelend:
"Kan het werkelijk zóó simpel zijn, een dichter wezen, en verzen
zingen? Wij kunnen toch niet zóó gemakkelijk een vers uitzeggen
als de stroom van de rotsen ruischt? Moeten wij niet eerst leeren,
en ons oefenen, en goed de vers-vormen leeren zien? Dit is toch wel
degelijk actie, en geen van-zelve beweging?"
Maar hij was niet verlegen met mijne vraag, en antwoordde dadelijk:
"Laat u hierdoor niet verwarren. Alles komt hiér op neer: Heeft
een mensch de ware Bron, waaruit het vers moet vloeien, of heeft
hij die niet? Heeft hij de simpele, reine beweging van Tao in zich,
of is zijn leven niet zoo mooi, eenvoudig van beginsel? Heeft hij de
Bron, dan is hij een dichter, heeft hij de Bron niet, dan is hij geen
dichter. Nu zult gij reeds dadelijk zien, dat, héél goed beschouwd,
van een hoog standpunt, eigenlijk alle menschen dichters zijn, want
ik heb u gezegd, in allen is de primitieve, essentieele beweging van,
en weer náár Tao. Maar bij héél enkelen alleen is deze beweging zoo
ontwikkeld, en zoo sterk gespannen, dat zij hun de hooge dingen van
de schoonheid kan doen zien, die de oevers zijn, waarlangs hunne
zielerivier gaat vloeien tot zij zich in het oeverlooze Eindeloos
verliest. Gij zoudt kunnen zeggen, de gewone menschen zijn stilstaand
water in slijkigen grond, met schralen plantengroei, de dichters zijn
blanke rivieren, die door weelderige oevers vol wondere pracht, naar
den eindeloozen oceaan stroomen. Maar ik wil liever niet met te veel
vergelijkingen spreken, want dat is eigenlijk niet eenvoudig genoeg.
"Gij wilt zeggen, als een dichter werkelijk een dichter is, met de
goede bron in zich, moet hij zich dan niet eerst oefenen, en blijft
het dus wel waar, dat hij zoo van-zelf beweegt als de natuur? Zeer
stellig.--Want vergeet niet, dat een jong dichter, die een korten
tijd de verschillende vormen van het gedicht bestudeerd heeft,
opeens diezelfde vormen zóó natuurlijk zal gaan vinden, dat hij
van-zelf geen andere meer kan zien. Zijne verzen zullen zich van-zelf
in vormen van schoon gaan bewegen, eenvoudig omdat zij geen andere
beweging kennen. Dit is juist het onderscheid tusschen een dichter
en een dilettant, dat een dichter zijne verzen uitzegt, en ze later
goed beschouwende, in al hunne bewegingen, klanken en rhythme juist
vindt, terwijl een dilettant eerst een wegje gaat afbakenen, volgens
een geleerd plan, waarlangs hij volkomen ziellooze woorden met alle
geweld probeert vooruit te krijgen. De bezielde woorden van den dichter
vloeiden van zelf, juist omdat zij bezield zijn. En, goed nagedacht,
bestaan er in 't geheel geen bepaalde vormen van gedicht eigenlijk,
en in 't geheel geen wetten, want een vers, van-zelf voortgevloeid uit
de bron, gaat uit eigen kracht, en niet gehoorzamende aan een vooraf
gestelde, menschelijke wet. De eenige wet is, dat er geen wet is. Gij
zult dit misschien heel gewaagd vinden, jonge man, maar bedenk, dat
ik van Tao uitga met mijn betoog, en niet van de menschen, en dat ik
dan ook maar heel weinig ware dichters weet. Het is allerzeldzaamst,
een mensch, die zoo zuiver en puurrein is als de natuur. Denkt gij,
dat er velen in uw land zijn?"
Ik voelde mij vreemd te moede bij deze vraag, die ik niet van den Wijze
verwacht had, en ik begreep niet, waarom hij dit wilde weten. Het
antwoord leek mij zoo uiterst moeilijk, en ik begon daarom eerst
met een andere vraag aan hém: "Mijn oude Meester, ik kan het u niet
zeggen, vóór ik nog meer van u mag hooren. Waarom maakt een dichter
een gedicht?"
Dit scheen hem te verbazen, want hij vroeg, alsof hij mij niet goed
verstaan had:
"Waarom een dichter een gedicht maakt?"
"Ja, Meester. Waarom?"
Hij lachte helder uit in het licht, en zeide:
"Waarom ruischt de zee? Waarom zingt het vogeltje? Weet gij dat,
mijn jongen?"
"Vader, omdat zij niet anders kunnen, omdat zij nu eenmaal moeten,
uit hunne natuur! Het is Wu Wei!"
"Heel goed. Welnu, zou het bij een dichter dan anders zijn?"
Ik dacht na, maar ik had nog geen antwoord gereed.
"Ja, het kan toch nog anders. Een dichter kan zingen om eene Literatuur
te helpen maken, in een land waar de literatuur dood is. Dit vind
ik heel mooi klinken, maar eigenlijk onzuiver. Maar er zingen ook
dichters om zich een glorie te scheppen, om beroemd te zijn, om te
worden gekroond met blinkende lauweren, en het lachen te zien lichten
van blonde meisjes, die bloemen strooien voor hunne voeten!"
"Gij moet u juister uitdrukken," sprak de Wijze. "En gij moogt geen
woorden ontheiligen, die onder de duizenden woorden heilig zijn. Want
dichters, die zóó zingen zingen niet, en zijn geen dichters. Een
dichter zingt omdat hij zingt. Hij kan niet zingen met een zeker doel,
anders wordt hij een dilettant."
"Maar, Vader, als een dichter nu eens werkelijk gezongen heeft zoo
rein als een vogeltje, zou hij dan daarna niet mogen gelukkig zijn met
lauweren en rozen? Kan hij in ijverzucht haten wie de lauwer kreeg dien
hij waardig denkt te zijn? Kan hij zijn ziel verloochenen, en zeggen
dat schoon leelijk is, omdat hij het schoone haat die het schiep, kan
hij zeggen dat leelijk schoon is, omdat de kransen moeten komen uit
de hand van den leelijke? Kan hij zich opsmukken met bleeke glorie,
en opzettelijk anders doen dan andere menschen, om uit te blinken
door vreemden sier? Kan hij zich beter vinden dan het gemeen? Kan
hij de handen van het gemeen drukken dat hem huldigt? Of kan hij het
gemeen haten dat hem niet kroont, maar hem bespot? Hoe kunt gij mij
deze dingen verklaren? Het lijkt mij alles zoo vreemd bij den eenvoud
van het kleine vogeltje, en de groote zee!"
"Al deze vragen, mijn jongen, zijn een antwoord op mijne vraag,"
zeide de Wijze. "Want dat gij dit alles weten wilt, is een bewijs,
dat er niet veel dichters in uw land zijn. Denk er om, dat ik het
woord dichter in de pure, hoogste beteekenis neem.--Een dichter kan
alleen voor zijne kunst leven, die hij als kunst liefheeft, niet
als een middel om wat vaag aardsch genot te verkrijgen. Een dichter
ziet de menschen en dingen in hun eenvoudigste wezen, zóó simpel,
dat hij bijna vlak bij Tao is. Andere menschen zien menschen en dingen
verward, als onder dikke nevelen. Een dichter weet dit als een stellige
waarheid. Hoe kan hij dan verwachten, dat zijn eenvoud gezien wordt
door het vage, omwolkte volk? Hoe kan hij emotie van haat en droefheid
voelen, als men hem bespot? Hoe kan hij geluk voelen, als men hem
wil lauweren? Het is hiermede als met de vier jaargetijden van Chuang
Tsz'. Het is niet bizonder verschrikkelijk, omdat het de natuurlijke
gang der dingen is. Een dichter is dus niet in wanhoop als men hem
hoort, en ook niet gelukkig als men hem huldigt. Hij ziet de dingen
van het volk tegen hem aan als den natuurlijken loop der gevolgen,
waarvan hij de oorzaken weet. Het oordeel van het gewone publiek is
hem zelfs niet eens onverschillig. Het bestaat eenvoudig niet voor
hem. Hij schept ook zijne verzen niet voor het volk, maar omdat
hij ze nu eenmaal van-zelve schept. Het geluid der menschenwoorden
over zijn werk ontgaat hem, en hij weet niet, of hij beroemd is,
of vergeten. [28] De hoogste beroemdheid is géén beroemdheid te
hebben. Gij ziet mij aan, jongeman, alsof ik u wonderen zeg, van welke
gij nooit hebt durven droomen. Maar ik zeg u niets dan heel eenvoudige
waarheid, zoo simpel en natuurlijk als de waarheid in een landschap
of eene zee. Omdat gij nog niet lang geleden in het drukke leven der
menschen van uw land waart, hebt gij nooit waren eenvoud gezien. Gij
hebt zóó lang van niets anders hooren spreken dan van verdienste, roem,
eer, artiesten en onsterfelijkheid, dat gij niet beter wist, of deze
dingen waren onmisbaar als de lucht, die gij ademt, en reëel als uw
ziel. Maar het is alles schijn en bedrog. Wie gij gezien hebt waren wel
dichters van reinen oorsprong misschien, maar zij zijn afgedwaald van
de beweging, die hun principe was uit Tao, en zij zijn niet gebleven
wat zij waren, maar door zwakte afgedaald tot de dingen der ordinaire
menschen. Zij doen juist hetzelfde als de vulgaire menschen doen, en
nog heviger. Ik begrijp dit uit uwe vragen. Welnu, alle dezen zijn geen
dichters meer, en zullen ook geen ware poëzie meer zingen zoolang zij
zoo zijn. Want de geringste afwijking van de oorspronkelijke beweging
is voldoende om de poëzie te dooden. Er is maar ééne, rechte weg,
simpel, en maagdelijk, maar streng als de rechte lijn. Die rechte lijn
is het van-zelve. Daarbuiten ligt het onnatuurlijke, de valsche actie,
de wegen naar roem en aanzien, waar moord en doodslag gebeurt, en de
eene boezemvriend het bloed van den ander wel zou drinken om zijn
doel te bereiken. De rechte lijn gaat van-zelve, zonder afwijking,
zonder geheime richting, in simpelen staat naar het eindelooze.
"Gij zult ook inzien, dat dan van-zelf al die gevallen onmogelijk
worden, waardoor dichters een slachtoffer worden van het gemeen. Gij
zult in de geschiedenis van uw land, evenals in die van het mijne, wel
gelezen hebben van poëeten, die stierven van smart over de miskenning
der wereld, en zelfmoord pleegden na eene onverdiende bespotting. Ik
heb dat altijd heel aandoenlijk gevonden, maar ik wist dat ik dan
met géén waarachtig groote dichters te doen had gehad.
"En ik spreek natuurlijk niet alleen van woordkunstenaars, maar van
kunstenaars in het algemeen. Wil ik u eens iets van een' kunstenaar
laten zien, dien ik zoo puur en simpel vind als ik mij een waar,
eenvoudig mensch voorstel? Ga dan eens met mij mede."
De Wijze geleidde mij naar een kamertje in zijn huisje. Een kleine
cel, met witte muren, en geen andere meubelen dan een bed, een tafel
met boeken, en een paar stoelen. Hij opende een deur in den muur,
en kwam terug met een houten kist. Hij droeg haar zoo voorzichtig,
alsof hij een heilig ding droeg, of een teêr kind. Hij zette haar zacht
neer op den grond, schoof een schuif open, en haalde uit de kist een
groote nis van donker roodbruin hout, die hij op de tafel zette. [29]
"Ziet ge," zeide hij, "dat is om te beginnen een mooie nis. Een
mooi ding moet in eene mooie omgeving staan. De deurtjes zijn nog
dicht. Vindt ge dat niet goed, dat idee, om het zoo altijd te kunnen
verbergen voor profane oogen? Maar voor u wil ik het wel open doen." En
de beide deuren van de nis gingen open.
Tegen een' achtergrond van lichtblauwe zijde stond een groot beeld. Het
schitterde met zulk een' wonderen glans, dat het een eigen licht om
zich heen had. Het was de boeddha Kwan-Yin, gezeten in een' lotus,
die zich kuisch ontplooid had. De lotus rees recht en statig uit een
wild-golvende zee. [30]
"Ziet ge hoe héél eenvoudig en mooi dat is?" zeide hij met eene stem,
waarin ik eene groote, teedere liefde voelde. "Is dat niet de Rust
heelemaal weergegeven? Zie dat sereene gezicht, hoe wonder-teêr,
en toch hoe ernstig-streng, met die geloken oogen, starende in de
eindeloosheid. Kijk eens zoo'n wangetje, hoe gevoelig, kijk eens dien
mond, en het statige welven der wenkbrauwen, en die pure parel [31]
opblinkende uit haar voorhoofd, symbool van hare essence-ziel, die
uit het lichaam gaat! Hoe weinig lijnen, haar lijf! Maar zie eens,
die immense genade van liefde in den rechterarm, die neerdaalt,
die ontzaglijke heiligheid in den opgeheven linkerarm, en die twee
vingers saâm-gehouden, in het moment van prediking! En hoe mooi, de
gekruiste beenen, die zoo zacht op den lotus liggen! En kijk eens, wat
gevoelig tegelijk voor zoo'n kolossaal streng ding, die fijne zooltjes,
met die innig teedere golving! Is dit niet de essence van het geheele
boeddhisme, in één beeld? Ge behoeft niets van boeddhisme gelezen te
hebben, om er nú al de essence van te voelen. Is dat niet de Rust,
dat ideaal-reine gezicht, zoo stil starende in eeuwigheid. Is het
niet de geheele liefde voor de wereld, het simpele neêrgaan van dien
éénen arm, is het niet gegrepen, het essentieele van de geheele Leer,
in het moment van die twee predikende vingers?
"En dan de stof, waar zoo'n beeld van gemaakt is! Weet gij wel dat
zoo'n kunstenaar er jaren en jaren over zwoegde, vóór hij zijne
materie had verreind en geaetheriseerd? Want steen is zoo hard,
niet waar, en het idee van stof is al heel leelijk bij de plastische
uiting van het ideale idee Rust. De kunstenaar werkte met allerlei
lage dingen, als klei, en zand, en aarde,--die hij door gepaste,
harmonische vermenging met edelsteenen, paarlen en jaspis, tot
kostbaarheden vervormde. En zóó is dit beeld eene materie geworden,
die geen materie meer is, maar eene incarnatie van een subliem idee. De
kunstenaar wilde ook in zijn beeld symboliseeren den dageraad, die
voor de menschheid opschemerde, toen de Boeddha verscheen. En in het
glanzende, sneeuwreine wit van zijn porselein liet hij den vagen,
rozen gloed droomen, die in de ochtendhemelen beeft, vóór de glorie
van de zon uitstraalt. Is dit niet gevoeliger, dat voorgevoel van het
licht, dan het licht zelf? Ziet ge die héél vage, maar wonderreine
roze kleur door het wit schijnen? Is het niet kuisch als het eerste
opbloeien van een blos op het blanke voorhoofd van een maagd? Is het
niet de diviene liefde van den kunstenaar, die daar zacht droomt in
het blanke wit? Zoo'n beeld is eigenlijk geen beeld meer. Het idee
materie is er heelemaal uit. Het is een mirakel."
Ik kon geruimen tijd niet spreken van aandoening. Nog meer dan de
reine wijsheid van den grijsaard voelde ik de schoonheid van deze
kunst mijne ziel verreinen. Eindelijk vroeg ik zacht:
"Wie heeft dit wonder gemaakt? Ik wil het weten, opdat ik zijn'
naam gelijk met den uwe in reverentie houd."
"Het doet er al heel weinig toe, mijn beste jongen," antwoordde de
Wijze. "De ziel, die in dezen kunstenaar was, is in Tao vergleden,
waarin gij eens verglijden zult. Zijn lichaam is vergaan, als
de bladeren, zooals het uwe eens vergaan zal. Wat is er dus voor
gewichtigs in zijnen naam? Maar ik wil het u wel zeggen. Hij heette
Tan Wei [32], en drukte dien naam in prachtig gestyleerde karakters in
den rug van het beeld, omdat dit nu eenmaal in die tijden de gewoonte
was. Wie hij was? Natuurlijk een gewoon werkman, die niet eens wist,
dat hij een kunstenaar was, die zich volstrekt niet meer vond dan een'
gewonen landbouwer, en ook in 't geheel niet vermoedde, hoe mooi zijn
werk eigenlijk was. Maar hij had heel veel in de luchten om hem gezien,
en hij hield van zeeën, en landschappen, en bloemen. Anders zou hij
niet zoo gevoelig geweest zijn. Je ziet die simpele lijnen en pure
kleuren alleen in de natuur. Hij was volstrekt niet beroemd. Gij
zult zijn' naam niet in de geschiedboeken vinden. Ik zou u niet
kunnen zeggen, waar hij vandaan kwam, hoe hij leefde, hoe oud hij
was. Ik weet alleen, dat het achthonderd jaar geleden is, toen er
zulke beelden werden gemaakt, en de oude kunstkenners het beeld van
uit de eerste helft der Mingdynastie rekenen te zijn. De kunstenaar
leefde hoogstwaarschijnlijk heel stil het leven der anderen, werkte
vlijtig als een gewoon werkman, en stierf eenvoudig, onbewust van
zijne grootheid. Maar zijn werk bleef over, en dit beeld, dat door een
gelukkig toeval in deze streken terecht kwam, waar de laatste oorlogen
niet woedden, is hetzelfde wat het was, toen hij het maakte. Zóó
kan het nog eeuwen en eeuwen staan, in ondoofbaren glans, in altijd
maagdelijke majesteit! O! zóó iets maken, in argeloozen, puren eenvoud,
is een dichter zijn! Dít is de kunst, die niet van de tijden is, maar
van de eeuwigheid! Wat is dat mooi, vindt ge niet? Dat porselein, dat
bijna niet vergaan kan, en die glans, die nooit verdooft! Het staat
zoo sterk, en toch zoo teer hier op de aarde, en het zal er nog zijn,
als onze kinderen reeds zijn gestorven! En de ziel van den kunstenaar
is in Tao vergleden!"
Wij zagen het beeld nog geruimen tijd aan. Toen vatte hij de nis weer
voorzichtig op.
"Het is zoo teêr," zeide hij, "dat ik het eigenlijk niet goed
in het daglicht durf te zetten. Het daglicht is te hard voor dit
wonder-zachte, het beeld is zoo aetherisch als een ziel. Het is of ik
bang ben, dat het plotseling in het licht breken zal, of vervlieden,
als een licht wolkje in de lucht. Het is zoo heelemaal van ziel
gemaakt."
En zachtjes, o zoo zachtjes zette hij de nis in de kist, die hij sloot.
Hij ging mij voor, naar buiten, en wij gingen weer zitten onder de
welving van een vooruitstekende rotspunt.
"Hoe mooi zou het leven zijn," zeide ik, "als alle menschen in eenvoud
zulke dingen maakten, en die overal om zich heen zetten."
"Alle menschen," antwoordde hij, "is nu wel wat veel. Maar er is
werkelijk een tijd geweest, dat dit groote rijk één schoone kunsttempel
was. Gij kunt er de sporen nog van zien hier in China. Er was een
tijd, dat het meerendeel der menschen zulke simpele kunstenaars
waren. Alle dingen, die hunne omgeving vormden, waren mooi, de
kleinste en de grootste. Een tempel, een tuin, een tafel, een stoel,
een mes. Kijk eens naar de theekopjes uit die eeuw, en de kleinste
wierookvaatjes! De armste koelies aten van schalen, die in hunne soort
even volmaakt waren als mijn porseleinen beeld. Alle artikelen, die
gemaakt werden, waren mooi, en waren dat van-zelf. Natuurlijk vonden
de eenvoudige werklieden zich geen artiesten, of andere menschen
dan anderen, en ontstond er geen kleingeestige strijd onder hen,
want dan zou het gedaan zijn geweest met de kunst. Alles was mooi,
omdat allen eenvoudig waren en te goeder trouw werkten. Het was toen
even natuurlijk dat alle dingen mooi waren als het nu natuurlijk
is, dat zij leelijk worden. De kunst in China is tot het uiterste
achteruitgegaan, een gevolg van den ellendigen socialen toestand. Gij
zult wel gezien hebben, dat de kunst van dit land in verval is. Wel
zijn bijna alle onze dingen van dagelijksch gebruik nog altijd
mooier dan de afschuwelijke voorwerpen der Europeesche industrie,
maar het wordt toch al minder en minder. En dit is een veeg teeken
voor dit groote rijk. Want de kunst is met den bloei van een land
onafscheidelijk verbonden. Gaat de kunst achteruit dan vervalt het
geheele rijk. Ik bedoel niet in politieken zin, maar in zedelijken
zin. Want moreel sterke, eenvoudige menschen brengen van-zelf sterke
gezonde kunst voort. Ja, wat gij zegt is waar, hoe veel beter zou
het leven der menschen zijn, als zij eene betere omgeving konden
maken. En hoe vreemd, dat dit niet zoo is! Want de natuur is altijd
overal om hun leven heen! Zie de wolken! Zie de boomen! Zie de zee!"
De zee ruischte áltijd door. Zij was eindeloos waar en zuiver. De
wolken dreven statig landwaarts, in majestueus langzame beweging,
zwaar van licht. Gouden schaduwen vielen op de bergen, en zweefden weer
weg, met der wolken rhythmus mede. Er was overal licht, en beweging,
en geluid, en nuance.
De Wijze zag rustig in dit eindeloos schoon, zoo vertrouwelijk en
natuurlijk, alsof hij volkomen voelde, hoe innig hij aan de geheele
omgeving verwant was. Hij scheen te raden wat ik dacht toen ik hem
aankeek, want hij zeide:
"Wij zijn even simpel in dit schoon als een boom, of een berg. Kunnen
wij dit altijd blijven, dan voelen wij ons voor goed veilig bezorgd
in de groote beweging van het wereldstelsel. Er is zoo veel en veel
gezegd over het menschenleven, en de geleerden zijn verward in een
doolhof zonder eind. En toch is het zoo eenvoudig van essence als de
geheele natuur. Er is niets eenvoudiger dan iets anders, en niets
is in verwarring, al schijnt het zoo. Het gaat alles zoo zeker en
onvermijdelijk als de zee."
Er was in zijne stem de groote liefde van een poëet en ook de kalme
zekerheid van een geleerde, die van een onwankelbare waarheid uitgaat.
"Zijt gij nu voor vandaag tevreden?" vroeg de Wijze vriendelijk. "En
heb ik u nu een beetje geholpen? Voelt gij nu zuiverder wat poëzie is?"
"Vader," antwoordde ik, "Uwe wijsheid is poëzie en uwe poëzie is
wijsheid. Hoe kan dit zijn?"
"Dat is heel goed, zooals gij dit ziet," antwoordde hij. "Gij zult gaan
leeren, dat al deze woorden maar schijn zijn. Ik weet niet wat mijne
wijsheid is, of wat mijne poëzie. Alles keert tot één terug. Het is
zoo eenvoudig, en zoo natuurlijk, als gij dit weet. Het is alles Tao."